ECLI:NL:RBDHA:2026:30902

ECLI:NL:RBDHA:2026:30902

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 12-10-2026
Datum publicatie 21-10-2026
Zaaknummer NL25.53282 en NL26.2400
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

AA, NTB

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: NL25.53282 en NL26.2400

(gemachtigde: mr. P.J. Schüller),

en

(gemachtigde: mr. S. Günes).

Procesverloop

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiser tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.

Eiser heeft op 24 mei 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) ingediend.

Bij besluit van 24 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit (zaak NL25.53282).

Eiser heeft op 14 januari 2026 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op dezelfde asielaanvraag (zaak NL26.2400).

Op 9 september 2026 heeft verweerder het bestreden besluit ingetrokken.

Bij brief van 9 september 2026 heeft eiser meegedeeld dat hij het beroep in zaak NL25.53282 niet intrekt en dat het beroep zich nu richt tegen het niet tijdig nemen van een besluit.

Verweerder heeft op 14 september 2026 een verweerschrift ingediend. Eiser heeft daar op 15 september 2026 op gereageerd.

Na van beide partijen toestemming te hebben ontvangen om zonder zitting uitspraak te doen op het beroep in zaak NL25.53282, heeft de rechtbank op 18 september 2026 het onderzoek in die zaak gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit is ingetrokken en dat het beroep in zaak NL25.53282 zich nu richt tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag.

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.

3. Eiser heeft de asielaanvraag ingediend op 24 mei 2024. Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) moest verweerder binnen zes maanden op de aanvraag beslissen. Na het verstrijken van de beslistermijn heeft verweerder op 17 december 2024 een ingebrekestelling ontvangen. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen. Dat beroep is op 10 oktober 2025 gegrond verklaard (zaak NL25.468). Verweerder heeft vervolgens op 24 oktober 2025 het bestreden besluit genomen. Eiser heeft op 14 januari 2026 opnieuw beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag (zaak NL26.2400). Op dat moment had verweerder echter al het bestreden besluit genomen. Het beroep in zaak NL26.2400 is daarom niet-ontvankelijk. Dat het bestreden besluit later is ingetrokken, maakt dit niet anders, omdat het beroep in zaak NL25.53282 vanaf die intrekking geacht wordt te zijn gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag. Gelet hierop is door de intrekking van het bestreden besluit niet alsnog een belang ontstaan bij het beroep in zaak NL26.2400.

Omdat het beroep in zaak NL26.2400 kennelijk niet ontvankelijk is, heeft de rechtbank partijen in die zaak niet uitgenodigd voor een zitting (artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb).

4. Op 7 september 2026 heeft verweerder het bestreden besluit ingetrokken. Eiser heeft op 9 september 2026 laten weten dat het beroep in zaak NL25.53282 niet wordt ingetrokken en nu moet worden aangemerkt als een beroep niet tijdig beslissen. Tussen partijen is niet in geschil dat dit beroep gegrond is, de wettelijke beslistermijn is namelijk verstreken.

5. Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen op de asielaanvraag, moet hij dit alsnog doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn stellen.

6. Verweerder heeft per brief van 14 september 2026 aangegeven dat de asielaanvraag opnieuw beoordeeld moet worden en dat nog niet duidelijk is of eiser zal worden uitgenodigd voor een aanvullend gehoor. Gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding om verweerder een termijn van twaalf weken te geven voor het nemen van een nieuw besluit.

7. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat een kortere beslistermijn moet worden gesteld. De rechtbank begrijpt de belangen van eiser bij een spoedige beslissing, maar het is ook in zijn belang dat een nieuwe beslissing zorgvuldig wordt voorbereid. Daarnaast kan het stellen van een kortere beslistermijn ten koste gaan van andere asielzoekers die, soms ook al lange tijd, wachten op duidelijkheid.

8. De rechtbank zal in overeenstemming met de aanbeveling van het Landelijk Overleg Vakinhoud Bestuursrecht (LOVB), gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, bepalen dat verweerder een dwangsom van € 50,- verbeurt voor elke dag dat de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. Een feit van algemene bekendheid is dat onder meer door personeelstekorten bij verweerder de aanvragen in vreemdelingenzaken meestal niet binnen de wettelijke beslistermijnen kunnen worden afgehandeld. Het is dan ook niet aannemelijk dat van het opleggen van een hogere dwangsom een extra prikkel uitgaat voor verweerder om tot een snellere afhandeling van deze zaak of andere vreemdelingenzaken over te gaan. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn betoog dat een hogere dwangsom moet worden opgelegd.

9. Eiser krijgt een vergoeding voor de proceskosten die hij in zaak NL25.53282 heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op voor het beroep tegen het niet tijdig beslissen, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5, en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift tegen het bestreden besluit, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 1.401,-.

10. Voor een proceskostenvergoeding in zaak NL26.2400 bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep in zaak NL26.2400 niet-ontvankelijk.

- verklaart het beroep in zaak NL25.53282 gegrond;

- vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag van eiser;

- draagt verweerder op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op de asielaanvraag bekend te maken;

- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijnen overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser in zaak NL25.53282 tot een bedrag van € 1.401,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Velzen, rechter, in aanwezigheid van

mr. J. Dommerholt, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Een partij die het niet eens is met de uitspraak op het beroep in zaak NL25.53282, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Een partij die het niet eens is met de uitspraak op het beroep in zaak NL26.2400, kan een verzetschrift indienen bij de rechtbank waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als de indiener van het verzetschrift over het verzet wil worden gehoord, moet hij dat in het verzetschrift laten weten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand