RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.59597
(gemachtigde: mr. A. Jhingoer),
en
Procesverloop
Met het besluit van 11 september 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. Bij uitspraak van 23 september 2026 heeft de rechtbank het beroep van eiser tegen dat besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel beroep ingesteld. Eiser heeft ook verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 12 oktober 2026 gesloten en bepaald dat de zaak niet op zitting wordt behandeld.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. Uit de uitspraak van 23 september 2026 (in de zaak NL26.54041) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek (op 17 september 2026) die aan die uitspraak ten grondslag ligt rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 17 september 2026. De in deze uitspraak te toetsen periode loopt dus van 17 september 2026 tot 12 oktober 2026.
Voortvarend handelen
3. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de overdracht. Eiser zou op 6 oktober 2026 worden overgedragen aan Duitsland. Volgens eiser is het aan verweerder te wijten dat de overdracht niet heeft plaatsgevonden omdat verweerder de telefoon van eiser was kwijtgeraakt. De nieuwe overdracht staat gepland op 13 oktober 2026. Verweerder heeft niet gemotiveerd waarom geen eerdere overdracht kon worden geregeld. Volgens eiser handelt verweerder hierdoor onvoldoende voortvarend.
Deze beroepsgrond slaagt niet. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering uit Nederland. Uit het voortgangsrapport volgt dat de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) de telefoon van eiser bij de geplande overdracht niet kon vinden. Hierdoor is eiser niet overgedragen en heeft verweerder een nieuwe overdracht gepland op 13 oktober 2026. De rechtbank is ambtshalve bekend met het feit dat er enige tijd zit tussen de aankondiging van een landoverdracht en de daadwerkelijke overdracht, omdat de Duitse autoriteiten doorgaans ten minste een week voorafgaande aan de overdracht op de hoogte moeten worden gesteld van de datum en plaats van de overdracht. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend handelt en het voortduren van de maatregel niet onrechtmatig is.
Ambtshalve toetsing
5. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring in de te toetsen periode op enig moment onrechtmatig is geweest. Evenmin is het de rechtbank gebleken dat het familie- of gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzet tegen eisers verwijdering (vgl. het arrest Adrar van het Hof van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647).
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. E.F. Derksen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.