RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.58925
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. W.M. Blaauw),
en
(gemachtigde: drs. M.F. Aly).
1. Deze uitspraak gaat over de vrijheidsontnemende maatregel die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 6, eerste, tweede en zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden, maar ook uit zichzelf, beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van deze vrijheidsontnemende maatregel is niet onrechtmatig. De maatregel voldoet aan de voorwaarden. Er is dus geen reden voor het toekennen van schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 2 oktober 2026 heeft verweerder aan eiser, die stelt van Somalische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [datum] 2007, een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 12 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, mr. M.H.K. van Middelkoop als waarnemer van de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Wat er aan het beroep vooraf is gegaan
3. Eiser heeft op 13 juli 2026 een asielaanvraag aan de grens ingediend en op die datum is hem de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd. Deze maatregel is beoordeeld in de uitspraak van 23 juli 2026 van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen.
Eisers asielaanvraag is met verweerders besluit van 24 juli 2026 afgewezen. Op 29 september 2026 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, eisers beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard. Op 1 oktober 2026 is aan eiser de toegang tot Nederland geweigerd. Vervolgens heeft verweerder op 2 oktober 2026 de grondslag van de maatregel gewijzigd naar artikel 6, eerste, tweede en zesde lid, van de Vw.
Toetsingskader
4. Op grond van artikel 6, zesde lid, van de Vw kan verweerder de vrijheidsontnemende maatregel, bedoeld in het eerste en tweede lid, opleggen aan de vreemdeling aan wie toegang is geweigerd en op wie voorafgaand aan de toegangsweigering het derde lid van toepassing was, indien het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dit vordert.
Op grond van artikel 5.5, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) kan verweerder een vreemdeling in vreemdelingenbewaring stellen op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid dat vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. In artikel 5.5, derde lid, van het Vb is bepaald dat het eerste lid van overeenkomstige toepassing is in geval van oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, zesde lid, van de Vw.
Uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb volgt dan dat de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6 van de Vw kan worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, bedoeld in het tweede lid van dit artikel zich voordoen.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
5. In de maatregel heeft verweerder vermeld dat er aanleiding bestaat om aan eiser, als een vreemdeling van wie de asielaanvraag is afgewezen en nadat hem de toegang is geweigerd, de maatregel bedoeld in artikel 6, eerste, tweede en zesde lid van de Vw op te leggen. Naar het - ambtshalve - oordeel van de rechtbank heeft verweerder aldus, zoals hij moest doen, de wettelijke grondslag voor de oplegging van deze vrijheidsontnemende maatregel vermeld.
In de maatregel heeft verweerder vervolgens als gronden zoals bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb vermeld dat eiser:
c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat of een aan hem verstrekt visum voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor dit is verleend;
e. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;
f. in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten;
i. aan de grens te kennen heeft gegeven een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel te willen indienen, en zijn aanvraag met toepassing van de asielgrensprocedure niet in behandeling is genomen, niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Bij iedere vermelde grond - op de d-grond na - heeft verweerder een toelichting gegeven en daarbij aangegeven dat daaruit blijkt dat het risico bestaat dat eiser onderduikt dan wel zich aan het toezicht onttrekt en dat hij zijn uitzetting belemmert.
Naar het - ambtshalve - oordeel van de rechtbank heeft verweerder alle vermelde gronden, op de d-grond na, terecht van toepassing geacht en kon verweerder daarom aannemen dat het belang bestaat dat de oplegging van deze vrijheidsontnemende maatregel vordert. Dat de d-grond hier niet van toepassing is, heeft in dit geval geen gevolg omdat er nog zes toepasselijke gronden overblijven.
Heeft verweerder de rechtbank onverwijld in kennis gesteld van de maatregel?
6. Eiser voert aan dat verweerder de kennisgeving niet onverwijld heeft verstuurd aan de rechtbank. De bewaringsmaatregel is op 2 oktober 2026 aan eiser opgelegd maar de kennisgeving is verstuurd op 3 oktober 2026. Dit is volgens eiser niet onverwijld.
De rechtbank overweegt dat de maatregel is gedateerd op 2 oktober 2026, zonder vermelding van tijd. Op zaterdag 6 oktober 2026 om 6:04 is de kennisgeving gestuurd naar de rechtbank. Ter zitting heeft verweerder erkend dat dit niet onverwijld is, maar heeft daarbij gesteld dat eiser in dit geval niet in zijn belangen is geschaad. De rechtbank ziet geen reden om hierover anders te denken. De rechtbank kan zonder problemen nog binnen de wettelijke termijn van vijftien dagen na oplegging van de maatregel uitspraak doen over de rechtmatigheid daarvan. Eiser krijgt dus tijdig een oordeel over de rechtmatigheid van de bewaring en verder heeft eiser ook niet onderbouwd dat hij nadeel heeft ondervonden door de niet onverwijlde kennisgeving. De rechtbank ziet hierin dan ook geen reden om de maatregel op te heffen.
Had verweerder een lichter middel moeten toepassen?
7. Eiser voert aan dat de maatregel onevenredig bezwarend is vanwege zijn geestelijke gesteldheid na drie maanden detentie.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt dat eiser niet heeft onderbouwd waarom zijn geestelijke gezondheid aanleiding zou moeten zijn voor een lichter middel of dat die hem detentieongeschikt maakt. De enkele stelling van eiser is hiervoor onvoldoende. Bovendien heeft verweerder in de maatregel gemotiveerd dat eiser zich met klachten over zijn geestelijke gezondheid kan wenden tot de medische dienst van het detentiecentrum.
Werkt verweerder voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser?
8. Eiser voert aan dat het onduidelijk is of verweerder voldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting naar Egypte.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. De maatregel is op 2 oktober 2026 aan eiser opgelegd. Ter zitting heeft verweerder medegedeeld dat eiser op 13 oktober 2026 kan uitreizen naar Egypte. De rechtbank ziet in deze tijdspanne van elf dagen geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet voldoende voortvarend handelt. De rechtbank volgt de stelling van eiser daarom niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
9. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank ook geen reden om te oordelen dat deze maatregel niet rechtmatig is opgelegd of heeft voortgeduurd.De rechtbank stelt vast dat eiser volgens het terugkeerbesluit moet terugkeren naar Egypte op basis van een removal order. Eiser heeft alleen gesteld dat hij niemand kent in Egypte. Hij heeft hiermee niets nieuws aangevoerd ten opzichte van wat hij eerder in zijn asielprocedure heeft aangevoerd en wat is beoordeeld door de rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, in haar uitspraak van 29 september 2026. De rechtbank ziet daarom geen reden om aan te nemen dat het beginsel van non-refoulement zich verzet tegen eisers uitzetting naar Egypte.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep tegen de maatregel is ongegrond. Daarom wijst de rechtbank ook het verzoek om schadevergoeding af.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kraefft, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Nederpel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.