ECLI:NL:RBDHA:2026:30930

ECLI:NL:RBDHA:2026:30930

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 09-10-2026
Datum publicatie 21-10-2026
Zaaknummer NL26.49925 (beroep) en NL26.49926 (verzoek om voorlopige voorziening)
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Voorlopige voorziening+bodemzaak

Samenvatting

Eiser komt uit Afghanistan. Hij is in 2021 gevlucht. Hij heeft asiel gekregen in Griekenland. Na een verblijf van één maand en vijf dagen is hij naar Nederland gekomen en heeft hij hier opnieuw asiel gevraagd. Verweerder heeft dit afgewezen omdat hij naar Griekenland terug kan. Daar is eiser het niet mee eens. Daarom heeft hij beroep ingesteld. De rechtbank oordeelt hierover in deze uitspraak. De rechtbank stelt aan de hand van de informatie over statushouders in Griekenland vast dat zij vaak op substantiële problemen stuiten. Dit geldt te meer voor terugkerende statushouders. Het is voor hen moeilijk om huisvesting, toegang tot de legale arbeidsmarkt en sociale voorzieningen zoals gezondheidzorg te krijgen. Er is wel hulp voorhanden maar de vraag overstijgt het aanbod. Gezien een recent arrest van het EHRM, D.O. en L.A. tegen Zweden, is de situatie echter niet zo ernstig dat een statushouder zoals eiser na terugkeer in Griekenland in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie terecht komt. Er is dus geen sprake van strijd met artikel 4 van het Handvest of artikel 3 van het EVRM, ondanks dat eiser na terugkeer in Griekenland waarschijnlijk niet op korte termijn in al zijn materiële behoeften zal kunnen voorzien. Verweerder heeft verder kunnen tegenwerpen dat eiser zelfredzaam is. Het is niet onredelijk dat verweerder dit criterium heeft toegepast gezien het arrest Ibrahim. Verweerder heeft daarbij terecht eisers persoonlijke situatie betrokken, en dus ook zijn situatie in die periode van één maand en vijf dagen. Eiser had toen huisvesting en soms ook werk. Eiser heeft verder last gekregen van depressieve klachten maar met medicatie gaat het goed, en aangenomen wordt dat eiser die medicatie ook in Griekenland voorhanden kan hebben. Het beroep wordt daarom afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

[eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Samenvatting

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: NL26.49925 (beroep) en NL26.49926 (verzoek om voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

(gemachtigde: mr. S.L. Sarin),

en

(gemachtigde: mr. A.A. van Vliet).

1. Eiser komt uit Afghanistan. Hij is in 2021 gevlucht. Hij heeft asiel gekregen in Griekenland. Na een verblijf van één maand en vijf dagen is hij naar Nederland gekomen en heeft hij hier opnieuw asiel gevraagd. Verweerder heeft dit afgewezen omdat hij naar Griekenland terug kan. Daar is eiser het niet mee eens. Daarom heeft hij beroep ingesteld. De rechtbank oordeelt hierover in deze uitspraak.

De rechtbank stelt aan de hand van de informatie over statushouders in Griekenland vast dat zij vaak op substantiële problemen stuiten. Dit geldt te meer voor terugkerende statushouders. Het is voor hen moeilijk om huisvesting, toegang tot de legale arbeidsmarkt en sociale voorzieningen zoals gezondheidzorg te krijgen. Er is wel hulp voorhanden maar de vraag overstijgt het aanbod. Gezien een recent arrest van het EHRM, D.O. en L.A. tegen Zweden, is de situatie echter niet zo ernstig dat een statushouder zoals eiser na terugkeer in Griekenland in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie terecht komt. Er is dus geen sprake van strijd met artikel 4 van het Handvest of artikel 3 van het EVRM, ondanks dat eiser na terugkeer in Griekenland waarschijnlijk niet op korte termijn in al zijn materiële behoeften zal kunnen voorzien.

Verweerder heeft verder kunnen tegenwerpen dat eiser zelfredzaam is. Het is niet onredelijk dat verweerder dit criterium heeft toegepast gezien het arrest Ibrahim. Verweerder heeft daarbij terecht eisers persoonlijke situatie betrokken, en dus ook zijn situatie in die periode van één maand en vijf dagen. Eiser had toen huisvesting en soms ook werk. Eiser heeft verder last gekregen van depressieve klachten maar met medicatie gaat het goed, en aangenomen wordt dat eiser die medicatie ook in Griekenland voorhanden kan hebben.

Het beroep wordt daarom afgewezen.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 8 juli 2026 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft die aanvraag met het besluit van 20 augustus 2026 niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 23 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Asielrelaas en achtergrond

3. Eiser heeft de Afghaanse nationaliteit en is geboren op [datum] 1994. Eiser is in 2021 gevlucht uit Afghanistan. Hij is na een verblijf in Turkije naar Griekenland gegaan. Daar heeft hij op 20 januari 2025, net als zijn moeder, een asielstatus gekregen. Eiser is ook in het bezit van een bewijs daarvan, de Griekse verblijfskaart ‘ADET’, en die is geldig tot 20 januari 2028. Eiser is niet in het bezit van een AFM (Grieks belastingnummer), een AMKA (Grieks sociaal verzekeringsnummer, benodigd voor toegang tot gratis gezondheidszorg) of een AMA (verzekeringsnummer).

Eiser is na de verkrijging van asielstatus met zijn moeder nog enkele maanden in de opvang gebleven samen. Toen zijn zij naar Duitsland gegaan, waar zij familie hebben. Eisers moeder heeft daar asiel gekregen. Eiser moest echter terug naar Griekenland vanwege zijn Griekse vluchtelingenstatus.

Na een verblijf in Griekenland van één maand en vijf dagen is hij naar Nederland gegaan en heeft hij hier asiel aangevraagd. Eiser heeft verklaard dat hij is weggegaan uit Griekenland omdat hij daar niet kon leven. Hij kon geen huis huren, het was heel moeilijk om werk te vinden en hij kreeg psychische problemen. Eiser heeft verder verklaard uit Afghanistan te zijn vertrokken vanwege persoonlijke problemen en vrees voor de Taliban.

Het bestreden besluit

4. Verweerder heeft eisers asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 38, eerste lid, onder c, van de Verordening (EU) 2024/1638 (de Procedureverordening). Eiser heeft al internationale bescherming in Griekenland en een ADET. Er is geen sprake van een situatie als bedoeld in het arrest Ibrahim voor in Griekenland terugkerende statushouders mits zij zelfredzaam zijn. Eiser is zelfredzaam. Dit is zo gelet op zijn persoonlijke omstandigheden, daaronder begrepen zijn laatste verblijf in Griekenland. Verweerder draagt eiser daarom op om meteen terug te gaan naar Griekenland op grond van artikel 62a, derde lid, van de Vreemdelingenwet (Vw).

Geschil

5. Eiser stelt dat de situatie in Griekenland voor terugkerende statushouders zo slecht is dat zij het risico zullen lopen om te worden behandeld in strijd met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM. Verweerder neemt ten onrechte het standpunt in dat de hoge lat van het arrest Ibrahim niet wordt gehaald. Daarnaast stelt eiser dat verweerder hem ten onrechte tegenwerpt dat hij zelfredzaam is.

Juridisch kader

6. De aanvraag van eiser is van na 12 juni 2026, dus de Procedureverordening is van toepassing. In artikel 38 van de Procedureverordening staat:

“de beslissingsautoriteit kan de ontvankelijkheid van een verzoek beoordelen overeenkomstig de fundamentele beginselen en waarborgen van hoofdstuk II, en kan op grond van het nationale recht bevoegd worden gemaakt om een verzoek niet-ontvankelijk te verklaren wanneer een van de volgende gronden van toepassing is: (...)

c. een andere lidstaat dan de lidstaat die het verzoek behandelt, heeft de verzoeker internationale bescherming verleend.”

Het uitgangspunt hierbij is dat verweerder in het algemeen mag uitgaan van het vermoeden dat de behandeling van een vreemdeling in een lidstaat waar hij of zij internationale bescherming geniet, in overeenstemming is met de bepalingen van het Handvest, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM (het zogenoemd interstatelijk vertrouwensbeginsel). Het is dan in beginsel aan de vreemdeling om dit vermoeden te weerleggen.

Uit het arrest Ibrahimvolgt dat de lidstaten van de bevoegdheid om een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk te verklaren geen gebruik kunnen maken als de vreemdeling bij terugkeer naar de lidstaat die hem internationale bescherming heeft geboden, het risico loopt om te worden behandeld in strijd met artikel 4 van het Handvest. Niet kan worden uitgesloten, ondanks het uitgangspunt van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, dat statushouders in een lidstaat het risico lopen om te worden behandeld in strijd met artikel 4 van het Handvest. Dit is het geval indien de verwachting bestaat dat de omstandigheden bij terugkeer een ‘bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid’ zullen bereiken. Deze drempel wordt bereikt wanneer de onverschilligheid van de autoriteiten van de betrokken lidstaat ertoe leidt dat iemand die volledig afhankelijk is van overheidssteun, buiten zijn eigen wil en keuzes om, terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie, waardoor hij niet kan voorzien in zijn belangrijkste basisbehoeften en waardoor zijn gezondheid zou worden geschaad of zijn leefomstandigheden mensonwaardig zouden worden.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in haar uitspraken van 28 juli 2021 geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Griekenland niet zonder meer kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Meer concreet kan verweerder er niet zonder meer van uitgaan dat de leefomstandigheden die statushouders bij terugkeer in Griekenland te verduren krijgen niet de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid van het arrest Ibrahim bereiken. De Afdeling heeft in die uitspraken overwogen dat de Griekse autoriteiten weliswaar niet onverschillig staan tegenover de situatie van statushouders, maar dat zij in de praktijk vaak niet kunnen voorkomen dat statushouders in een situatie terechtkomen waarin zij niet kunnen voorzien in de belangrijkste basisbehoeften, zoals wonen, eten en zich wassen.

Naar aanleiding van deze uitspraken van de Afdeling heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken de situatie van statushouders in Griekenland nader onderzocht. Op 24 juni 2022 is het eerste ‘verslag feitenonderzoek naar statushouders in Griekenland’ gepubliceerd. Op 3 september 2024 is het tweede ‘verslag feitenonderzoek naar statushouders in Griekenland’ gepubliceerd. Naar aanleiding van de verslagen heeft verweerder in IB 2022/84 een vaste gedragslijn neergelegd voor de beoordeling van asielaanvragen van Griekse statushouders. Daarna is IB 2022/84 vervangen door IB 2024/31, welke is vervangen door IB 2025/20, welke is vervangen door IB 2026/1, welke ten slotte weer is vervangen door IB 2026/31, geldend vanaf 25 augustus 2026.

Met het bestreden besluit heeft verweerder zijn beleid toegepast zoals neergelegd in IB 2026/1. Partijen hebben ter zitting bevestigd dat thans het beleid vervat in IB 2026/31 van toepassing is.

In het beleid van verweerder vervat in IB 2026/31 staat het zelfredzaamheidscriterium. Volgens dit criterium is een vreemdeling – voor zover relevant – zelfredzaam als hij een volwassen, alleenstaande man is en beschikt over een geldige Griekse verblijfsvergunning, en er geen sprake is van “omstandigheden die de zelfredzaamheid van de vreemdeling (significant) belemmeren”. In een voetnoot staat dat de situatie van een individuele vreemdeling relevant is, in het bijzonder in hoeverre de vreemdeling in staat is om zich zelfstandig te handhaven, ondanks eventuele kwetsbaarheden, zijn (medische) situatie en overige omstandigheden. Wanneer een vreemdeling wordt aangemerkt als zelfredzaam, gaat verweerder ervan uit dat hij in Griekenland niet in een situatie terechtkomt van zeer verregaande materiële deprivatie.

Het EHRM heeft op 7 juli 2026 het arrest D.O. en L.A. tegen Zweden gewezen.In dit arrest heeft het EHRM geoordeeld over een oude Syrisch echtpaar, geboren in 1965 en 1955, met een Griekse beschermingsstatus. De man kampte met fysieke beperkingen vanwege een hersenbloeding en de vrouw had last van mentale problemen. Ondanks medische informatie die inhield dat uitzetting voor de man tot een situatie zou leiden die ‘harmful’ en ‘unacceptable from a humanitarian perspective’ zou zijn, oordeelde het EHRM dat zij bij terugkeer niet het risico zouden lopen om te worden behandeld in strijd met artikel 4 van het Handvest. Redengevend was onder andere dat zij weliswaar niet konden werken en daardoor niet een AMKA konden krijgen, maar dat zij volgens de Griekse regels toch recht zouden hebben op gratis gezondheidszorg omdat zij als kwetsbare personen kunnen worden aangemerkt, dan wel behandeling en medicatie zouden kunnen krijgen tegen betaling. Het EHRM overwoog daarbij dat volgens de Zweedse autoriteiten de Griekse autoriteiten zouden worden geïnformeerd over hun medische situatie, zij een voorraad medicatie zouden meekrijgen en dat familie in Zweden hen al dan niet op afstand kan ondersteunen, onder andere financieel.

Zal een zelfredzame statushouder bij terugkeer in Griekenland in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie terecht komen?

7. Eiser heeft gesteld dat de situatie waarin hij na terugkeer naar verwachting terecht in zal komen, de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid uit het arrest Ibrahim zal bereiken. Hij zal daardoor in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie terecht komen. Dit geldt, zo stelt eiser, ook voor de door verweerder onderscheiden categorie van zelfredzamen. Eiser heeft zich hierbij beroepen op de volgende landeninformatie:

- een rapport uit juni 2026 van AIDA over de situatie in Griekenland in 2025,

- een rapport uit mei 2026 van NAOMI Thessaloniki, genaamd “Report on the Situation of Returnees and Beneficiaries of International Protection in Greece”,

- een rapport van April 2026 van Stiftung Pro Asyl en RSA over Griekenland, genaamd “Recognised Refugees; Access of beneficiaries of international protection to documents and socio-economic rights”.

Verder heeft eiser zich beroepen op recente uitspraken van de rechtbank Den Haag.

De rechtbank volgt het standpunt van verweerder, zoals dat is aangevuld in beroep. Dit wordt als volgt uitgelegd. Daarbij wordt als uitgangspunt aangehouden dat eiser zelfredzaam is. Verweerder heeft immers in beleid vastgelegd dat dit een voorwaarde is voor terugkeer, omdat degene in Griekenland niet in een situatie terechtkomt van zeer verregaande materiële deprivatie. Of dit voor eiser ook het geval is, wordt in overwegingen 9 en verder beoordeeld.

Verweerder heeft verwezen naar de mededeling van de Europese Commissie van 4 april 2025 over de status van migratiebeheer op het Griekse vasteland en de positie van statushouders. Daaruit lijkt te blijken van een verbetering van de situatie in Griekenland. Ook heeft verweerder gewezen op de verbeterde economische situatie in Griekenland sinds 2021. Uit de door eiser ingebrachte rapporten blijkt dat er meer aandacht is voor de problemen van statushouders bij het vinden van huisvesting, legaal werk en toegang tot sociale voorzieningen waaronder gezondheidzorg. De Griekse autoriteiten, al dan niet met hulp van Europese instellingen, als ook NGO’s en kerken houden zich bezig met die hulp. De rechtbank begrijpt dat er geen sprake is van onverschilligheid van de autoriteiten. Dit was in 2021 echter ook niet het geval.

Tegelijk blijkt uit de door eiser ingebrachte informatie dat de problemen voor statushouders bijzonder groot zijn. Dit wordt onder andere veroorzaakt doordat de schaal van de geboden hulp ver achterblijft bij de werkelijke behoeften. Er zijn praktische obstakels, zoals wachttijden, termijnen waarbinnen om hulp moet worden gevraagd en voorwaarden voor hulp zoals dat de statushouder legaal werk heeft of een sociale verzekeringsnummer (AMKA) en een belastingnummer (AFM) heeft. Statushouders ervaren vaak substantiële problemen met het verkrijgen van bijvoorbeeld een AFM of AMKA, terwijl deze noodzakelijk zijn voor toegang tot legaal werk, formele of informele huisvesting waaronder begrepen de opvang voor daklozen door NGO’s en kerken, en sociale voorzieningen zoals gratis gezondheidszorg. Dit leidt uiteindelijk tot een reëel risico op uitbuiting. In de rapporten van RSA/Stifting Asylum en NAOMI Thessaloniki wordt er expliciet op gewezen dat die problemen in meerdere mate gelden terugkeerders zoals eiser. Zelfs uit de mededeling van de Europese Commissie, waar verweerder op heeft gewezen, blijkt enerzijds dat sprake is van ontwikkelingen ten aanzien van de integratie van statushouders, maar anderzijds niet van een daadwerkelijk voldoende verbetering van hun situatie in Griekenland. Er wordt namelijk ook in dit stuk vermeld dat er reële obstakels zijn in verband met de uitgifte van verblijfsdocumenten en andere basale documenten (zoals voor zorgverzekering, bankrekeningen en belastingzaken), en in verband met toegang tot werk, onderwijs en huisvesting. Uit de landeninformatie is daarom naar het oordeel van de rechtbank niet af te leiden dat de situatie voor statushouders in Griekenland zoals eiser ten opzichte van die in 2021 in structurele en voldoende mate is verbeterd.

Echter, verweerder heeft terecht gewezen op het recente arrest van het EHRM D.O. en L.A. tegen Zweden. De statushouders in die zaak waren kwetsbaar. Desalniettemin heeft het EHRM geoordeeld dat zij bij terugkeer naar Griekenland niet in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie zullen belanden. In dit arrest heeft het EHRM overwogen dat artikel 3 van het EVRM niet ertoe verplicht dat lidstaten iedere vreemdeling binnen hun landsgrenzen voorziet van een huis of financiële hulp om een bepaalde levensstandaard te behouden. Ook heeft het EHRM overwogen dat de situatie van personen die internationale bescherming genieten, in welk land dan ook, onvermijdelijk ontberingen, verlies, problemen en uitdagingen met zich meebrengt, of deze nu van financiële, taalkundige, administratieve of praktische aard zijn, met inbegrip van het vinden van geschikte huisvesting. De rechtbank begrijpt uit deze – algemene – overwegingen dat informele huisvesting en informeel werk voldoende zijn, ondanks het hiermee samenhangende risico op uitbuiting, en dat een zwaar bestaan acceptabel is, uiteraard binnen de grens van artikel 3 van het EVRM. Maar het EHRM vindt dat die grens niet is bereikt.

De rechtbank wijst er nog op dat het EHRM in de zaak D.O. en L.A. tegen Zweden informatie van RSA/Stifting Asylum heeft betrokken. Dit betreft minder recente informatie dan het rapport van RSA/Stifting Asylum waar eiser zich op heeft beroepen. Aannemelijk is echter dat dit geen wezenlijk ander beeld geeft dan de oudere informatie van die organisatie. Dit heeft ook te gelden voor het rapport van NAOMI Thessaloniki: aannemelijk is dat het geen wezenlijk ander beeld geeft dan de informatie die het EHRM bij die zaak heeft betrokken.

Dit alles betekent dat eiser na terugkeer in Griekenland waarschijnlijk niet op korte termijn in al zijn materiële behoeften zal kunnen voorzien. Gezien het arrest D.O. en L.A. tegen Zweden betekent dit echter niet dat eiser niet terecht zal komen in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie zoals bedoeld in het arrest Ibrahim. Er is dus geen sprake van strijd met artikel 4 van het Handvest of artikel 3 van het EVRM.

Wel is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd. In het besluit is niet verwezen naar de uitspraak van de Afdeling over de situatie in Griekenland van 28 juli 2021. Er is ook niet gesteld of onderbouwd dat sprake is van een verbetering ten opzichte van de ten tijde van die uitspraak geldende omstandigheden in Griekenland. Er is wel verwezen naar IB 2026/1, maar daarin is ook geen relevante landeninformatie opgenomen. De in het besluit zelf opgenomen landeninformatie betreft, voor zover de linkjes al werken, de beschikbaarheid van informatie voor statushouders. Het geeft dus geen beeld van de werkelijke situatie in Griekenland voor hen. De landeninformatie betreft verder de jaren 2022, 2023 en 2024, terwijl het besluit uit 2026 is en meer recente informatie voldoende beschikbaar is. De landeninformatie uit 2024 betreft het tweede verslag feitenonderzoek naar statushouders in Griekenland. De rechtbank is van oordeel dat uit dit tweede verslag juist blijkt dat er nog steeds grote problemen zijn voor Griekse statushouders en dat mogelijk zelfs sprake is van een verslechtering. De rechtbank verwijst in dit verband naar rechtsoverweging 12.2 van de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 3 september 2026.Ten tijde van het besluit waren de veel recentere rapporten waar eiser zich op heeft beroepen, dus allemaal al voorhanden. Het is onbegrijpelijk dat verweerder niet in ieder geval het rapport van AIDA over 2025 heeft betrokken in zijn besluit. Dit alles betekent dat het beroep slaagt. Tegelijk ziet de rechtbank gezien het voorgaande reden voor het in stand laten van de rechtsgevolgen. Met de in beroep gegeven aanvullende motivering van het besluit is het besluit alsnog goed onderbouwd.

Heeft verweerder terecht tegengeworpen dat eiser zelfredzaam is?

8. Eiser heeft gesteld dat hij niet zelfredzaam is. Verweerder heeft teveel waarde gehecht aan het feit dat hij in de laatste periode dat hij in Griekenland was, huisvesting had en vijf dagen heeft gewerkt. Tijdens dat verblijf in Griekenland waren de omstandigheden heel slecht. Ook verwacht verweerder ten onrechte van eiser dat hij zijn positie bij terugkeer kan verbeteren. Verder wijst eiser op zijn medische situatie. Mede door de slechte leefsituatie in Griekenland heeft eiser last gekregen van een depressieve stoornis en werd hij suïcidaal. Dat is ook de reden dat hij, met hulp van familie in Nederland en Duitsland, naar Nederland is gekomen. Hij krijgt nu de noodzakelijke medicatie (antidepressiva en kalmeringsmiddelen) en staat op de wachtlijst voor psychologische behandeling. Ook heeft hij last van fysieke problemen zoals maagklachten.

De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht heeft tegengeworpen dat eiser zelfredzaam is. Dit wordt hierna uitgelegd.

Heeft verweerder het criterium van zelfredzaamheid terecht toegepast?

Verweerder heeft in beroep uitgelegd dat het criterium van zelfredzaamheid is gebaseerd op de zinssnede ‘buiten zijn eigen wil en keuzes om’ uit het arrest Ibrahim. De rechtbank volgt dat gelet op die zinssnede van een statushouder mag worden verwacht dat hij zich naar beste kunnen, binnen de grenzen van de redelijkheid, zal inspannen om zijn levensomstandigheden in de lidstaat die hem internationale bescherming heeft verleend, vorm te geven. Uitgangspunt is immers de wil zich te handhaven. Daarbij moet rekening worden gehouden met de capaciteiten van de betreffende statushouder. Deze kunnen worden afgeleid uit zijn persoonlijke omstandigheden, zoals eerder gedrag en eerdere ervaringen, zijn vermogen om een taal te leren, zijn gezondheidstoestand.

Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank aan voornoemde zinssnede het criterium van zelfredzaamheid mogen koppelen. Daarbij wordt ook gewezen op de in IB 2026/31 gegeven interpretatie van dat begrip. Er moet immers rekening worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de statushouder als die zijn mogelijkheden om zich in te spannen in negatieve zin beïnvloeden. Niet vereist is dat sprake is van een “significante” belemmering; rekening moet worden gehouden met alle belemmeringen. Aangenomen kan verder worden dat een gemiddelde volwassen, alleenstaande en gezonde mannelijke statushouder aan dit criterium voldoet.

Voldoet eiser aan het criterium van zelfredzaamheid?

Volgens het beleid van verweerder is – voor zover van belang – voor zelfredzaamheid vereist dat eiser een alleenstaande, volwassen man is die een Griekse asielstatus heeft. Dat is het geval. Verder heeft verweerder betrokken dat eiser beschikt over een geldige ADET. Dat is terecht betrokken. Het betekent namelijk dat eiser niet getroffen zal worden door bureaucratische problemen die spelen bij de verkrijging van de ADET.

De rechtbank oordeelt gezien het voorgaande dat verweerder rekening mag houden met de leefsituatie van eiser in de periode dat hij laatstelijk in Griekenland verbleef. Dat verweerder daaruit afleidt dat sprake is van een zekere mate van zelfredzaamheid, volgt de rechtbank ook. De periode was vrij kort, maar wat eiser hierover heeft verklaard wijst er wel op dat eiser in staat is om voor zichzelf te zorgen. Hij is er namelijk in geslaagd in die periode zonder hulp van derden werk en huisvesting te vinden. Dat het regelen van werk maar voor vijf dagen is gelukt, het illegaal werk was en hij bij dat werk, naar eigen zeggen, werd uitgebuit, betekent niet dat eiser niet zelfredzaam is. Het verdiende bedrag van € 250 is substantieel. Dat dit bedrag grotendeels aan huur is uitgegeven en eiser naar eigen zeggen weinig at en soms honger had, en dat eisers huisvesting bestond uit één kamer die hij deelde met meerdere andere mannen, maakt ook niet dat eiser niet zelfredzaam is. Verweerder stelt terecht dat eiser zijn leefomstandigheden bij langer verblijf had kunnen verbeteren. Eiser kan bij terugkeer ook alsnog hulp zoeken bij organisaties. Weliswaar blijkt uit landeninformatie dat hij in de praktijk niet direct hulp kan verwachten van autoriteiten en NGO's, maar hij wordt wel geacht dit te proberen en de beperkte hulp die mogelijk is in te roepen. Er zijn voorts geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan eiser de Griekse taal niet zou kunnen leren. Daarom kan ook van hem worden verwacht dat hij dit doet, terwijl aannemelijk is dat Griekse taalvaardigheid zijn leefsituatie zal verbeteren. Ook kan eiser gebruik maken van eerdere en nieuwe contacten in Griekenland, en van het feit dat hij de situatie ter plekke inmiddels enigszins kent.

De rechtbank volgt ook verweerders standpunt dat eisers medische situatie niet dusdanig is dat hij niet zelfredzaam is. Eiser heeft gesteld aan een depressieve stoornis te lijden, maar dit is niet onderbouwd met een verklaring van een medisch deskundige. Gezien eisers verklaringen en het standpunt van verweerder volgt de rechtbank wel dat eiser depressieve klachten heeft gehad en daarvoor medicatie krijgt voorgeschreven. De rechtbank acht echter aannemelijk dat eiser zelfredzaam is, juist dankzij die medicatie. De rechtbank begrijpt namelijk dat de medicatie hem daadwerkelijk helpt. Hij is daarmee dus niet kwetsbaar. Ook volgt de rechtbank verweerder erin dat eiser, als hij naar Griekenland terugkeert, een voorraad medicijnen kan meenemen. Verder kan eiser hulp krijgen van zijn familie in Nederland en Duitsland en is niet bestreden dat zijn medicatie in Griekenland tegen betaling voorhanden is. Dat eiser geen AMKA heeft en deze niet snel zal krijgen,bijvoorbeeld omdat daarvoor vereist is dat hij legaal werk heeft, betekent dus niet dat hij geen toegang heeft tot de benodigde medicatie. Wat verder is gesteld over eisers fysieke problemen is niet zo ernstig dat dit zijn zelfredzaamheid beperkt.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond omdat het een motiveringsgebrek bevat. Verweerder heeft het bestreden besluit onvoldoende onderbouwd. Het bestreden besluit komt daarom vernietiging in aanmerking. Zij laat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dat betekent dat eiser terug zal moeten naar Griekenland.

Aangezien de rechtbank deze beslissing neemt over eisers beroep, is er geen aanleiding meer om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daartoe dan ook af.

Gezien de beslissing over eisers beroep, dient verweerder te worden veroordeeld in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten bedragen op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in totaal € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift, € 934,- per punt en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van €1.868,-.

De voorzieningenrechter:- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;- veroordeelt verweerder in de proceskosten van € 934,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.N. van Rijn, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Poortier, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor zover dat ziet op het beroep, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand