[naam], eiser,
V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. R.J. Schenkman),
en
het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa,
alsmede,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. I van Es).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank twee beroepen. Het eerste beroep is gericht tegen het besluit van het COa van 20 juli 2026. In dat besluit heeft het COa besloten om eiser per 20 juli 2026 in de HTL in Hoogeveen te plaatsen (het plaatsingsbesluit). Het tweede beroep van eiser richt zich tegen het besluit van de minister van dezelfde datum om hem een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 van de Vw op te leggen (de vrijheidsbeperkende maatregel). De rechtbank merkt het beroep ook aan als een verzoek om schadevergoeding.
Eiser heeft op 31 augustus 2026 beroepsgronden ingediend, waarop het COa op 7 oktober 2026 een verweerschrift heeft ingediend. De vrijheidsbeperkende maatregel is op 12 oktober 2026 opgeheven. De gemachtigde van eiser heeft aangegeven de beroepen te willen handhaven.
De rechtbank heeft de beroepen op 13 oktober 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek in beide zaken op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en ook geen vergoeding van zijn proceskosten. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij tot dit oordeel komt.
Het beroep gericht tegen het plaatsingsbesluit
Het incident dat heeft geleid tot het plaatsingsbesluit
3. Uit de verslaglegging van het COa blijkt - kort samengevat - over het gedrag van eiser het volgende. Op 13 juli 2026 vond op de locatie een grootschalige vechtpartij plaats waaraan vijftien tot twintig personen deelnamen. Het gevecht vond plaats in de buitenruimte van de locatie, waar zich op dat moment meerdere bewoners bevonden, onder wie kinderen. Op de camerabeelden is te zien dat eiser tijdens dit gevecht een keukenmes in zijn hand had. Hij maakte tweemaal een stekende beweging in de richting van persoon I en maakte vervolgens drie stekende bewegingen in de rug of romp van persoon J. J liep hierdoor steekletsel op. J is ter plaatse door ambulancepersoneel behandeld en voor verdere medische zorg meegenomen. Het COa heeft dit incident aangemerkt als een incident van zeer grote impact.
Wat vindt eiser?
4. Eiser ontkent de gedragingen die hem worden verweten. Hij stelt dat hij I en J niet heeft gestoken. Volgens eiser is plaatsing in de HTL niet gerechtvaardigd, omdat bij I volgens het plaatsingsbesluit slechts sprake is van lichte verwondingen waarvan de aard en de medische vaststelling niet nader zijn vastgelegd. Uit de beschrijving van het incident volgt volgens eiser dat bewoner B de confrontatie en het fysieke gevecht is gestart en als agressor kan worden aangemerkt. Daarnaast wijst eiser erop dat geen van de slachtoffers hem als dader heeft aangewezen. H, I en J hebben verklaard dat bewoner C bewoner J met een ketting sloeg en dat bewoner D een mes bij zich had. Het plaatsingsbesluit gaat hieraan ten onrechte voorbij. Verder voert eiser aan dat in het plaatsingsbesluit staat dat de stekende bewegingen op camera zijn vastgelegd, maar dat screenshots van de camerabeelden ontbreken en niet is toegelicht waarom die niet zijn overgelegd. Een globale samenvatting dat eiser stekende bewegingen heeft gemaakt, is volgens hem onvoldoende om een HTL-maatregel op te baseren, zeker nu het gaat om een grootschalige vechtpartij. Eiser concludeert dat het plaatsingsbesluit onvoldoende is gemotiveerd.
Oordeel rechtbank
5. De rechtbank is van oordeel dat het voldoende aannemelijk is dat de gedragingen zoals door het COa beschreven, zich hebben voorgedaan. Daarbij is van belang dat de verslaglegging berust op de verklaringen van medewerkers van de beveiliging en het COa, die de camerabeelden hebben teruggekeken. De enkele ontkenning van eiser dat hij I en J niet heeft gestoken, is onvoldoende om aan die verslaglegging te twijfelen. Dat geen screenshots van de camerabeelden zijn overgelegd, doet daar niet aan af. In de verslaglegging is voldoende duidelijk en concreet beschreven wat eiser heeft gedaan en wat hij in zijn handen had. Dat geldt ook voor de beschrijving van de handelingen van de medebewoners. Bovendien heeft de gemachtigde van het COa op de zitting toegelicht dat het COa zelf niet over de camerabeelden beschikt, omdat die in het bezit zijn van de politie, en dat de beelden daarom niet zijn overgelegd. Ook het feit dat H, I en J eiser niet als dader hebben aangewezen, geeft geen aanleiding om te twijfelen aan de betrokkenheid van eiser. Uit hun verklaringen volgt namelijk niet dat eiser niet heeft gestoken, maar alleen dat zij hem niet hebben genoemd. Zij hebben vooral verklaard over hun eigen positie in het gevecht en over het feit dat zij door de groep zijn geslagen, geschopt en met messen zijn aangevallen, zonder iets specifieks te zeggen over de rol van eiser. Verder rechtvaardigt het feit dat B mogelijk de agressor was bij dit incident ook op geen enkele wijze de gedragingen van eiser of zijn aandeel daarin.
De rechtbank is verder van oordeel dat het COa in overeenstemming met het Maatregelenbeleid en voldoende gemotiveerd heeft besloten eiser in de HTL te plaatsen. Volgens het Maatregelenbeleid wordt een HTL-maatregel overwogen bij meerdere incidenten met een grote impact of bij één incident met een zeer grote impact. Het COa heeft het incident van 13 juli 2026 terecht gekwalificeerd als een incident met een zeer grote impact. Zoals hiervoor overwogen, gaat de rechtbank uit van de feitelijke verslaglegging van het COa. Hieruit volgt dat eiser tijdens een grootschalig gevecht met een keukenmes tweemaal een stekende beweging heeft gemaakt in de richting van I en driemaal in de rug of romp van J. Het gaat dus om gerichte stekende bewegingen met een mes in de richting van het lichaam van twee personen. J heeft hierdoor steekletsel opgelopen en is ter plaatse door ambulancepersoneel behandeld en voor verdere medische zorg meegenomen. Het COa heeft deze gedragingen terecht aangemerkt als gedrag gericht op het toebrengen van ernstige fysieke schade. Dat I slechts lichte verwondingen heeft opgelopen, doet niet af aan de ernst en de impact van het incident.
Het beroep gericht tegen de vrijheidsbeperkende maatregel
6. Omdat het beroep tegen het plaatsingsbesluit ongegrond is en de vrijheidsbeperkende maatregel volledig steunt op dat besluit, oordeelt de rechtbank dat het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel ook ongegrond moet worden verklaard en wijst het verzoek tot schadevergoeding af.
Conclusie en gevolgen
7. Dat betekent dus dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom ook geen schadevergoeding. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van S. Strating, griffier, op 20 oktober 2026 en gepseudonimiseerd gepubliceerd op rechtspraak.nl.
de griffier de rechter
Een afschrift is naar partijen verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open.