ECLI:NL:RBDHA:2026:30889

ECLI:NL:RBDHA:2026:30889

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 20-10-2026
Datum publicatie 20-10-2026
Zaaknummer AWB 26/13232 en NL26.45127
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

HTL + art. 56 Vw. Ongegrond.

Uitspraak

[naam], eiser,

V-nummer: [v-nummer:],

(gemachtigde: mr. R.J. Schenkman),

en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa,

alsmede,

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. I. van Es).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank twee beroepen. Het eerste beroep is gericht tegen het besluit van het COa van 11 juli 2026. In dat besluit heeft het COa besloten om eiser per 11 juli 2026 in de HTL in Hoogeveen te plaatsen (het plaatsingsbesluit). Het tweede beroep van eiser richt zich tegen het besluit van de minister van dezelfde datum om hem een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 van de Vw op te leggen (de vrijheidsbeperkende maatregel). De rechtbank merkt het beroep ook aan als een verzoek om schadevergoeding.

Eiser heeft op 25 augustus 2026 beroepsgronden ingediend, waarop het COa op 9 oktober 2026 een verweerschrift heeft ingediend. Eiser heeft op 12 oktober 2026 een aanvullende beroepsgrond ingediend.

De rechtbank heeft de beroepen op 13 oktober 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek in beide zaken op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Wel veroordeelt de rechtbank de minister in de proceskosten. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij tot dit oordeel komt.

Het beroep gericht tegen het plaatsingsbesluit

Het incident dat heeft geleid tot het plaatsingsbesluit

3. Uit de verslaglegging van het COA blijkt - kort samengevat - het volgende. Op 2 juni 2026 verklaarde bewoner B dat hij omstreeks 00:07 uur ruzie had gehad met eiser. Naar aanleiding daarvan meldde bewoner B zich bij de receptie en vroeg hij of de politie kon worden gebeld. Kort daarna meldden ook eiser en bewoner C zich bij de receptie. Daar werd waargenomen dat eiser en bewoner B met hun hoofden tegen elkaar stonden en opnieuw ruzie maakten. Beiden verklaarden dat zij met een mes waren bedreigd. De politie heeft met beide partijen gesproken en geen messen aangetroffen. Op diezelfde dag, omstreeks 10:00 uur, troffen medewerkers tijdens de ochtendronde in de kamer van eiser bewoner C aan, die op het bed van bewoner B lag te slapen. Bewoner C is een time-outer en heeft volgens het COa geen toegang tot de appartementen van bewoners. Bij de kamercontrole omstreeks 10:15 uur werd waargenomen dat de rookmelder in de kamer van eiser was afgeplakt. Omstreeks 11:00 uur verklaarde eiser in een gesprek met twee medewerkers dat de ruzie was ontstaan doordat bewoner B zijn moeder zou hebben uitgescholden. Eiser verklaarde dat hij bewoner B uit respect voor de medewerkers niet op de locatie zou slaan, maar hem buiten het AZC sowieso zou aanpakken en in elkaar zou slaan. Verder verklaarde hij dat hij niet met bewoner B op een kamer kon verblijven, omdat hij hem zou slaan zodra hij hem zou zien.

Het COa kwalificeert de gedragingen van eiser, in onderlinge samenhang gezien, als gedrag met grote impact. Volgens het COa had het hoofd tegen hoofd staan en het maken van ruzie met bewoner B als doel om hem te bedreigen en fysieke schade toe te brengen, in een gemeenschappelijke ruimte en in aanwezigheid van anderen. Daarnaast heeft eiser volgens het COa twee huisregels overtreden: door de rookmelder af te plakken heeft hij een brandveiligheidsvoorziening buiten werking gesteld, en hij heeft een slaapplek gefaciliteerd voor bewoner C, terwijl die als time-outer geen toegang heeft tot de appartementen van bewoners.

Wat vindt eiser?

4. Eiser stelt dat de incidenten te gering zijn om een HTL-plaatsing te rechtvaardigen. Ten aanzien van de ruzie met bewoner B voert eiser aan dat het COa zich uitsluitend baseert op de verklaring van bewoner B en voorbijgaat aan zijn eigen verklaring dat hij door bewoner B is bedreigd. Er zijn volgens eiser geen wapens aangetroffen, zodat van een bedreiging door hem geen sprake kan zijn. Het COa heeft alleen kunnen constateren dat er een verbale ruzie was bij de receptie. Dat is te gering voor een HTL-plaatsing. Ten aanzien van bewoner C voert eiser aan dat deze een vriend is die de laatste trein had gemist en daarom in zijn kamer sliep. Volgens eiser is dit hoogstens een overtreding van huisregels met een geringe impact, en is niet gebleken dat anderen schade of gevaar hebben ondervonden. Eiser ontkent de rookmelder te hebben afgeplakt. Hij stelt dat hij op het AZC komt om zich te melden, dat zijn kamergenoot rookt en dat deze daarom aannemelijk verantwoordelijk is. Ook heeft het COa niet geconstateerd dat eiser de rookmelder heeft afgeplakt. Verder ontkent eiser te hebben gezegd dat hij een andere bewoner buiten het AZC in elkaar zou slaan. Hij wijst erop dat het plaatsingsbesluit spreekt over een bewoner D die niet bij het incident betrokken is, zodat de beschikking volgens hem onzorgvuldig tot stand is gekomen en gebrekkig is gemotiveerd. Ook als hij dit wel had gezegd, is de impact volgens eiser te gering. Eiser concludeert dat de plaatsing in de HTL een onevenredig zware bestraffing is.

Oordeel rechtbank

5. De rechtbank vindt voldoende aannemelijk dat de gedragingen, zoals het COa die heeft omschreven, zich hebben voorgedaan. Anders dan eiser stelt, baseert het COa zich niet uitsluitend op de verklaring van bewoner B. Uit het plaatsingsbesluit blijkt namelijk dat beide bewoners hebben verklaard dat zij met een mes werden bedreigd. Daarmee is ook de verklaring van eiser in het besluit opgenomen. Daarnaast is de enkele ontkenning van eiser dat hij tijdens het gesprek heeft gezegd dat hij bewoner B buiten het AZC in elkaar zou slaan, onvoldoende om te twijfelen aan de juistheid van de verslaglegging. Twee medewerkers van het COa waren immers bij dit gesprek aanwezig. Bovendien heeft het COa deze uitlating niet als zelfstandige grondslag gebruikt, maar als bevestiging van het doel van eisers gedrag tijdens de ruzie met bewoner B. Verder volgt de rechtbank de minister dat de vermelding van bewoner D in het plaatsingsbesluit een kennelijke verschrijving is en dat bewoner B is bedoeld. Voorafgaand aan de beschrijving van het incident worden alleen de bewoners A, B en C genoemd. Uit de context blijkt bovendien over wie het gaat: in het besluit staat dat medewerkers in gesprek gaan met bewoner A over het incident van de vorige nacht, en dat is het incident van 2 juni 2026 om 00:07 uur. Ook volgt uit het feitenrelaas dat eiser en bewoner C ruzie hadden met bewoner B. Het besluit is door deze verschrijving daarom niet onzorgvuldig tot stand gekomen of gebrekkig gemotiveerd. Verder volgt de rechtbank de enkele ontkenning van eiser niet, dat hij de rookmelder niet onklaar heeft gemaakt. Weliswaar heeft eiser aangegeven dat het zijn kamergenoot die rookt kan zijn, maar het COa heeft terecht gewezen op eerdere incidenten waarbij eiser zijn rookmelder eveneens onklaar heeft gemaakt. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de verslaglegging zoals door het COa weergegeven.

De rechtbank is van oordeel dat het COa het incident van 2 juni 2026 terecht heeft gekwalificeerd als een incident met een grote impact. Zoals hiervoor overwogen, gaat de rechtbank uit van de feitelijke verslaglegging van het COa. Hieruit volgt onder meer dat eiser hoofd tegen hoofd stond met bewoner B en dat hij met hem ruzie maakte, in een gemeenschappelijke ruimte en in aanwezigheid van anderen. Daarnaast heeft eiser tegen twee medewerkers van het COa gezegd dat hij bewoner B 100% buiten het AZC in elkaar zou slaan, hem sowieso gaat aanpakken en in elkaar slaan. Het COa heeft dit gedrag terecht aangemerkt als gedrag dat gericht was op het bedreigen van bewoner B dan wel het toebrengen van fysieke schade. Dat geen wapens zijn aangetroffen en dat het om een verbale ruzie ging, doet niet af aan de ernst en de impact van dit incident. Verder overweegt de rechtbank dat eiser eveneens op dezelfde dag een rookmelder onklaar heeft gemaakt door deze af te plakken. Dit kan volgens het maatregelenbeleid ook als incident met grote impact worden aangemerkt, gelet op de veiligheid die in het geding is als deze niet goed werkt. Zowel de ruzie met bewoner B als het onklaar maken rookmelder is voldoende voor de kwalificatie van een incident met een grote impact, ook zonder de andere gedragingen die het COa bij dit incident heeft betrokken. Het gedrag met persoon C, een time-outer, hoeft daarom niet nader besproken te worden.

De rechtbank is verder van oordeel dat het COa in overeenstemming met het Maatregelenbeleid en voldoende gemotiveerd heeft besloten eiser in de HTL te plaatsen. Volgens het Maatregelenbeleid wordt een HTL-maatregel overwogen bij meerdere incidenten met een grote impact of bij één incident met een zeer grote impact. Het COa heeft gemotiveerd dat dit incident niet op zichzelf staat, maar dat ook eerdere incidenten met een zeer grote dan wel grote impact aan het plaatsingsbesluit ten grondslag liggen. Hierbij gaat het onder meer om het dreigen met een steekwapen op 9 september 2025, het onklaar maken van een rookmelder op 20 oktober 2025 en 23 januari 2026, en een incident op 13 april 2026 waarbij onbevoegden, drugsgebruik en de inzet van hulpdiensten betrokken waren. Omdat eiser de kwalificatie van deze eerdere incidenten niet bestrijdt, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan die kwalificaties te twijfelen. Daarom hebben deze eerdere incidenten samen met het incident van 2 juni 2026 kunnen leiden tot plaatsing van eiser in de HTL.

6. De rechtbank verklaart het beroep gericht tegen het plaatsingsbesluit ongegrond.

Het beroep gericht tegen de vrijheidsbeperkende maatregel

Gebruik van een niet beëdigde tolk

7. Eiser voert over de vrijheidsbeperkende maatregel aan dat hij voorafgaand aan het opleggen van deze maatregel is gehoord, maar dat daarbij geen gebruik is gemaakt van een beëdigde tolk. Volgens eiser is hiervoor ook geen reden opgegeven, terwijl dat wel vereist is. Eiser verwijst hierbij naar het proces-verbaal van gehoor (M108-B).

8. De rechtbank stelt vast dat uit de M108-B volgt dat gebruik is gemaakt van een niet-beëdigde tolk (Arabisch). De rechtbank is van oordeel dat de minister bij dit gehoor gebruik moet maken van een beëdigde tolk, omdat dit volgt uit artikel 28, eerste lid, van de Wbtv. Is een beëdigde tolk niet beschikbaar, dan moet de minister motiveren waarom hij niet in staat was een beëdigde tolk te vinden. Op de zitting heeft de gemachtigde van de minister toegelicht dat de medewerker die het gehoor heeft afgenomen, heeft aangegeven dat een beëdigde tolk Arabisch niet beschikbaar was, maar dat dit niet is aangekruist in de M108-B. Nu dit niet in de M108-B is gemotiveerd, is sprake van een gebrek. Dit gebrek maakt de vrijheidsbeperkende maatregel echter niet onrechtmatig, omdat niet is gebleken dat eiser hierdoor in zijn belangen is geschaad. Gesteld noch gebleken is dat eiser de aan hem gedane mededelingen en de aan hem gestelde vragen niet goed heeft begrepen. Gelet hierop bestaat er geen grond voor het oordeel dat de belangen die de maatregel dient niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek. De rechtbank ziet daarom aanleiding om het gebrek te passeren op grond van artikel 6:22 van de Awb.

De rechtbank verklaart het beroep gericht tegen de vrijheidsbeperkende maatregel ongegrond. Wel veroordeelt de rechtbank de minister in de proceskosten.

Conclusie en gevolgen

9. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dus dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom ook geen schadevergoeding.

10. Omdat de rechtbank met toepassing van artikel 6:22 van de Awb een gebrek in het bestreden besluit heeft gepasseerd, ziet de rechtbank aanleiding om de minister in de proceskosten van eiser te veroordelen. De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Bpb vast op € 1.868,-. Omdat beide beroepen als samenhangend moeten worden gezien worden de zaken voor de proceskostenveroordeling beschouwd als één zaak.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van S. Strating, griffier, op 20 oktober 2026 en gepseudonimiseerd gepubliceerd op rechtspraak.nl.

de griffier de rechter

Een afschrift is naar partijen verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. V.A.G. van Dijk

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand