RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.15405
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M. Spapens),
en
(gemachtigde: mr. J. Amakodo).
1. Eiser heeft asiel aangevraagd in Nederland. Hij is afkomstig uit Oekraïne en woonde daar op de Krim. Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen. Eiser is het niet eens met deze afwijzing. Daar gaat deze uitspraak over. Eiser heeft een aantal beroepsgronden aangevoerd. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Eiser is afkomstig uit de Krim in Oekraïne. Verweerder neemt aan dat eiser niet terug kan keren naar de Krim vanwege zijn vrees voor de Russische autoriteiten met betrekking tot zijn politieke overtuiging, maar stelt zich op het standpunt dat er voor eiser een binnenlands beschermingsalternatief in de westelijke oblasten van Oekraïne aanwezig is. Gelet op artikel 8, derde lid, van de Kwalificatieverordening is het aan verweerder om aan te tonen dat er voor eiser een binnenlands beschermingsalternatief is. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder daarin niet geslaagd, nu verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser in de westelijke oblasten van Oekraïne geen vrees voor vervolging of ernstige schade heeft. Eiser heeft aannemelijk gemaakt dat hij in Oekraïne gemobiliseerd zal worden en dat hij dit niet zal kunnen weigeren. Daarnaast heeft verweerder bij het tegenwerpen van het binnenlands beschermingsalternatief onvoldoende de situatie van binnenlands ontheemden in Oekraïne betrokken, op grond van artikel 8, vijfde lid, van de Kwalificatieverordening. Daarin is neergelegd dat bij die beoordeling ook de toegankelijkheid, doeltreffendheid en duurzaamheid van de bescherming moet worden betrokken als ook de vraag of de verzoeker in zijn eigen basisbehoeften kan voorzien. De afwijzing van de asielaanvraag kan daarom niet in stand blijven. Ten aanzien beoordeling van artikel 8 van het EVRM is de rechtbank van oordeel dat die ook geen stand kan houden, nu verweerder de belangenafweging onvoldoende inzichtelijk heeft gemotiveerd. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 1 maart 2022 een asielaanvraag ingediend. Hij heeft vervolgens drie keer beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op zijn asielaanvraag. Deze beroepen zijn ingediend op 21 december 2023, op 23 oktober 2024 en op 2 april 2025. Deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht en deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag hebben eerder beslist op de eerste twee beroepen.
Verweerder heeft met het bestreden besluit van 1 augustus 2025 de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft vervolgens verzocht zijn beroep tegen het niet tijdig beslissen (van 2 april 2025) te behandelen als een beroep gericht tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft dit beroep op 25 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
De rechtbank heeft het onderzoek heropend op 9 juli 2026 en hierbij verweerder gevraagd een aanvullend standpunt in te nemen over het binnenlands beschermingsalternatief in het licht van artikel 8 van de Kwalificatieverordening.
Verweerder heeft op 30 juli 2026 een schriftelijke reactie ingediend. Eiser heeft op 20 augustus 2026 daarop gereageerd. Partijen hebben in hun reacties toestemming gegeven voor het doen van uitspraak zonder een nadere zitting.
De rechtbank heeft het onderzoek op 4 september 2026 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Over het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag
3. De rechtbank overweegt als volgt. Omdat verweerder alsnog een besluit heeft genomen op de asielaanvraag, heeft eiser geen belang meer bij een beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Het beroep – voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit – is daarom niet-ontvankelijk.
Over het beroep tegen het bestreden besluit
4. Ingevolge artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt.
Omdat eiser heeft laten weten dat hij het niet eens is met het besluit op zijn asielaanvraag zal de rechtbank het beroep tegen dit besluit (het bestreden besluit) beoordelen op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb.
Achtergrond en asielrelaas
5. Eiser is geboren op [datum] 1993, heeft de Oekraïense nationaliteit en stelt ook de Russische nationaliteit te hebben. Eiser is geboren op de Krim in Oekraïne. In 2014 is de Krim geannexeerd door Rusland. Eiser heeft altijd (tot 2022) op de Krim gewoond. Hij heeft, naast een Oekraïens paspoort, ook een Russisch paspoort. Na de annexatie van de Krim was het volgens eiser namelijk noodzakelijk om een Russisch paspoort aan te vragen om daar op een normale wijze te kunnen leven en gebruik te maken van de voorzieningen.
Eiser was vanaf 2017 werkzaam als zeeman. In februari 2022 was hij vanwege zijn werk nog in (de haven van) Rotterdam toen de oorlog tussen Oekraïne en Rusland uitbrak. Hij heeft vervolgens op 1 maart 2022 in Nederland asiel aangevraagd.
Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij is tegen de oorlog. Hij kan niet aanzien dat het land waar hij voor zijn asielaanvraag woonde (Rusland) soldaten stuurt om te vechten tegen het land waarin eiser geboren is (Oekraïne). Als eiser zou teruggaan naar Oekraïne, dan zou hij gemobiliseerd worden voor de oorlog wat er mogelijk toe leidt dat hij moet vechten tegen mensen die afkomstig zijn uit de Krim. Als eiser zou teruggaan naar Rusland en hij zou zeggen dat hij tegen de oorlog is, zou hij strafrechtelijk vervolgd worden of het leger in moeten gaan. Dat is tegen zijn principes. Hij wil niet vechten.
Het bestreden besluit
6. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser als ongegrond afgewezen en aan hem een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Volgens verweerder bevat het asielrelaas van eiser de volgende asielmotieven:
1. Identiteit, Oekraïense nationaliteit en herkomst;
2. Politieke mening.
Verweerder vindt beide asielmotieven geloofwaardig. Verweerder neemt geen standpunt in over eisers Russische nationaliteit. Dat komt – kortgezegd – omdat de annexatie van de Krim niet wordt erkend door de lidstaten van de Europese Unie. Dat standpunt heeft ook weer gevolgen voor de (erkenning van) afgegeven reisdocumenten in die regio.
Verweerder toetst vervolgens of uit de asielmotieven volgt dat eiser gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico loopt op ernstige schade. Verweerder toetst de gestelde vrees van eiser aan de autoriteiten van Rusland, nu zij de facto het gezag hebben op de Krim. Verweerder vindt de vrees van eiser, dat hij bij terugkeer naar de Krim (strafrechtelijk) vervolgd wordt door de autoriteiten van Rusland als hij zich openlijk uitspreekt tegen de oorlog, aannemelijk. Dit leidt echter niet tot vluchtelingschap, omdat er volgens verweerder een binnenlands beschermingsalternatief in Oekraïne voor eiser aanwezig is.
Verweerder toetst het binnenlands beschermingsalternatief in het bestreden besluit aan de hand van de voorwaarden uit paragraaf C2/3.4. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) en artikel 3.37d van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV). Verweerder benoemt daarbij allereerst dat van eiser mag worden verwacht dat hij zich vestigt in de niet door de autoriteiten van Rusland bezette gebieden in Oekraïne, namelijk de meer westelijk gelegen oblasten, met name Chmelnytsky, Ivano-Frankivsk, Lviv, Rivne, Tsjernivitsi, Ternopil, Volhyn, en Zakarpattia. Frankivsk, Lviv, Rivne, Tsjernivitsi, Ternopil, Volhyn, en Zakarpattia. Uit eisers verklaringen is niet gebleken dat hij in deze gebieden te vrezen zal hebben voor vervolging of ernstige schade. In dat kader benoemt verweerder ook dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Oekraïne gemobiliseerd zal worden. Ook als eiser dat wel aannemelijk had gemaakt, dan zou dit ook niet leiden tot de conclusie dat hij wegens dienstweigering te vrezen heeft voor vervolging. Hij voldoet namelijk niet aan de voorwaarden die daarvoor gelden op grond van paragraaf C2/3.2.7. van de Vc. Verder is in de gebieden die verweerder heeft genoemd geen sprake van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, onder c van de Kwalificatierichtlijn. Verder beoordeelt verweerder in het kader van het binnenlands beschermingsalternatief nog dat het voor eiser mogelijk is om de westelijke delen van Oekraïne vanuit Nederland op een veilige en wettige wijze te bereiken. Ook is het voor eiser mogelijk om zich daar te vestigen en te leven onder omstandigheden die naar plaatselijke maatstaven gemeten als normaal zijn aan te merken. Verweerder mag daarom van eiser verwachten dat hij zich in Oekraïne kan vestigen.
Eiser krijgt ook geen reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM. Hij heeft in zijn nader gehoor verklaard dat hij een relatie heeft met een Nederlandse vrouw en heeft meerdere documenten overgelegd ter onderbouwing van die relatie. Verweerder neemt dan ook aan dat er tussen eiser en zijn partner sprake is van gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, maar stelt zich op het standpunt dat de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt.
Toepasselijk recht
7. Op 12 juni 2026 is het Asiel- en migratiepact ingegaan. Met dit pact zijn diverse richtlijnen omgezet naar verordeningen. Onder meer de Kwalificatierichtlijn is ingetrokken en vervangen door de Kwalificatieverordening. De Kwalificatieverordening kent geen overgangsrecht.
In artikel 8 van de Kwalificatieverordening is vastgelegd hoe het binnenlands beschermingsalternatief beoordeeld moet worden. Dit artikel is op een aantal punten gewijzigd ten opzichte van artikel 8 van de Kwalificatierichtlijn.
Ter zitting heeft de rechtbank aan partijen voorgehouden dat de Kwalificatieverordening geen overgangsrecht kent en dat dit gevolgen heeft voor hoe de rechtbank het binnenlands beschermingsalternatief in deze zaak moet beoordelen. Verweerder heeft toen aangegeven dat hij het standpunt inneemt dat het binnenlands beschermingsalternatief beoordeeld moet worden aan de hand van het recht dat gold ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, maar wel verzocht om een nadere termijn als de rechtbank van oordeel is dat het nieuwe recht (onder artikel 8 van de Kwalificatieverordening) van toepassing is.
Verweerder heeft na de heropening van het onderzoek in zijn reactie van 30 juli 2026 afstand genomen van het ter zitting ingenomen standpunt en heeft erkend dat artikel 8 van de Kwalificatieverordening in dit geval van toepassing is. Verweerder stelt zich daarbij gemotiveerd op het standpunt dat ook als uitgegaan wordt van dat artikel, verweerder aan eiser een binnenlands beschermingsalternatief heeft kunnen tegenwerpen.
De rechtbank stelt daarmee vast dat niet in geschil is dat artikel 8 van de Kwalificatieverordening van toepassing is in deze zaak. Zij zal het tegengeworpen binnenlands beschermingsalternatief aan de hand van dit artikel beoordelen.
Heeft verweerder terecht een binnenlands beschermingsalternatief tegengeworpen?
8. Eiser voert – kortgezegd – aan dat verweerder ten onrechte een binnenlands beschermingsalternatief heeft tegengeworpen. Verweerder heeft niet goed gemotiveerd dat eiser kan terugkeren naar gebieden in Oekraïne die buiten de frontlinie van het conflict vallen. Eiser heeft allereerst een gegronde vrees voor vervolging in die gebieden omdat hij bij terugkeer naar Oekraïne gemobiliseerd zal worden. Hij vreest te worden betrokken bij het plegen van oorlogsmisdaden die in zijn ogen door beide partijen in het conflict worden gepleegd. Verder is het volgens eiser niet mogelijk om de westelijke delen van Oekraïne op een veilige en wettige wijze te bereiken. Zijn Oekraïense paspoort is niet meer geldig en hij heeft geen enkele hulp van de Oekraïense ambassade ontvangen. Verder kan niet van eiser verwacht worden dat hij zich zal kunnen vestigen in Oekraïne. Eiser heeft alleen in de Krim gewoond en heeft elders in Oekraïne geen netwerk en is als ontheemde helemaal op zichzelf aangewezen. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn stellingen een rapport van TOELT van 17 februari 2026 overgelegd.
Toetsingskader
Bij het onderzoek naar het bestaan van een binnenlands beschermingsalternatief, beoordeelt verweerder of de verzoeker zich kan vestigen in een ander deel van het land, dan waar hij vervolging vreest of een reëel risico loopt op ernstig lijden. Uit artikel 8, eerste lid, van de Kwalificatieverordening volgt dat de verzoeker op een veilige en wettige manier moet kunnen reizen naar en zich toegang moet kunnen verschaffen tot het gebied waar hij wordt geacht binnenlandse bescherming in te kunnen roepen en dat er redelijkerwijs van hem of haar moet kunnen worden verwacht dat hij of zij zich daar vestigt. Verder moet vaststaan dat de verzoeker in dat gebied geen gegronde vrees heeft voor vervolging of geen reëel risico op ernstige schade loopt of toegang heeft tot doeltreffende bescherming van niet-tijdelijke aard tegen vervolging of ernstige schade.
Uit artikel 8, derde lid, van de Kwalificatieverordening volgt dat het aan de beslissingsautoriteit is om aan te tonen dat de verzoeker beschikt over een binnenlands beschermingsalternatief. Op verweerder rust daarom de bewijslast.
In artikel 8, vijfde lid, van de Kwalificatieverordening is vastgelegd dat verweerder bij de toepassing van het eerste lid rekening moet houden met de algemene omstandigheden in het relevante deel van het land van herkomst inclusief de toegankelijkheid, doeltreffendheid en duurzaamheid van de bescherming als bedoeld in artikel 7 van de Kwalificatieverordening, de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker wat betreft factoren zoals gezondheid, leeftijd, gender, inclusief genderidentiteit, seksuele gerichtheid, etnische afkomst en het behoren tot een nationale minderheid en de vraag of de verzoeker in zijn of haar basisbehoeften zou kunnen voorzien.
Een aantal bepalingen die zijn opgenomen in dit artikel zijn nieuw ten opzichte van het (oude) artikel 8 van de Kwalificatierichtlijn. Zo was voorheen niet expliciet opgenomen dat de bewijslast om aan te tonen dat een verzoeker een binnenlands beschermingsalternatief heeft, bij de beslisautoriteit ligt. Verder benoemt artikel 8 van de Kwalificatieverordening, vergeleken met artikel 8 van de Kwalificatierichtlijn, meer factoren en omstandigheden die de beslissingsautoriteit bij het te verrichten onderzoek moet betrekken, zoals of verzoeker in het aangewezen gebied in zijn of haar basisbehoeften kan voorzien.
Zoals al eerder is benoemd onder 7, heeft verweerder een aanvullende reactie ingediend met een standpunt over het binnenlands beschermingsalternatief in het licht van artikel 8 van de Kwalificatieverordening. Deze reactie leest de rechtbank als een aanvullende motivering van het bestreden besluit, waarop eiser heeft kunnen reageren. De rechtbank zal deze reacties betrekken bij de beoordeling van het bestreden besluit.
Veilige en wettelijke wijze reizen naar en toegang verschaffen tot het gebied
9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht het standpunt inneemt dat eiser op een veilige en wettige manier kan reizen naar en zich toegang kan verschaffen tot de westelijke delen van Oekraïne. Verweerder wijst erop dat uit landeninformatie volgt dat een Oekraïense staatsburger voor terugkeer naar Oekraïne in beginsel moet beschikken over een geldig paspoort of een laissez-passer (LP), en dat indien een paspoort niet kan worden verlengd bij de Oekraïense autoriteiten een LP kan worden aangevraagd. Dat eisers Oekraïense paspoort is verlopen, betekent niet dat hij zich niet kan wenden tot het Oekraïense consulaat in Nederland voor het verkrijgen van een vervangend reisdocument. De rechtbank volgt verweerder in dit standpunt. Ook wijst verweerder erop dat, hoewel reizen per vliegtuig naar Oekraïne niet mogelijk is, de landsgrenzen met EU-lidstaten open zijn en eiser op die manier terug kan reizen naar de westelijke delen van Oekraïne. De rechtbank leest dit ook in de door verweerder aangehaalde landeninformatie. Eiser heeft ook geen landeninformatie overgelegd waaruit blijkt dat hij niet op veilige en wettelijke wijze kan reizen naar en zich toegang kan verschaffen tot de westelijke delen van Oekraïne.
Gegronde vrees voor vervolging/ernstige schade in het aangewezen gebied
10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar de westelijke delen van Oekraïne geen gegronde vrees heeft voor vervolging of risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM.
De rechtbank overweegt hierbij allereerst dat verweerder zich – in dit verband – ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Oekraïne gemobiliseerd zal worden zonder een kans te krijgen om dienst te weigeren. De rechtbank stelt daarbij voorop dat de bewijslast of er voor eiser een binnenlands beschermingsalternatief is, op verweerder rust. Uit de door eiser overgelegde landeninformatie van TOELT volgt dat mannen vanaf 25 jaar gemobiliseerd kunnen worden en dat er gedwongen mobilisatie voorkomt, bijvoorbeeld door op straat mannen aan te houden en mee te nemen naar het militair commissariaat. Ook volgt uit de landeninformatie van TOELT dat de Oekraïense ombudsman in maart 2025 heeft geconstateerd dat er sprake is van systematische en wijdverbreide schendingen van mensenrechten door Oekraïense militaire wervingsfunctionarissen. Deze schendingen betreffen fysiek geweld, het weigeren van een advocaat, mobilisatie van invalide personen, en meer. Verweerder heeft hier geen landeninformatie tegenovergesteld. Daarnaast heeft eiser informatie overgelegd waaruit volgt dat het afgelopen jaar het aantal Russische aanvallen in het westen van Oekraïne is toegenomen, waarbij burgerslachtoffers zijn gevallen. UNCHR concludeert in een bericht van november 2025 dat geen enkel deel van het land als veilig kan worden beschouwd. Weliswaar volgt uit het rapport van TOELT dat de meeste burgerdoden in de bezette gebieden vallen, maar uit diezelfde informatie blijkt ook dat er een toename is van aanvallen in de westelijke oblasten. Gelet op het voorgaande heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat eiser in het beschermingsalternatief geen reëel risico loopt op ernstige schade.
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat verweerder bij de beoordeling van het binnenlands beschermingsalternatief niet voldoende heeft gemotiveerd dat er sprake is van toegankelijke, doeltreffende en duurzame bescherming in de westelijke delen van Oekraïne en dat eiser daar in zijn basisbehoeften kan voorzien, zoals is bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van de Kwalificatieverordening. Verweerder neemt in zijn aanvullende reactie van 30 juli 2026 het standpunt in dat uit de overgelegde informatie van TOELT niet volgt dat eiser als volwassen Oekraïense man op voorhand geen toegang kan krijgen tot basisvoorzieningen in de westelijke oblasten. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Zij wijst er daarbij allereerst op dat eiser terug zal keren naar Oekraïne als binnenlands ontheemde. Uit de landeninformatie van TOELT volgt onder andere dat binnenlands ontheemden gebrek ervaren aan onder meer medicijnen, powerbanks/generatoren, eten, accommodatie, kleding, gezondheidszorg en toiletartikelen. Slechts 11% van de bevraagde binnenlands ontheemden geeft aan nergens tekort aan te hebben. Verder volgt uit de landeninformatie van TOELT dat er begin 2026 10,8 miljoen inwoners van Oekraïne humanitaire hulp nodig hadden en dat er sinds oktober 2025 dagelijks aanvallen door Rusland worden uitgevoerd op de energie-infrastructuur en dat deze aanvallen door het hele land plaatsvonden, waardoor veel mensen zonder stroom, water en verwarming zitten of zeer beperkt toegang hebben tot stroom en verwarming. Verweerder stelt zich op het standpunt dat daar tegenover staat dat de TOELT-rapportage ook vermeldt dat Oekraïne een regeling kent voor binnenlands ontheemden voor financiële hulp, hulp bij het zoeken naar woonruimte, toegang tot gezondheidszorg en onderwijs en dat tijdelijke opvang wordt geregeld door lokale overheden, ngo’s en vrijwilligers en dat hulp beschikbaar is via onder meer e-dopomoga, Diia, het UNHCR, het Rode Kruis en Unicef. De rechtbank is van oordeel dat, hoewel hieruit volgt dat er initiatieven zijn om ontheemden hulp te bieden, dit onverlet laat dat uit de door eiser overgelegde bronnen blijkt dat er sprake is van tekorten in basisvoorzieningen voor binnenlands ontheemden. Daaruit volgt dat het sociale stelsel van Oekraïne moeite heeft om de vier miljoen binnenlands ontheemden te ondersteunen, waardoor men in toenemende mate is aangewezen op ngo’s en lokale initiatieven. De regering en gemeenten hebben ook moeite om sociale huisvesting te bieden. Ook blijkt uit informatie van eiser dat het afgelopen jaar meer aanvallen plaatsvonden in het westen van Oekraïne, waarbij naast burgerslachtoffers, grote schade is aangericht aan kritieke infrastructuur zoals energievoorzieningen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dit onvoldoende betrokken bij het tegenwerpen van een binnenlands beschermingsalternatief.
Nu de rechtbank tot het oordeel komt dat verweerder de beoordeling van het binnenlands beschermingsalternatief op meerdere punten niet deugdelijk heeft gemotiveerd en het bestreden besluit reeds daarom niet in stand kan blijven, zal de rechtbank de beroepsgrond gericht tegen de 15c-beoordeling niet bespreken.
Heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet in aanmerking komt voor een reguliere vergunning op grond van artikel 8 van het EVRM?
11. Eiser heeft een relatie met een Nederlandse vrouw. Hij voert – kortgezegd – aan dat de belangenafweging in zijn voordeel zou moeten uitvallen. Hij wijst er onder andere op dat de omstandigheid dat hij geen strafrechtelijke antecedenten heeft in zijn voordeel zou moeten worden meegewogen. Verder moet bij het economisch belang worden betrokken dat eiser heeft aangetoond een vast inkomen te hebben.
De rechtbank overweegt als volgt. Wanneer een belangenafweging is gemaakt in het kader van artikel 8 van het EVRM, dient de rechtbank eerst te toetsen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken. Indien dit het geval is, dient de rechtbank te toetsen of verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’ tussen het belang bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven van een vreemdeling in Nederland en het Nederlands algemeen belang. De vraag of alle feiten en omstandigheden zijn betrokken, moet de rechtbank zonder terughoudendheid toetsen. De uitkomst van de gemaakte belangenafweging dient de rechtbank enigszins terughoudend te toetsen. Dat betekent onder meer dat de bestuursrechter het gewicht dat verweerder aan de verschillende belangen heeft toegekend, enigszins terughoudend moet toetsen.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder het standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor een reguliere vergunning op grond van artikel 8 van het EVRM, niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Zij kan de motivering van verweerder met betrekking tot de belangenafweging op meerdere punten niet volgen. Zij licht dit hieronder toe.
De rechtbank wijst er allereerst op dat verweerder geen gewicht heeft toegekend aan de belangen van eiser en de belangen van de Nederlandse staat in de belangenafweging. Nu het onduidelijk is welk gewicht er is toegekend aan de belangen, kan de rechtbank niet beoordelen of verweerder het standpunt heeft kunnen innemen dat de belangenafweging resulteert in een ‘fair balance’ tussen het belang van de uitoefening van het gezinsleven van eiser in Nederland en het Nederlands algemeen belang.
Verder overweegt de rechtbank ook dat verweerder de belangen van de Nederlandse staat niet op een inzichtelijke manier heeft gemotiveerd. Verweerder heeft in het bestreden besluit een opsomming gemaakt van de belangen van de Nederlandse staat. Verweerder benoemt onder andere als belang ‘openbare orde’ met als motivering ‘U bent geen gevaar voor de openbare orde, u heeft namelijk geen antecedenten’. Het is de rechtbank onduidelijk waarom dit – gelet op deze motivering – wordt genoemd als belang van de Nederlandse staat. Verder heeft verweerder in die opsomming ook ‘economisch belang’ genoemd als belang. Hij erkent dat eiser een vast inkomen heeft en zichzelf hiermee kan onderhouden, maar concludeert dat deze omstandigheden niet betekenen dat eiser recht heeft op bescherming van zijn privéleven in Nederland, omdat deze omstandigheden niet betekenen dat hij daardoor aan Nederland is gebonden. De rechtbank overweegt dat het onduidelijk is waarom het economisch belang in dit geval een belang van de Nederlandse staat is, nu verweerder hierbij juist benoemt dat eiser een vast inkomen heeft en zichzelf daarmee kan onderhouden. Tot slot benoemt verweerder ook als belang ‘reguliere voorwaarden’ met als motivering ‘Indien u verblijf bij uw partner beoogt, kan u hier een reguliere aanvraag voor indienen, waarbij beoordeeld zal worden of u aan deze voorwaarden voldoet.’. Ook voor dit belang geldt dat het de rechtbank onduidelijk is waarom dit een belang is van de Nederlandse staat.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep, voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag, is niet-ontvankelijk. Het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit, is gegrond omdat het bestreden besluit op meerdere punten in strijd is met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Awb. Verweerder heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
13. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
14. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep – voor zover gericht – tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep – voor zover gericht – tegen het bestreden besluit gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 1 augustus 2025;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.J. van Beek, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Poortier, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.