RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.58784 (beroep ophouding) en NL26.58879 (beroep vreemdelingenbewaring)
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. J. van Bennekom),
en
(gemachtigde: drs. M.F. Aly).
1. Deze uitspraak gaat over het beroep tegen de gestelde ophouding van eiser en over het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met de gestelde ophouding en met de bewaringsmaatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de gestelde ophouding en de bewaringsmaatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank verklaart zich onbevoegd ten aanzien van het beroep tegen de gestelde ophouding. Het beroep tegen de bewaringsmaatregel verklaart de rechtbank gegrond. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is volgens de rechtbank onrechtmatig omdat niet duidelijk is dat de noodzakelijke bescheiden voor de terugkeer van eiser binnen korte termijn voorhanden zullen zijn. Dit heeft verweerder niet geconcretiseerd en er is daarom niet voldaan aan de voorwaarden voor het opleggen van deze bewaringsmaatregel. De rechtbank beveelt daarom de opheffing van de maatregel en kent een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 3 oktober 2026 heeft verweerder aan eiser, die stelt van Soedanese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [datum] 2003, de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
Eiser heeft op 3 oktober 2026 ook beroep ingesteld tegen zijn gestelde ophouding.
De rechtbank heeft de beroepen op 12 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Over het beroep tegen de gestelde ophouding
3. Eiser voert aan dat hij op 3 oktober 2026 ten onrechte is opgehouden dan wel dat de ophouding onrechtmatig is geweest omdat er geen sprake was van een rechtsgeldige titel. In eerste instantie is hij in bewaring gesteld op 18 september 2026 op grond van artikel 59a van de Vw. Op 3 oktober 2026 heeft verweerder deze maatregel opgeheven en omgezet naar bewaring op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vw. Volgens eiser was echter al sinds 21 september 2026 duidelijk dat hij niet op basis van de juiste grondslag in bewaring zat, omdat toen al duidelijk was dat hij een asielstatus heeft in Frankrijk. Vanaf dat moment staat volgens eiser vast dat de vreemdelingenbewaring op basis van artikel 59a van de Vw onjuist is. Verweerder heeft de maatregel echter niet opgeheven en die zelfs gebruikt voor de overbrenging van eiser naar de plaats van verhoor op 3 oktober 2026. Deze ophouding op 3 oktober 2026 heeft daarom plaatsgevonden op basis van een onjuiste rechtsgrond.
De rechtbank kan dit betoog niet volgen. Eiser zat eerst in vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59a van de Vw. Deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, heeft in de uitspraak van 30 september 2026 geoordeeld dat het opleggen van die maatregel van vreemdelingenbewaring niet onrechtmatig is. In deze procedure staat de rechtmatigheid van de eerdere maatregel op grond van artikel 59a van de Vw niet ter beoordeling en gaat de rechtbank, gezien die uitspraak van 30 september 2026, uit van de rechtmatigheid van die eerdere maatregel. Eiser was dus al op grond van een rechtmatige maatregel van vreemdelingenbewaring in de macht van verweerder zodat niet gezegd kan worden dat zijn overbrenging voor verhoor op 3 oktober 2026 moet worden gezien als een onrechtmatige ophouding. De rechtbank stelt vast dat er geen sprake is geweest van ophouding op 3 oktober 2026. Eiser kon dus ook geen beroep instellen bij de rechtbank tegen de gestelde ophouding en daarom verklaart de rechtbank zich onbevoegd van dit beroep kennis te nemen.
Over het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vw omdat hij illegaal in Nederland verblijft, een geldige asielstatus heeft in Frankrijk en geen gevolg heeft gegeven aan het bevel zich onmiddellijk naar Frankrijk te begeven. Op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vw wordt het belang van de openbare orde geacht de vreemdelingenbewaring van de vreemdeling te vorderen indien de voor de terugkeer van de vreemdeling noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn, dan wel binnen korte termijn voorhanden zullen zijn.
Heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat de voor de terugkeer van eiser noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn, dan wel binnen korte termijn voorhanden zullen zijn?
5. Eiser voert aan dat in de bewaringsmaatregel geen enkele overweging staat waaruit blijkt dat de noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn, dan wel binnen korte termijn voorhanden zullen zijn. In het besluit staat enkel dat verweerder op 21 september 2026 de Franse autoriteiten heeft verzocht om eiser terug te nemen op grond van een terug- en overnameovereenkomst. Volgens eiser is er allang een korte termijn verstreken, maar is eiser nog steeds niet overgedragen. Daarom staat volgens eiser vast dat zijn vrijheid onrechtmatig is ontnomen.
Deze beroepsgrond slaagt en de rechtbank overweegt daartoe als volgt. Voor inbewaringstelling op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vw is vereist dat de voor de terugkeer van de vreemdeling noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn, dan wel binnen korte termijn voorhanden zullen zijn. In dit geval heeft verweerder in de maatregel van bewaring daarover vermeld dat, ten tijde van het opleggen van de maatregel, zicht op overdracht bestaat omdat eiser beschikt dan wel binnenkort zal beschikken over een geldig reisdocument voor terugkeer naar Frankrijk. De rechtbank constateert echter dat verweerder niet concreet benoemt wat nu de noodzakelijke bescheiden zijn en evenmin concretiseert binnen welke termijn die alsnog voorhanden zullen zijn. Er is hierom sprake van een motiveringsgebrek in de bestreden maatregel. Uit het dossier blijkt slechts dat verweerder op 21 september 2026 de Franse autoriteten heeft gevraagd te onderzoeken of zij aan eiser een verblijfsvergunning hebben verleend en of eiser mag terugkeren naar Frankrijk. Op 3 oktober 2026 heeft verweerder de eerdere maatregel omgezet naar de bestreden maatregel op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vw. Op 9 oktober 2026 heeft verweerder nog stukken toegevoegd aan het dossier maar daaruit blijkt niet dat er nog contact is geweest met de Franse autoriteiten of dat er inmiddels reisbescheiden zijn. Het recentste stuk betreft het verslag van een vertrekgesprek met eiser op 22 september 2026, waaruit blijkt dat er nog geen informatie is verkregen van de Franse autoriteiten. Ook op de zitting van 12 oktober 2026 heeft verweerder niet concreet kunnen maken wanneer de noodzakelijke bescheiden voorhanden zullen zijn. De rechtbank verwijst in dit kader ook naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 7 maart 2022. In lijn met die uitspraak concludeert de rechtbank dat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 59, tweede lid, van de Vw. Dit betekent dat deze maatregel van vreemdelingenbewaring van aanvang af onrechtmatig is.
Nu het beroep gegrond is, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen zoals eiser heeft verzocht.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan op 3 oktober 2026 onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag, 14 oktober 2026.
Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 12 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 12 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.440,-.
Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart zich onbevoegd ten aanzien van het beroep tegen de gestelde ophouding;
- verklaart het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.440,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kraefft, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Nederpel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.