RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser],
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.60630
geboren op [geboortedatum], Algerijnse nationaliteit,
V-nummer: [V-nummer],
eiser,
(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en
(gemachtigde: mr. A. Sloots).
Procesverloop
Verweerder heeft eiser op 9 oktober 2026 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep en wordt tevens aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft partijen op 12 oktober 2026 schriftelijk bericht dat het beroep op 15 oktober 2026 ter zitting zal worden behandeld.
De gemachtigde van eiser heeft de rechtbank op 12 oktober 2026 bericht dat zij van 14 oktober 2026 tot en met 24 oktober 2026 in het buitenland verblijft en dat haar bereikbaarheid gedurende deze periode beperkt is, mede omdat niet zeker is dat zij over een stabiele internetverbinding zal beschikken. Gemachtigde is de voorkeursadvocaat van eiser en de vaste waarnemers van gemachtigde zijn niet in staat om haar waar te nemen tijdens de zitting. Gemachtigde heeft verder vermeld dat de omstandigheid dat tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring van rechtswege beroep is ingesteld en de rechtbank binnen een wettelijk vastgestelde termijn uitspraak dient te doen, in dit geval op gespannen voet staat met het recht van eiser op vrije advocaatkeuze en effectieve rechtsbijstand. Eiser heeft immers uitdrukkelijk voor ondergetekende als zijn gemachtigde gekozen. Het zou onwenselijk zijn indien hij, uitsluitend vanwege de wettelijke termijnen in de bewaringsprocedure, feitelijk wordt gedwongen zich door een andere advocaat te laten bijstaan.
De rechtbank heeft dit bericht opgevat als een verzoek tot aanhouding en heeft in reactie een bericht met de navolgende inhoud in het dossier geplaatst:
(…)
De rechtbank heeft kennisgenomen van uw brief maar deelt mee dat de rechtmatigheid van
de maatregel op 15 oktober 2026 ter zitting zal worden onderzocht. De rechtbank begrijpt
uw verzoek maar kan de behandeling van de zaak niet aanhouden in verband met uw
vakantie gelet op de termijn waarop de rechtbank uitspraak moet doen. Het staat u vrij om
schriftelijk beroepsgronden in te dienen en/of u te laten waarnemen. De rechtbank zal in de
uitspraak ingaan op uw verzoek en de afwijzing daarvan motiveren zodat u deze kwestie,
indien gewenst, in hoger beroep nader kunt laten beoordelen.
(…)
Gemachtigde van eiser heeft op 13 oktober 2026, om 00:50 uur, gronden aan het dossier toegevoegd.
De rechtbank heeft het beroep op 15 oktober 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen en met tussenkomst van een registertolk in persoon gehoord over de vrijheidsontnemende maatregel. De gemachtigde van eiser is niet verschenen en heeft zich niet laten waarnemen. De gemachtigde van verweerder is verschenen.
Overwegingen
1. Eiser is op 9 oktober 2026 aansluitend op een strafrechtelijke heenzending overgenomen en opgehouden door verweerder. In het gehoor waarin verweerder heeft onderzocht of oplegging van een maatregel aan de orde is heeft eiser te kennen gegeven een asielaanvraag te willen indienen. Eiser heeft op 9 oktober 2026 een asielaanvraag ingediend en is na te zijn gehoord in bewaring gesteld op de zogenoemde asielgrond.
2. In de maatregel is vermeld dat de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het vaststellen van de gegevens die ten grondslag liggen aan de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel en die niet zouden kunnen worden verkregen indien eiser niet in vreemdelingenbewaring zou worden gehouden. In de maatregel heeft verweerder om dit te onderbouwen als gronden opgevoerd dat:
a. De vreemdeling is Nederland niet op de voorgeschreven wijze binnengekomen of een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt.
c. De vreemdeling niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit.
f. De vreemdeling heeft in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik gemaakt van valse of vervalste documenten.
p. De vreemdeling zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden.
3. De meest verstrekkende beroepsgrond die eiser heeft aangevoerd ziet op het recht op rechtsbijstand en meer in het bijzonder de vrije advocaatkeuze en het recht op effectieve en kwalitatief goede rechtsbijstand. Gemachtigde heeft in haar bericht van 12 oktober 2026 aangeven dat de piketadvocaat eiser niet wilde bijstaan en dat zij toen door de piketcentrale is benaderd met het verzoek om rechtsbijstand te verlenen en dat op dat moment geen andere advocaat beschikbaar was. Uit de toelichting die de gemachtigde heeft gegeven blijkt dat de gemachtigde op dat moment niet de voorkeursadvocaat van eiser was en dat zij ook niet door de piketcentrale is benaderd op verzoek van eiser. Gemachtigde heeft eiser vervolgens op het politiebureau bezocht en tijdens dat bezoek heeft eiser uitdrukkelijk aangegeven dat hij wenst dat de gemachtigde hem als advocaat bijstaat.
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat de sinds 12 juni 2026 geldende regeling, dat van de maatregel van bewaring door verweerder een kennisgeving wordt verzonden, op gespannen voet staat met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, artikel 5, vierde lid, EVRM, artikel 11, zesde lid, in samenhang met artikel 29, tweede lid, van Richtlijn 2024/1346 en de artikelen 98 en 99 van de Vreemdelingenwet 2000. Sinds de wijziging van artikel 94 van de Vreemdelingenwet 2000 wordt het eerste beroep tegen een maatregel van vreemdelingenbewaring uitsluitend geïnitieerd door een kennisgeving van verweerder aan de rechtbank. Daarmee is eiser de mogelijkheid ontnomen om zelf het moment van het instellen van het eerste beroep te bepalen. Daar komt bij dat de Afdeling in haar uitspraak van 25 augustus 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:4920) heeft geoordeeld dat een dergelijk beroep niet kan worden ingetrokken, waardoor ook de mogelijkheid om dit rechtsmiddel in te trekken en op een voor zijn gemachtigde passend moment opnieuw aan te wenden aan eiser wordt ontnomen. Dit klemt temeer nu de rechtbank de zittingsdatum bepaalt zonder dat noodzakelijkerwijs rekening wordt gehouden met de beschikbaarheid van de gekozen raadsman. Indien deze wegens al bestaande verplichtingen verhinderd is, wordt de vreemdeling feitelijk voor de keuze gesteld om zich door een andere advocaat te laten bijstaan, de procedure schriftelijk te laten behandelen of de zitting zonder zijn gekozen raadsman te laten plaatsvinden. Een dergelijke situatie verdraagt zich niet zonder meer met het recht op een vrije advocaatkeuze. Wanneer een gekozen raadsman tijdig en gemotiveerd zijn verhindering kenbaar maakt, dient de rechtbank concreet te onderzoeken of de behandeling op een andere datum binnen de toepasselijke wettelijke en Unierechtelijke termijnen kan plaatsvinden, dan wel of een andere passende voorziening mogelijk is. Daarbij dient tevens betekenis te worden toegekend aan de uitdrukkelijke wens van de vreemdeling om juist door zijn gekozen raadsman te worden bijgestaan. Indien de rechtbank van oordeel is dat de nationale regeling geen ruimte biedt voor een oplossing die zowel de vereiste spoedige rechterlijke toetsing als daadwerkelijke rechtsbijstand waarborgt, verzoekt eiser de rechtbank prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te overwegen over de verenigbaarheid van die regeling met artikel 47 Handvest en de artikelen 11 en 29 van Richtlijn 2024/1346.
5. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank motiveert dit als volgt.
6. Iedere maatregel van bewaring vormt een ernstige inmenging op het grondrecht op vrijheid dat is verankerd in artikel 6 van het Handvest. De rechtbank verwijst in dit verband naar de arresten van het Hof van 4 september 2025 in de zaak Adrar (C-313/25 PPU, ECLI:EU:C:2025:647, punt 48), van 4 oktober 2024 in de zaak Bouskoura (C-387/24 PPU, ECLI:EU:C:2024:868, punt 41) en van 8 november 2022 in de gevoegde zaken C, B en X, (C-704/20 en C-39/21, ECLI:EU:C:20222:858, punt 72).
7. In artikel 47 van het Handvest is het grondrecht op een doeltreffende voorziening in rechte neergelegd en in het tweede lid is bepaald dat rechtsbijstand wordt verleend aan degenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken, voor zover die bijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen.
8. In het eerder genoemde arrest van 8 november 2022 in de zaak C. B. en X. heeft het Hof verduidelijkt dat, gelet op artikel 6 en artikel 47 van het Handvest, uit het Unierecht de verplichting voor de rechter volgt om zo nodig ambtshalve vast te stellen dat de bewaringsmaatregel niet rechtmatig is. De rechtbank overweegt dat de verplichting voor de rechter om zo nodig ambtshalve de rechtmatigheid van de maatregel te controleren niet betekent dat aan het recht op rechtsbijstand in bewaringszaken geen of minder gewicht toekomt. Het recht op rechtsbijstand strekt ertoe om de verdedigingsrechten te kunnen uitoefenen. De rechter kan een rechtszoekende niet ondersteunen bij het uitoefenen van zijn verdedigingsrechten en heeft dus geen enkele rol bij het voorbereiden van zijn zaak, het bepalen van een proceshouding en het vertegenwoordigen ter zitting. Het ambtshalve beoordelen van alle aspecten die de rechtmatigheid van de bewaring regarderen strekt er weliswaar toe om een onrechtmatige vrijheidsontneming onmiddellijk te kunnen beëindigen, maar kan dus het recht op rechtsbijstand niet vervangen en aan dit recht komt een vergelijkbaar groot gewicht toe als in procedures waarin de rechter niet verplicht is om zo nodig ambtshalve na te gaan of een besluit van een bestuursorgaan rechtmatig is.
9. Uit het Unierecht volgt de verplichting voor het bestuursorgaan en voor de rechter om een onrechtmatige vrijheidsontneming onmiddellijk te beëindigen. Uit het Unierecht volgt ook de verplichting dat een maatregel alleen kan worden opgelegd als ultimum remedium en alleen als op grond van een beoordeling van alle feiten en omstandigheden in een individueel geval kan worden vastgesteld dat de maatregel noodzakelijk, proportioneel en evenredig is. De tenuitvoerlegging van de maatregel dient bovendien, ongeacht de grondslag waarop deze is gestoeld, altijd zo kort mogelijk te duren.
10. Om te waarborgen dat de uit het Unierecht voortvloeiende
voorwaarden voor de rechtmatigheid van de bewaring worden nageleefd, heeft de Uniewetgever voorzien in strikte termijnen voor de rechterlijke controle. In de onderhavige procedure is de grondslag van de maatregel neergelegd in richtlijn 2024/1346.
11. Artikel 11 van richtlijn 2024/1346 draagt als titel “Waarborgen voor verzoekers in bewaring” en bepaalt onder meer het navolgende:
(…)
1.Een verzoeker wordt slechts in bewaring gehouden voor een zo kort mogelijke termijn en slechts zo lang de in artikel 10, lid 4, genoemde redenen van toepassing zijn.
(…)
3.Wanneer de bewaring wordt bevolen door een administratieve instantie, zorgen de lidstaten er ambtshalve of op verzoek van de verzoeker, of beide, voor dat de rechtmatigheid van de bewaring door de rechter met spoed wordt getoetst. Indien de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve wordt getoetst, wordt deze toetsing zo snel mogelijk afgerond, rekening houdend met de omstandigheden van elk geval, en uiterlijk 15 dagen of, in uitzonderlijke omstandigheden, uiterlijk 21 dagen na de aanvang van de bewaring. Indien de verzoeker om toetsing verzoekt, wordt een dergelijke toetsing zo snel mogelijk afgerond, rekening houdend met de omstandigheden van elk geval, en uiterlijk 15 dagen of, in
uitzonderlijke omstandigheden, uiterlijk 21 dagen na de aanvang de betreffende procedures.
Indien de in de eerste alinea bedoelde rechterlijke toetsing ambtshalve wordt uitgevoerd en niet binnen 21 dagen na de aanvang van de bewaring is afgerond, dan wel op verzoek van de verzoeker wordt uitgevoerd en niet binnen 21 dagen na de aanvang van de betreffende procedures is afgerond, wordt de betrokken verzoeker onmiddellijk vrijgelaten.
(…)
5. Op verzoek van de verzoeker of ambtshalve wordt de bewaring met redelijke tussenpozen door een rechterlijke instantie opnieuw bezien, in het bijzonder wanneer het gaat om een bewaring van langere duur of wanneer zich nieuwe omstandigheden voordoen of nieuwe informatie beschikbaar komt die van invloed kunnen zijn op de rechtmatigheid van de bewaring.
Onverminderd de eerste alinea wordt de bewaring van niet-begeleide minderjarigen ambtshalve en met regelmatige tussenpozen getoetst.
Indien de toetsing ertoe leidt dat de bewaring als onrechtmatig wordt beoordeeld, wordt de betrokken verzoeker onmiddellijk vrijgelaten.
6. Bij de in de leden 3 en 5 van dit artikel bedoelde rechterlijke toetsing van het bewaringsbevel zorgen de lidstaten ervoor dat verzoekers toegang hebben tot gratis rechtsbijstand en vertegenwoordiging onder de in artikel 29 uiteengezette voorwaarden.
12. Artikel 29 van richtlijn 2024/1346 draagt als titel “beroep” en bepaalt in het tweede lid onder meer het navolgende:
2. De lidstaten zorgen ervoor dat in de in lid 1 van dit artikel bedoelde gevallen van beroep of toetsing voor een rechterlijke instantie en in geval van rechterlijke toetsing als bedoeld in artikel 11, leden 3 en 5, gratis rechtsbijstand en vertegenwoordiging beschikbaar is als dat nodig is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen. Dergelijke rechtsbijstand en vertegenwoordiging bestaan erin dat het beroep of het verzoek om toetsing wordt voorbereid, wat ten minste de voorbereiding van de vereiste processtukken en het verschijnen voor de rechterlijke instantie namens de verzoeker omvat.
(…)
13. Artikel 94 van de Vreemdelingenwet 2000 bepaalt onder meer het navolgende:
1. Onverwijld na de bekendmaking van een besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in de artikelen 6, 6a, 58, 59, 59a en 59b, stelt Onze Minister de rechtbank hiervan in kennis. Zodra de rechtbank de kennisgeving heeft ontvangen wordt de vreemdeling geacht beroep te hebben ingesteld tegen het besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel. Het beroep strekt tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
(…)
4. De rechtbank bepaalt onmiddellijk het tijdstip van het onderzoek ter zitting. De rechtbank roept de vreemdeling op om in persoon dan wel in persoon of bij raadsman en Onze Minister om bij gemachtigde te verschijnen teneinde te worden gehoord. In afwijking van artikel 8:42, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de in dat artikel bedoelde termijn niet worden verlengd.
5. De rechtbank doet mondeling of schriftelijk uitspraak. De termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak doet bedraagt ten hoogste vijftien dagen, dan wel ten hoogste eenentwintig dagen in uitzonderlijke omstandigheden en vangt aan op de dag van de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel, bedoeld in het eerste lid. In afwijking van artikel 8:66, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de in dat artikel bedoelde termijn niet worden verlengd. Indien de rechtbank op het beroep tegen een besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in de artikelen 6, derde lid, 6a, 59a of 59b geen uitspraak heeft gedaan binnen eenentwintig dagen na de dag van de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel wordt de maatregel onmiddellijk opgeheven.
(…)
14. De rechtbank stelt vast dat artikel 94 van de Vreemdelingenwet niet onverenigbaar is met artikel 11 van richtlijn 2024/1346. In beide bepalingen komt tot uitdrukking dat artikel 6 van het Handvest vereist dat de maatregel zo kort mogelijk duurt en in beide bepalingen zijn strikte termijnen opgenomen voor de rechterlijke controle van de maatregel. De rechtbank overweegt dat deze regeling niet anders kan worden opgevat dan dat dit voortkomt uit het belang van derdelanders aan wie een vrijheidsontnemende bewaringsmaatregel is opgelegd.
15. De rechtbank merkt hierbij op dat de Uniewetgever bij het bepalen van de termijn voor de rechterlijke controle onderscheid maakt tussen het ambtshalve of op verzoek controleren van de maatregel. Indien een lidstaat, zoals Nederland heeft gedaan, bij de implementatie van richtlijn 2024/1346 kiest voor een procedure waarin de oplegging van de maatregel ambtshalve wordt getoetst, wordt deze toetsing zo snel mogelijk afgerond en uiterlijk 15 dagen of, in uitzonderlijke omstandigheden, uiterlijk 21 dagen na de aanvang van de bewaring. Indien een lidstaat bij de implementatie van richtlijn 2024/1346 kiest voor een procedure waarin de oplegging van de maatregel op verzoek wordt getoetst, geldt dezelfde termijn voor de rechterlijke controle, maar vangt deze termijn aan na de aanvang de betreffende procedures. De rechtbank leidt hieruit af dat in dat geval, zoals gemachtigde van eiser kennelijk wenst, de termijn voor de rechterlijke toetsing pas aanvangt nadat beroep is ingesteld tegen de oplegging van de maatregel.
16. De rechtbank overweegt dat de keuze die de Nederlandse wetgever heeft gemaakt uitdrukkelijk door de Uniewetgever is toegestaan. De rechtbank overweegt voorts dat deze keuze het beste tot uitdrukking brengt dat een vrijheidsontnemende maatregel zo kort mogelijk duurt en de grootste garantie meebrengt dat een onrechtmatige maatregel onmiddellijk wordt beëindigd. Indien een maatregel is opgelegd en verweerder de maatregel vervolgens niet uit eigen beweging opheft, zal de maatregel alleen worden opgeheven op grond van een rechterlijke controle. Eiser heeft belang bij een zo spoedig mogelijke rechterlijke controle van de bewaringsmaatregel. Weliswaar heeft eiser ook belang bij het kunnen effectueren van zijn recht op rechtsbijstand en bij het gedegen kunnen uitoefenen van zijn verdedigingsrechten. Het komt de rechtbank echter voor dat de beschikbaarheid van een gemachtigde niet doorslaggevend kan zijn bij het moment waarop de rechterlijke controle plaatsvindt. De rechtbank merkt de verhindering van een gemachtigde ook niet aan als ‘uitzonderlijke omstandigheid’ om uitspraak te kunnen doen binnen 21 dagen na oplegging van de maatregel. De rechtbank voorziet namelijk dat dit er toe zou leiden dat in nagenoeg elke bewaringsprocedure de uitspraak niet op de 15e dag zal (kunnen) worden gedaan.
17. Artikel 47 van het Handvest garandeert een doeltreffende voorziening in rechte. Dit betekent onder meer, zoals hiervoor overwogen, dat de rechter verplicht is om zo nodig ambtshalve vast te stellen dat de maatregel onrechtmatig is en deze maatregel dan ook onmiddellijk op het heffen en tot de onmiddellijke invrijheidstelling over te gaan. Het grondrecht op een doeltreffende voorziening omvat ook het recht op rechtsbijstand en de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen.
18. Eiser stelt zich in wezen op het standpunt dat de wettelijke regeling van het beroep bij de rechtbank en de handelwijze van de rechtbank in zijn procedure in strijd is met zijn recht op rechtsbijstand. De rechtbank is het niet eens met eiser. Op grond van het Unierecht heeft eiser recht op rechtsbijstand. Om dit recht te kunnen effectueren is voorzien een piketregeling waardoor gewaarborgd is dat eiser zich ook in een bewaringsprocedure kan laten bijstaan door een advocaat. In de onderhavige procedure heeft de piketadvocaat aanvankelijk de piketmelding geaccepteerd en vervolgens aangegeven eiser niet te zullen bijstaan. De gemachtigde van eiser is vervolgens benaderd door de piketcentrale hoewel zij geen piketdienst had en heeft vervolgens alsnog een piketmelding geaccepteerd. Hoewel de rechtbank waardeert dat de gemachtigde eiser vervolgens bezoekt in het politiebureau, betekent dit niet dat vervolgens afgezien moet worden van de wettelijke procedure en het bepalen van de termijnen die de wetgever stelt en de handelwijze van deze rechtbank en zittingsplaats om te kunnen voldoen aan haar Unierechtelijke en wettelijke verplichting om zo snel mogelijk, rekening houdend met de omstandigheden van elk geval, en uiterlijk 15 dagen of, in uitzonderlijke omstandigheden, uiterlijk 21 dagen na de aanvang van de bewaring uitspraak te doen.
19. De gemachtigde van eiser is op 9 oktober 2026 onverplicht, want buiten de piketregeling om, in contact getreden met eiser, die pas daarna te kennen heeft gegeven door haar te willen worden bijgestaan in deze bewaringsprocedure. De gemachtigde wist dat eiser op 9 oktober 2026 zou worden gehoord over een mogelijk op te leggen maatregel en de gemachtigde wist dat elke zittingsplaats van deze rechtbank verplicht is om uiterlijk 15 dagen na aanvang en dus op 23 oktober 2026, uitspraak te doen over de rechtmatigheid van de maatregel. Indien de gemachtigde van eiser op 9 oktober 2026 met eiser overeenkomt dat zij hem zal bijstaan in de bewaringsprocedure, betekent dat dus dat de gemachtigde tussen 9 oktober 2026 en 23 oktober 2026 in dit verband werkzaamheden zal moeten verrichten om eiser bij te staan en eiser in staat te stellen om zijn recht op rechtsbijstand uit te kunnen oefenen.
20. De rechtbank is het eens met de gemachtigde dat een schriftelijke behandeling een advocaat niet dezelfde mogelijkheden biedt om ter zitting te reageren op verweerder, nadere vragen te stellen, onjuistheden recht te zetten. Deze rechtbank en zittingsplaats hoort in bewaringszaken de vreemdeling dan ook in persoon, ook omdat een ambtshalve rechtmatigheidsonderzoek niet goed schriftelijk kan plaatsvinden. De gemachtigde van eiser stelt zich ook op het standpunt dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat een waarnemend advocaat, die niet eerder bij de zaak betrokken is geweest en zich onder aanzienlijke tijdsdruk moet inwerken, dezelfde kwaliteit en continuïteit van rechtsbijstand kan waarborgen. De rechtbank kan ook dit argument tot op zekere hoogte volgen, maar wel met de nuancering dat de rechtsbijstand aan eiser door gemachtigde op 9 oktober 2026 pas is aangevangen.
21. De gemachtigde van eiser heeft aangegeven dat de piketcentrale heeft medegedeeld dat op het moment dat zij werd benaderd geen andere advocaat beschikbaar was. De gemachtigde van eiser was op dat moment dus niet benaderd omdat zij door eiser was aangemerkt als voorkeursadvocaat. Uit het dossier lijkt namelijk te volgen dat de gemachtigde en eiser elkaar op dat moment niet kenden en eiser pas in het eerste gesprek heeft aangegeven door deze gemachtigde te willen worden bijgestaan.
22. Uit het dossier blijkt dat de piketadvocaat de piketmelding op vrijdag 9 oktober 2026 om 11:53 uur heeft geaccepteerd. In de M110 is vermeld dat het bewaringsgehoor is aangevangen op 9 oktober 2026 om 13:30 uur, dat eiser heeft verklaard dat hij geen advocaat bij het gehoor wilde, dat een aanvang is gemaakt met het gehoor maar de piketdienst alsnog is ingeschakeld. In de M110 is voorts het navolgende vermeld:
(…)
Ik moet daarom beoordelen of ik u in vreemdelingenbewaring zal stellen. Dat houdt in dat u van uw vrijheid ontnomen blijft tot het moment dat u wordt uitgezet. Wij gaan hier zo over praten zodat u de kans krijgt om uw zienswijze te geven. Eerst wil ik u wijzen op een aantal rechten. Zo heeft u het recht op bijstand van een advocaat bij dit gehoor. Wij hebben voor u een piketadvocaat geregeld. Dit betreft mr. Mevrouw [XXX]. Ik heb haar voor dit gesprek met jou gespreken. Zij heeft aangegeven dat u geen bijstand wilt van haar en zij u niet bij wilt staan.
V: Klopt dit?
A: Ja, zij was te serieus.
O: U heeft verder aangegeven mevrouw [XXX] uit [XXX] als raadsvrouw te willen. Wij hebben dit nagevraagd, maar mevrouw [XXX] is niet opgenomen op de lijst voor rechtsbijstand bij ophouding in de vreemdelingenwet. Zij verleent wel bijstand in de asielprocedure, maar niet bij een vreemdelingrechtelijke staandehouding.
V: Begrijpt u dit?
V: Maar wilt u nu wel bijstand van een advocaat?
A: Als ik moet blijven wel.
O: Prima.
V: Wilt u wel dit gehoor doen, zonder een raadsman?
A: Ja, als ik maar later in het proces wel een advocaat krijg.
O: Ja, is goed. Wij hebben de piketcentrale verzocht een andere piketadvocaat aan u toe te wijzen.
V: Heeft u dit begrepen?
A: Ja.
V. Bent u bereid om mijn vragen te beantwoorden?
A: Ja.
(…)
O: Ik laat het voor nu zoals wij besproken hebben. U heeft getekend voor uw asielaanvraag. U kunt later aangeven of u uw aanvraag alsnog in wilt trekken of niet. U heeft ook verklaard over uw vader en zijn verleden. Deze motieven kunnen wat mij betreft het beste beoordeeld worden tijdens een asielprocedure. Uiteraard is en blijft het wel uw beslissing. U kunt dus uw asielaanvraag wel intrekken. U moet het dan wel duidelijk aangeven.
V: Begrijpt u dit?
A: Ja.
O: U heeft recht op kosteloze bijstand door een advocaat, daarvoor is aan u een piketraadsvrouw toegewezen.
Dat is mevrouw [gemachtigde van eiser] geworden, omdat u de eerste raadsvrouw heeft geweigerd. Ik heb u uitgelegd, waarom ik van mening ben dat u zich aan het toezicht onttrekt en waarom ik u in vreemdelingenbewaring stel. Ik zal u en uw raadsvrouw een kopie van de maatregel van bewaring verstrekken. Uw raadsvrouw is nu mevrouw [gemachtigde van eiser] geworden. Ik zal u ook de informatiefolder "inbewaringstelling" in de Arabische taal uitreiken. Uw bewaring is op dit moment een asielbewaring.
(…)
23. Uit het dossier blijkt ook dat gemachtigde van eiser een piketmelding op vrijdag 9 oktober 2026 om 13:44 uur heeft geaccepteerd. De maatregel is op 9 oktober 2026 om 15:00 uur opgelegd. De rechtbank heeft geen enkele reden om te twijfelen aan de toelichting van de gemachtigde dat zij te horen heeft gekregen dat er geen andere advocaat beschikbaar was en zij daarom de piketmelding heeft geaccepteerd terwijl ze geen dienst had.
24. Het bovenstaande betekent echter ook dat de gemachtigde op 9 oktober 2026, terwijl zij geen piketdienst heeft en weet dat zij van 14 oktober 2026 tot en met 24 oktober 2026 in het buitenland verblijft in verband met ‘vakantie/cursus’, eiser bezoekt en overeenkomt om hem bij te staan in de onderhavige procedure waarin de rechtbank uiterlijk op 23 oktober 2026 uitspraak moet doen. Uit de M110 blijkt ook dat eiser voorafgaande aan het bewaringsgehoor met de advocaat heeft gesproken die de eerste piketmelding heeft geaccepteerd en dat eiser vervolgens heeft aangegeven een andere advocaat te willen, namelijk de advocaat die hem in een eerdere strafzaak heeft bijgestaan.
25. De rechtbank heeft zich rekenschap gegeven van de noodkreet van de gemachtigde van eiser en de toelichting over de lange werkdagen die advocaten nu, nog meer dan voorheen, maken en zeker om derdelanders in bewaringsprocedures bijstaan. De rechtbank heeft ook gezien dat de beroepsgronden op 13 oktober 2026 om 00:50 uur aan het dossier zijn toegevoegd. De rechtbank krijgt al weken meerdere signalen dat hetgeen gemachtigde van eiser naar voren brengt niet op zichzelf staat en in wezen door de hele beroepsgroep die werkzaam is in de vreemdelingenadvocatuur zo wordt ervaren. Deze rechtbank probeert, net als andere zittingsplaatsen, zoveel mogelijk maatwerk te leveren en waar ruimte wordt gevraagd en die ook is om zaken op andere tijdstippen of andere dagen te agenderen of online deelname aan de zitting toe te staan, dit zoveel mogelijk te doen. De mogelijkheden hiertoe zijn echter zeer beperkt. Het is dus niet zo dat de rechtbank niet welwillend elk verzoek zal beoordelen en standaardmatig alle verzoeken afwijst. De rechtbank kampt echter deels met hetzelfde te probleem dat zich simpel laat samenvatten met te veel werk voor te weinig mensen wat onder meer resulteert in lange werkdagen en werkweken. In bewaringsprocedures heeft in aanvulling te gelden dat de rechtbank afhankelijk is van de beschikbaarheid van tolken, van zittingszalen met cel-opgang en van de DV&O.
26. Voor zover mogelijk zal de rechtbank elk verzoek dus welwillend beoordelen. In de onderhavige zaak, waarin de rechtbank uiterlijk op 23 oktober 2026 uitspraak moet doen, heeft de gemachtigde nadat de rechtbank had medegedeeld dat het beroep op 15 oktober 2026 was geagendeerd, op 12 oktober 2026 aangegeven dat zij van 14 oktober 2026 tot en met 24 oktober 2026 in het buitenland zal verblijven en haar bereikbaarheid beperkt is. Het is evident dat de rechtbank het beroep niet op 13 oktober 2026 zou kunnen behandelen, reeds omdat de rechtbank meer dan één dag nodig heeft om de praktische voorbereiding voor een zitting uit te voeren. Het is echter ook evident dat de rechtbank het beroep niet pas kan behandelen als de gemachtigde is teruggekeerd uit het buitenland. Dat zou immers betekenen dat de rechtbank niet zo spoedig mogelijk en uiterlijk op 23 oktober 2026 uitspraak zou kunnen doen. De rechtbank acht het niet aanvaardbaar dat de maatregel zou moeten worden opgeheven uitsluitend omdat de gemachtigde van 14 oktober 2026 tot en met 24 oktober 2026 in het buitenland verblijft en desalniettemin op 9 oktober 2026 een piketmelding accepteert in een bewaringsprocedure. De rechtbank merkt hierbij op dat zowel in artikel 11, lid 3, van richtlijn 2024/1346, als in artikel 94, lid 5, van de Vreemdelingenwet 2000 de mogelijkheid bieden om op uiterlijk de 21e dag van de bewaring uitspraak te doen. Hiervoor is echter vereist dat sprake is van ‘uitzonderlijke omstandigheden’. De rechtbank overweegt dat een gepland verblijf van een gemachtigde in het buitenland om cursus te volgen niet kan worden aangemerkt als dergelijke uitzonderlijke omstandigheden.
27. De rechtbank merkt in aanvulling op het bovenstaande op dat ‘het aanbod van bewaringszaken’ dat de rechtbank krijgt per week en per zitting aanzienlijk verschilt en dat het zittingsrooster voor de rechtbank geruime tijd voordat kennisgevingen van bewaringsmaatregelen worden ontvangen gereed is. Een extra zitting plannen of zaken op de laatste dag voor het verstrijken van de uitspraaktermijn plannen is niet goed mogelijk, mede omdat op het moment dat moet worden beslist op een verzoek om aanhouding niet valt te overzien hoeveel zaken door de rechtbank moeten worden behandeld. Het is evident dat deze situatie en het kunnen inwilligen van een verzoek om aanhouding voor ‘de kleinere rechtbanken’ aanzienlijk complexer is dan voor ‘de grotere rechtbanken’. Jaren geleden is namelijk door de gerechtsbesturen landelijk afgesproken dat iedere zittingsplaats evenveel asielzaken en bewaringszaken moet behandelen en gerechtsbesturen zijn -kennelijk- niet bereid om deze afspraak te heroverwegen, ook niet nu duidelijk is dat het beoordelen van de rechtmatigheid van een bewaringsmaatregel geen kwestie is van “kruisjes zetten” bij een aanname dat “het bestuursorgaan wel gelijk zal hebben”.
28. De rechtbank is het tot slot niet eens met de gemachtigde dat het recht op rechtsbijstand is geschonden omdat eiser zich niet heeft kunnen laten bijstaan door zijn voorkeursadvocaat. In artikel 99, lid 1, van de Vreemdelingenwet 2000 is bepaald dat de vreemdeling steeds bevoegd is een of meer raadslieden te kiezen. Dit betekent echter niet dat eiser een absoluut recht heeft om te worden bijgestaan door zijn voorkeursadvocaat.
29. Het Unierecht geeft geen recht op een vrije keuze van een of meer raadslieden maar garandeert wel het recht op rechtsbijstand. Eiser heeft verklaard bij het bewaringsgehoor geen bijstand van zijn gemachtigde nodig te achten. In de M110 is vermeld dat het gehoor is onderbroken en dat de gemachtigde van eiser heeft aangeven eiser te kunnen bijstaan en over ongeveer 1 uur naar het politiebureau te komen. De gemachtigde heeft de gronden aan het dossier toegevoegd maar is verhinderd om de behandeling van het beroep in persoon bij te wonen op 15 oktober 2026 en op elke andere mogelijke dag voordat de uitspraaktermijn van de rechtbank verstrijkt. De rechtbank heeft geen verzoek ontvangen van de gemachtigde om de zitting online of telefonisch bij te wonen en overweegt dat het in eerste instantie aan de gemachtigde is om initiatief te nemen voor een alternatieve wijze om de zitting bij te wonen. Het is niet aan de rechtbank om voor gemachtigde te bedenken op welke wijze zij eiser kan bijstaan. De rechtbank heeft gewezen op de mogelijkheid om schriftelijk gronden toe te voegen aan het dossier en/of om zich te laten waarnemen. De rechtbank heeft hierbij uitdrukkelijk te kennen gegeven dat de rechtmatigheid van de maatregel op 15 oktober 2026 ter zitting zal worden onderzocht. Het is dus duidelijk geweest dat geen schriftelijk behandeling van het beroep plaatsvindt en dat gemachtigde niet na het onderzoek ter zitting en na haar verblijf in het buitenland in de gelegenheid wordt gesteld om nadere gronden aan het dossier toe te voegen of om te reageren op hetgeen ter zitting is besproken. Door het onderzoek ter zitting plaats te laten vinden wordt genoegzaam voldaan aan het recht op hoor en wederhoor. Gemachtigde heeft er voor gekozen om zich niet te laten waarnemen waardoor eiser zonder gemachtigde ter zitting is verschenen en in persoon door de rechtbank is gehoord. De rechtbank begrijpt deze keuze niet, maar deze keuze komt wel voor rekening van eiser. Indien sprake is van een langlopende procedure, een omvangrijk dossier of een cliënt die meer dan gemiddeld kwetsbaar is, begrijpt de rechtbank zonder meer dat waarneming niet wenselijk is. Dat alles is echter niet aan de orde. Uit het dossier lijkt te volgen dat de gemachtigde en eiser elkaar op 9 oktober 2026 voor het eerst hebben gesproken en dat een andere advocaat die geen bewaringszaken doet de voorkeursadvocaat is. Het dossier bestaat uit 40 processtukken die zeer beperkt zijn in omvang en eiser heeft verklaard gezond te zijn en overigens blijkt in het geheel niet van een bijzondere kwetsbaarheid met dien verstande dat eiser “ADHD heeft”. Het dossier is dus een zeer goed te overzien dossier dat alleen standaardstukken bevat die in elke bewaringsprocedure deel uit maken van het dossier. De inhoud van deze procedure is ook niet als complex aan te merken. De rechtbank vermag dan ook niet in te zien waarom de gemachtigde op 9 oktober 2026 de piketmelding onverplicht heeft geaccepteerd, wetende dat zij van 14 tot en met 24 oktober 2026 eiser niet zou kunnen bijstaan en vervolgens de keuze maakt om zich niet te laten waarnemen. De gemachtigde heeft weliswaar aangegeven dat haar vaste waarnemers niet in staat waren om eiser tijdens de geagendeerde zitting bij te staan. Ter toelichting wijst de rechtbank er echter op dat het geregeld voor komt dat een gemachtigde na ontvangst van de uitnodiging voor de zitting de griffie belt om te vernemen welke gemachtigde die zitting ‘voor of na’ zijn zaak zal verschijnen en zich vervolgens ter zitting laat waarnemen door een van die gemachtigden. Dat het laten waarnemen in de onderhavige procedure afbreuk zou doen aan het recht op kwalitatief goede en effectieve rechtsbijstand volgt de rechtbank niet.
30. De rechtbank stelt vast dat het recht op rechtsbijstand van eiser in deze procedure niet is geschonden. Het recht om bijgestaan te worden door een voorkeursadvocaat is geen absoluut recht. Eiser heeft voorafgaand aan het bewaringsgehoor met een advocaat gesproken, heeft na het bewaringsgehoor met gemachtigde gesproken en gemachtigde heeft, weliswaar om 00:50 uur, beroepsgronden aan het dossier toegevoegd. Gemachtigde heeft de keuze gemaakt om zich niet te laten waarnemen tijdens het onderzoek ter zitting terwijl niet is gebleken hiertoe inspanningen zijn verricht en dat dit onmogelijk is gebleken.
31. De regeling voor het beroep tegen de vrijheidsontneming zoals die thans is neergelegd in artikel 94 van de Vreemdelingenwet 2000 is verenigbaar met artikel 11 van richtlijn 2024/1346, gelezen in samenhang met artikel 6 en artikel 47 van het Handvest en waarborgt dat de rechterlijke controle en een uitspraak over de rechtmatigheid van de vrijheidsontnemende maatregel zo spoedig mogelijk geschieden. Dat door ‘de verplichte ambtshalve rechterlijke toetsing het recht op effectieve rechtsbijstand en vrije advocaatkeuze wordt geschonden’ volgt de rechtbank dus niet, waarbij de rechtbank er van uit gaat dat zal zijn bedoeld dat de rechtmatigheid van de maatregel wordt gecontroleerd zonder dat daarvoor een rechtsmiddel moet worden aangewend.
32. De rechtbank wijst het verzoek om een prejudiciële vraag aan het Hof te stellen af omdat de praktische problemen die gemachtigde, net als vele andere gemachtigden, ervaart bij de wijze waarop de bewaringsprocedures thans verlopen en met name het niet zelf kunnen instellen van een rechtsmiddel en daardoor regie kunnen uitoefenen over wanneer welke werkzaamheden moeten worden verricht, niet tot een andere juridische uitlegging van het Unierecht leidt. Dat de wijze waarop de bewaringszaken thans worden behandeld een verdere beperking van de professionele autonomie van de advocaat inhoudt omdat de ‘de advocaat het rechtsmiddel niet langer in overleg met zijn cliënt kan aanwenden op een moment waarop hij daadwerkelijk in staat is de belangen van die cliënt naar behoren te behartigen’ moge zo zijn, maar betekent niet dat eiser zijn recht op rechtsbijstand niet heeft kunnen uitoefenen. Eiser heeft ook een beroep gedaan op artikel 5, lid 4, van het EVRM. Hierin is bepaald dat eenieder, wie door arrestatie of detentie zijn vrijheid is ontnomen, het recht heeft voorziening te vragen bij het gerecht opdat deze spoedig beslist over de rechtmatigheid van zijn detentie en zijn invrijheidstelling beveelt, indien de detentie onrechtmatig is. De rechtbank overweegt dat de huidige bewaringsregeling niet in strijd is met artikel 5, lid 4, van het EVRM, maar nu juist waarborgt hetgeen deze bepaling beoogt te beschermen, te weten een spoedige rechterlijke controle en de onmiddellijke invrijheidstelling indien de vrijheidsontneming onrechtmatig is. Dat de Verdragsstaten het recht garanderen om een spoedige rechterlijke controle te vragen, betekent niet dat een van rechtswege – en nog spoedigere rechterlijke controle – daarmee in strijd is. Artikel 5, lid 4, van het EVRM is een recht dat toekomt aan eiser. De praktische problemen die de gemachtigde ervaart vanwege de huidige regeling, maakt dit recht niet illusoir omdat eiser zijn recht op rechtsbijstand daadwerkelijk heeft kunnen uitoefenen. Zoals hiervoor overwogen, heeft eiser zijn recht op rechtsbijstand naar behoren kunnen uitoefenen zodat het beroep op artikel 29, lid 2, van richtlijn 2024/1346 niet tot een andere beoordeling van de beroepsgrond leidt. De rechtbank beslist dus dat het recht op rechtsbijstand niet is geschonden.
33. De rechtbank concludeert dat de beroepsgrond waarin de gemachtigde, in wezen, aanvoert dat de wettelijke beroepsregeling in bewaringsprocedures afbreuk doet aan het recht op rechtsbijstand en de vrije advocaatkeuze niet slaagt. De rechtbank overweegt verder dat de andere beroepsgronden ook niet slagen. De rechtbank motiveert dit als volgt.
34. Eiser stelt zich op het standpunt dat er vraagtekens moeten worden geplaatst bij de rechtmatigheid van de aan zijn vreemdelingenbewaring voorafgaande identiteitscontrole en strafrechtelijke aanhouding. Uit het proces-verbaal van bevindingen volgt namelijk dat eiser zich als bijrijder bevond in het voertuig dat werd stilgehouden, waarna aan eiser werd gevraagd om zijn identiteitsbewijs te tonen. Een dergelijke vordering kan plaatsvinden op grond van artikel 8 Politiewet 2012, maar uitsluitend voor zover dit redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitvoering van de politietaak. Uit het proces-verbaal blijkt niet welke concrete feiten of omstandigheden een identiteitscontrole van eiser noodzakelijk maakten. Daar komt bij dat eiser zijn rijbewijs daadwerkelijk heeft overhandigd. De enkele omstandigheid dat zijn persoonsgegevens niet konden worden teruggevonden in de geraadpleegde systemen rechtvaardigt niet zonder meer de conclusie dat hij een valse identiteit heeft opgegeven. Desondanks werd eiser reeds om 20.18 uur aangehouden wegens het opgeven van een valse identiteit. In de M105-A is vermeld dat eiser is overgenomen uit het strafrecht en is heengezonden met een dagvaarding. Inmiddels is echter gebleken dat er een sepotbeslissing wegens gewijzigde omstandigheden heeft plaatsgevonden. Eiser verzoekt de rechtbank daarom te onderzoeken of de strafrechtelijke bevoegdheden in dit geval daadwerkelijk voor strafrechtelijke doeleinden zijn aangewend, dan wel of feitelijk sprake was van een vreemdelingenrechtelijke controle waarvoor op grond van artikel 50 Vw een redelijk vermoeden van illegaal verblijf vereist was.
34. Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit het dossier volgt dat eiser strafrechtelijk is aangehouden, is voorgeleid en in verzekering is gesteld. Hieruit blijkt genoegzaam dat geen sprake is geweest van een verkapte vreemdelingrechtelijk aanhouding. Uit het proces-verbaal van inverzekeringstelling blijkt dat eiser tijdens het verhoor (telefonisch) is bijgestaan door zijn advocaat. Eventuele onrechtmatigheden tijdens de identiteitscontrole of vragen over de sepotbeslissing horen thuis in het strafrechttraject en eiser is met behulp van zijn strafrechtadvocaat ook in de gelegenheid om deze gestelde onrechtmatigheden in dat traject aan de orde te stellen. De rechtbank volgt de Afdeling niet voor zover uit de Afdelingsjurisprudentie volgt dat de bewaringsrechter het strafrechtelijk voortraject niet mag beoordelen maar ziet gelet op het vorenstaande in deze procedure geen aanleiding om het strafrechtelijk voortraject nader te onderzoeken en te betrekken bij het beoordelen van de rechtmatigheid van de maatregel.
36. Eiser heeft voorts de grond a betwist en stelt zich daarbij op het standpunt dat verweerder zich niet kan beroepen op het ontbreken van een EES-registratie. Het EES is namelijk pas op 12 oktober 2025 operationeel geworden, terwijl eiser reeds in 2018 Europa is binnengekomen. Het ontbreken van een registratie in het EES-systeem zegt derhalve niets over de wijze waarop eiser in 2018 Nederland is binnengekomen. Verder stelt eiser zich op het standpunt dat de conclusie dat eiser gedurende zeven jaar onafgebroken illegaal in Nederland heeft verbleven berust op een onvoldoende onderbouwde aanname. Verweerder stelt immers zelf dat eiser op 21 januari 2019 met onbekende bestemming uit de opvang is vertrokken en dat sindsdien onbekend was waar hij verbleef. Als gedurende die periode onbekend was waar eiser zich bevond, kan niet zonder nadere onderbouwing worden vastgesteld dat hij de gehele periode daadwerkelijk op Nederlands grondgebied heeft verbleven. Dit is eveneens van belang voor de tegengeworpen schending van de meldplicht als bedoeld in artikel 4.39 Vb 2000, waardoor eiser ook de grond p betwist.
37. De rechtbank stelt vast dat alle gronden terecht zijn opgevoerd. Grond a is ook als volgt gemotiveerd:
(…)
Betrokkene heeft op 15 oktober 2018 asiel aangevraagd in Nederland. Betrokkene heeft bij zijn asielaanvraag in Nederland geen geldig grensoverschrijdend document overgelegd. Betrokkene heeft bij zijn gehoren bij de IND verklaard dat hij nooit een paspoort aan heeft gevraagd en geen paspoort heeft. Betrokkene is dus zonder geldig reisdocument naar Nederland gekomen en is Nederland dus niet op de voorgeschreven wijze binnengekomen.
(…)
Eiser heeft deze informatie niet betwist en dit volstaat om grond a te onderbouwen. Grond c is niet betwist en is feitelijk juist. Eiser heeft uitdrukkelijk bevestigd dat hij nooit een paspoort heeft aangevraagd. Hierdoor is het niet mogelijk om zijn identiteit vast te stellen. Eiser heeft voorts bevestigd dat hij, zoals is vermeld in de maatregel, een vals Duits rijbewijs heeft getoond toen hij op 7 oktober 2026 door de politie is aangehouden, zodat grond f ook als onderbouwing van het onttrekkingsrisico kan dienen. Eiser heeft ook verklaard dat hij ‘dit pasje’ al twee jaar gebruikt om wiet te kopen. De stelling dat verweerder alleen een aanname doet dat van illegaal verblijf slaagt niet. Eiser is uit de opvang vertrokken zonder mededeling te doen van zijn verblijfsplaats en is in Nederland aangetroffen terwijl hij niet over een verblijfsvergunning of andere toestemming voor verblijf beschikte. Daargelaten dat grond p uitgebreider is gemotiveerd, volstaat deze omstandigheid reeds om grond p op te voeren. Verweerder heeft dus terecht vastgesteld dat sprake is van een onttrekkingsrisico en verweerder heeft dit in de maatregel deugdelijk gemotiveerd.
38. Eiser stelt zich op het standpunt dat onvoldoende is gemotiveerd waarom zijn bewaring noodzakelijk is op grond van artikel 59b, eerste lid, onder a en b, van de Vw. Ten aanzien van de a-grond wijst eiser erop dat hij reeds sinds zijn asielaanvraag van 15 oktober 2018 bij de Nederlandse autoriteiten bekend is. Zijn persoonsgegevens en vingerafdrukken zijn in verschillende systemen geregistreerd. Ook beschikte verweerder over de gegevens uit de eerdere asielprocedure. Dit betekent niet dat zijn identiteit en nationaliteit met voldoende zekerheid vaststaan, maar vergt wel een concrete beoordeling welke onzekerheden nog bestaan en waarom juist vrijheidsontneming noodzakelijk is om deze weg te nemen. Ten aanzien van de B-grond wijst eiser erop dat verweerder voornamelijk verwijst naar eisers eerdere vertrek uit de opvang en de veronderstelling dat hij zich opnieuw aan het toezicht zal onttrekken. Eiser betwist dat voldoende is gemotiveerd waarom de thans aangeboden alternatieven onvoldoende waarborgen bieden om hem beschikbaar te houden voor het onderzoek naar zijn asielaanvraag.
39. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Doordat eiser geen identiteitsdocument bezit een nimmer een poging heeft gedaan om een paspoort te verkrijgen, kan ten tijde van het bewaringsgehoor de identiteit en nationaliteit van eiser niet worden vastgesteld. De rechtbank overweegt dat deze vaststelling noodzakelijk is omdat verweerder anders de asielaanvraag van eiser niet deugdelijk kan beoordelen. Dit hoeft bij de oplegging van de maatregel niet nader te worden gemotiveerd Artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingewet 2000 kan dus dienen als grondslag voor de thans te toetsen maatregel. Artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingewet 2000 kan ook dienen als grondslag voor de thans te toetsen maatregel. Het onttrekkingsrisico is deugdelijk gemotiveerd en houdt voldoende verband met de noodzaak om eiser in bewaring te houden gedurende het onderzoeken van de asielaanvraag.
40. Eiser stelt tot slot dat hij tijdens het gehoor uitdrukkelijk heeft verzocht om toepassing van een lichter middel en daarbij ook een concreet alternatief heeft geboden. Verweerder heeft dit voorstel verworpen onder verwijzing naar eisers eerdere vertrek uit de opvang in 2019 en het ontbreken van een vaste woon- en verblijfplaats. Daarmee is echter onvoldoende kenbaar beoordeeld of een meldplicht, in combinatie met verblijf bij zijn vriendin, in het concrete geval doeltreffend kon worden toegepast. Er is niet gebleken dat verweerder onderzoek heeft verricht naar het door eiser aangeboden verblijfsadres, de bereikbaarheid van zijn vriendin of de mogelijkheid om door middel van periodieke meldingen te waarborgen dat eiser beschikbaar blijft voor zijn asielprocedure.
41. Deze beroepsgrond slaagt niet. Verweerder heeft meerdere vragen aan eiser gesteld waaruit blijkt dat verweerder deugdelijk heeft onderzocht of volstaan kon worden met een lichter middel. Eiser heeft anders dan hij nu zegt niet een concreet alternatief geboden, want hij heeft op vragen van verweerder geantwoord dat hij liever niet wil zeggen waar zijn vriendin woont. Verweerder heeft geen verplichting om deze vraag te herhalen of op andere wijze onderzoek te verrichten naar het verblijfadres en bereikbaarheid van deze vriendin zoals in de gronden wordt gesuggereerd. Eiser heeft voorts in het bewaringsgehoor verklaard in crypto te handelen en over € 3000,- te beschikken en € 100,- in cash te hebben. Verweerder hoeft crypto niet als ‘onderpand’ voor een borgstelling te aanvaarden. De rechtbank begrijpt dat verweerder het opleggen van een meldplicht niet heeft overwogen. Eiser heeft verklaard illegaal de Unie te zijn ingereisd en nu ongeveer 10 jaar in de Unie en sinds 2018 in Nederland te verblijven. Tevens is in de maatregel benoemd dat eiser na de afwijzing van zijn eerste asielaanvraag in 2019 alle mogelijkheid heeft gehad om zich te melden in verband met zijn illegale verblijf of vertrek, maar ervoor heeft gekozen ‘mob te gaan’ en hij 7 jaar lang de tijd heeft gehad om zich te melden met een asielwens maar dat niet heeft gedaan. De rechtbank stelt vast dat verweerder grondig heeft onderzocht of volstaan kon worden met een lichter middel en deugdelijk heeft gemotiveerd waarom dat niet mogelijk is geacht. In de gronden is toegelicht dat de vriendin van eiser bereid is om haar paspoort te overleggen als waarborg. De rechtbank overweegt dat ook dit niet zodanig concreet is dat verweerder een lichter middel moet toepassen. De rechtbank zal op grond van deze stelling ook niet overgaan tot de opheffing van de maatregel. Eiser heeft verklaard een vriendin te hebben waarmee hij een relatie van 3 jaar heeft en die Marie heet. Zijn vriendin is nu zwanger maar eiser weet niet of hij de vader is omdat zij, zo heeft eiser verklaard, een ‘soort van break-up met elkaar hadden’. Als eiser meent dat verweerder alsnog zou moeten volstaan met een lichter middel, zal eiser tenminste de gegevens van deze gestelde vriendin moeten overleggen zodat verweerder kan beoordelen of hij, ondanks het onttrekkingsrisico, kan volstaan met een lichter middel. De rechtbank heeft dat ter zitting met eiser besproken en uitgelegd. Eiser heeft ter zitting verklaard ook te kunnen verblijven in een appartement van de moeder van de vriend met wie hij gelijktijdig op 8 oktober 2026 is aangehouden. De rechtbank heeft eiser uitgelegd dat deze verklaring veel te vaag is om zelfs maar te overwegen om de maatregel op te heffen. Dat geldt ook voor de verklaring van eiser op vragen van de rechtbank over zijn crypto-vermogen dat hij inmiddels over € 140.000, - beschikt en dat hij dit kan aantonen met documenten die zijn ingenomen bij de inkom in het DTC. De rechtbank heeft eiser uitgelegd wat ‘een lichter middel-beoordeling’ is en heeft met eiser besproken waarom hij zijn op 9 oktober 2026 ingediende asielaanvraag op 13 oktober 2026 heeft ingetrokken, op 13 oktober 2026 een nieuwe asielaanvraag heeft ingediend en deze aanvraag vervolgens op 14 oktober 2026 weer heeft ingetrokken. De rechtbank heeft eiser gezegd dat hij dit alles ook met zijn regievoerder moet bespreken en de rechtbank heeft verweerder ter zitting verzocht om de regievoerder mede te delen dat eiser waarschijnlijk toch een asielwens heeft. Verweerder heeft dit toegezegd en de rechtbank stelt vast dat eiser op 16 oktober 2026, na sluiting van het onderzoek wederom een asielaanvraag heeft ingediend. Een lichter middel is op dit moment niet aan de orde gelet op het vorenstaande en omdat er geen enkele indicatie is dat het ondergaan van de maatregel voor eiser onevenredig bezwarend is.
42. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank is ambtshalve nagegaan of aan alle rechtmatigheidsvoorwaarden voor de oplegging en tenuitvoerlegging van de maatregel is voldaan en stelt vast dat de maatregel rechtmatig is.
43. De rechtbank overweegt tot slot dat ter zitting door verweerder geen nieuwe informatie naar voren is gebracht waar de gemachtigde van eiser niet op heeft kunnen reageren. De rechtbank heropent het onderzoek dus niet om de gemachtigde een proces-verbaal van de zitting te verstrekken en in staat te stellen een nadere reactie te kunnen geven. Het vereiste van hoor en wederhoor is geëerbiedigd door het onderzoek ter zitting en de beoordeling van de beroepsgronden van de gemachtigde, aangevuld met een ambtshalve beoordeling van de overige rechtmatigheidsaspecten.
44. Het beroep is ongegrond zodat de rechtbank eiser niet in vrijheid stelt en niet in aanmerking brengt voor schadevergoeding en geen proceskostenvergoeding zal uitspreken.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van mr. D. Damoiseaux, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 21 oktober 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.