ECLI:NL:RBDHA:2026:30931

ECLI:NL:RBDHA:2026:30931

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 05-10-2026
Datum publicatie 21-10-2026
Zaaknummer NL26.30234
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Voorlopige voorziening+bodemzaak

Samenvatting

Asiel Nigeria. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit maar laat de rechtsgevolgen hiervan in stand. De rechtbank komt namelijk zelf tot het oordeel dat het verzoek om internationale bescherming van eiser ongegrond is. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in Nigeria vanwege zijn politieke overtuiging door de autoriteiten zal worden vervolgd of dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

[eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser/verzoeker

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Samenvatting

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: NL26.30234 (beroep), NL26.46738 (beroep), NL26.46739 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

(gemachtigde: mr. R. Achttienribbe),

en

(gemachtigde: mr. R.I. Schreinemachers).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de asielaanvraag niet op juiste gronden heeft afgewezen. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit maar laat de rechtsgevolgen hiervan in stand. De rechtbank komt namelijk zelf tot het oordeel dat het verzoek om internationale bescherming van eiser ongegrond is. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in Nigeria vanwege zijn politieke overtuiging door de autoriteiten zal worden vervolgd of dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 8 maart 2015 zijn eerste asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen op 8 oktober 2015. Het beroep hiertegen is door deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, bij uitspraak van 26 januari 2016 ongegrond verklaard. Deze uitspraak staat in rechte vast.

Eiser heeft op 6 mei 2021 zijn tweede asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag op 28 juli 2022 als kennelijk ongegrond afgewezen. De meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, heeft dit beroep bij uitspraak van 22 oktober 2024 gegrond verklaard. Eiser is tegen deze uitspraak in hoger beroep gegaan. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft het hoger beroep bij uitspraak van 6 november 2024 ongegrond verklaard. Verweerder heeft eiser op 19 juni 2025 aanvullend gehoord. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder op 17 oktober 2025 de asielaanvraag wederom afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep hiertegen is bij uitspraak van 26 maart 2026 door deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, gegrond verklaard en het besluit van 17 oktober 2025 vernietigd.

Eiser heeft op 31 mei 2026 beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag (geregistreerd onder zaak nummer NL26.30234). Verweerder heeft met het bestreden besluit van 12 augustus 2026 de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond. Op 16 augustus 2026 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit (geregistreerd onder zaak nummer NL26.46738) en verzocht om een voorlopige voorziening.

De rechtbank heeft de beroepen en het verzoek op 25 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Het beroep met zaaknummer NL26.30234

Het uitblijven van een beslissing

3. De rechtbank stelt vast dat verweerder op grond van de uitspraak van 26 maart 2026 vier weken had om een nieuw besluit op de aanvraag van eiser te nemen. Eiser heeft verweerder op 13 mei 2026 in gebreke gesteld en toen verweerder meer dan twee weken later nog geen besluit had genomen, beroep in gesteld tegen het uitblijven van een beslissing. Eiser heeft dus terecht beroep ingesteld. Op 12 augustus 2026 heeft verweerder alsnog op de aanvraag beslist. Op dit moment heeft eiser daarom geen belang meer bij de beoordeling van een beroep niet-tijdig. In zoverre is het beroep dan ook niet-ontvankelijk. Het beroep is echter op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ook gericht tegen het besluit van 12 augustus 2026. Daarin is verweerder immers niet aan eisers wens om een asielvergunning te krijgen tegemoet gekomen. De rechtbank zal de vraag of verweerder eisers aanvraag terecht heeft afgewezen hieronder beoordelen.

Het asielrelaas

4. Eiser legt het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag. Eiser heeft de Nigeriaanse nationaliteit en is geboren op [datum] 1979. Hij is van Igbo afkomst en is actief voor de IPOB, die zich inzetten voor de onafhankelijkheid van Biafra. In 2013 heeft eiser zich bij deze beweging aangesloten en zich ingezet voor de beweging. Nadat eiser Nigeria in 2014 heeft verlaten, heeft hij zich in 2018 bij de IPOB in Nederland aangesloten. In Nederland gaat eiser naar en helpt bij vergaderingen, demonstraties en andere activiteiten van de IPOB. Eiser zou bij terugkeer naar Nigeria voornemens zijn om zijn politieke activiteiten voor de IPOB voort te zetten. Hierdoor loopt hij het risico om in Nigeria door de autoriteiten gearresteerd of gedood te worden. Bovendien vreest eiser dat de Nigeriaanse autoriteiten al op de hoogte zijn van zijn activiteiten in Nederland, waardoor hij bij terugkeer gevaar zal lopen.

Het bestreden besluit

5. Verweerder stelt de volgende asielmotieven vast:

1. identiteit, nationaliteit en herkomst;

2. politieke overtuiging;

3. activiteiten voor de IPOB.

Verweerder vindt de eerste twee asielmotieven geloofwaardig en het derde asielmotief deels geloofwaardig. Verweerder vindt dit deels geloofwaardig, omdat voor zover dit asielmotief ziet op de activiteiten die eiser voor de IPOB verricht zou hebben in Nigeria, de ongeloofwaardigheid hiervan reeds is vast komen te staan in de uitspraak van 22 oktober 2024. De activiteiten die eiser voor de IPOB in Nederland heeft verricht, gelooft verweerder wel. Ten aanzien van de politieke overtuiging van eiser, stelt verweerder dat uit de verklaringen van eiser niet blijkt dat deze zo sterk is dat hij deze niet voor zich kan houden. De activiteiten die eiser in Nederland voor de IPOB heeft verricht zijn bovendien volgens verweerder gering en niet blijkt dat eiser een speciale of zichtbare rol vervult binnen de IPOB in Nederland. Hierdoor is het voor verweerder niet aannemelijk dat de Nigeriaanse autoriteiten op de hoogte zouden zijn van zijn activiteiten in Nederland. Bovendien vindt verweerder niet aannemelijk dat eiser zich actief zal uiten bij terugkeer naar Nigeria, zoals eiser zelf wel stelt.

Verweerder wijst de asielaanvraag van eiser af als kennelijk ongegrond, op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw.

Heeft verweerder aan de opdracht van de uitspraak van 26 maart 2026 voldaan?

6. Eiser voert aan dat verweerder, naar aanleiding van de uitspraak van 26 maart 2026, zijn asielrelaas niet juist heeft beoordeeld. Verweerder heeft, tegen de opdracht van de uitspraak van 26 maart 2026 in, nagelaten om nader onderzoek te doen naar landeninformatie over monitoring door de Nigeriaanse autoriteiten in het buitenland en herhaalt enkel stellingen uit het vorige besluit. De informatie waar verweerder naar verwijst, heeft bovendien geen betrekking op de monitoring van IPOB-leden in het buitenland. De rapportage van 2025 bevat hier geen informatie over, en in de rapportage van 2026 sluit de beschikbare informatie niet uit dat naast prominenten ook andere aanhangers van de Biafra-beweging worden vervolgd. Eiser verwijst in dit verband naar een bericht van Vluchtelingenwerk Nederland en naar een verklaring van de coördinator van de MASSOB. Uit de landeninformatie blijkt ook niet dat er geen geweld plaatsvindt tegen Biafra- aanhangers in Lagos, noch daargelaten dat er ook in de gehoren helemaal niet op in is gegaan op de plek waar eiser zich wil vestigen, dan wel op zijn vrees als hij in Lagos zal moeten terugkeren. Dit terwijl dit wel door de rechtbank aan verweerder is opgedragen om te doen.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet aan de opdracht van de uitspraak van 26 maart 2026 heeft gehouden. Hierbij overweegt de rechtbank als volgt. Uit overweging 9.2 van de uitspraak van 26 maart 2026 volgt dat verweerder uitputtend en grondig onderzoek had moeten verrichten naar monitoring in het buitenland van IPOB-aanhangers, nu uit de landeninformatie die verweerder ter onderbouwing van zijn besluit van 17 oktober 2025 gebruikt geen eenduidig beeld naar voren komt. In het bestreden besluit noemt verweerder nieuwe informatie in een EUAA rapport van november 2025. Op zitting heeft verweerder bevestigd dat dit om het EUAA Rapport ‘Nigeria: Country Focus’ gaat. Verder verwijst verweerder ook naar het rapport EUAA ‘Nigeria: Country Guidance’ van maart 2026. De rechtbank stelt vast dat het EUAA Rapport ‘Nigeria: Country Focus’ al beschikbaar was voor de rechtbank tijdens de vorige procedure. De passage uit het rapport EUAA ‘Nigeria: Country Guidance’ waar verweerder naar verwijst, is een juridische analyse gebaseerd op informatie uit hetzelfde EUAA rapport ‘Nigeria: Country Focus’. Daarnaast ziet de analyse uit het EUAA Rapport ‘Nigeria: Country Guidance’ niet op sympathisanten in het buitenland, maar Biafra-aanhangers in het algemeen. Verweerder blijkt dan ook niet in het besluit dan wel uit de toelichting op zitting, verder onderzoek gedaan te hebben naar de vraag welke Biafra-sympathisanten in het buitenland gemonitord worden.

Het beroep is daarom reeds gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. In het kader van finale geschilbeslechting zal de rechtbank hierna beoordelen of zij zelf kan voorzien in deze zaak of dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven.

Finale geschilbeslechting

7. Eiser heeft in het kader van de door hem gestelde vrees het volgende aangevoerd. Het feit dat eiser is geboren als Igbo en vanwege deze etniciteit sterke betrokkenheid voelt met het volk van Biafra, heeft verweerder bij zijn beoordeling onvoldoende betrokken. Eiser heeft duidelijk en passend bij zijn referentiekader verklaard waarom hij de strijd voor een onafhankelijk Biafra belangrijk vindt. Indien verweerder meent dat hij hier meer over had moeten verklaren, had verweerder meer moeten doorvragen. Bovendien wil eiser zijn activiteiten voor de IPOB in Nigeria voortzetten. Het standpunt van verweerder dat dit niet aannemelijk is, is onvoldoende onderbouwd. De activiteiten die eiser heeft verricht, zijn ook voldoende om aannemelijk te achten dat hij bij terugkeer naar Nigeria in de negatieve aandacht van de autoriteiten zou komen te staan. Eiser voert verder aan dat de Nigeriaanse overheid waarschijnlijk wel op de hoogte is van zijn activiteiten in Nederland. Foto’s van eiser op demonstraties in Nederland bij de IPOB Nederland zijn gepubliceerd op sociale media en/of hun website. Ook worden de activiteiten van de IPOB in het buitenland gemonitord door de Nigeriaanse autoriteiten. Eiser verwijst ook naar landeninformatie van UK Home Office waarin melding is gemaakt van een vermeende lijst waar leden van de IPOB in Nigeria en de diaspora worden aangemerkt als gezocht. Daarnaast is de Biafra-gemeenschap niet al te groot en is het verdacht dat eiser zo lang in Nederland heeft verbleven, waardoor het des te aannemelijker is dat eiser zal opvallen bij terugkeer.

In de arresten Quotal en Ebilum van 4 juni 2026 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) geoordeeld dat de rechter bevoegd is om een bindende uitspraak te doen over de gegrondheid van het verzoek om internationale bescherming. In lijn met deze jurisprudentie, komt de rechtbank met een definitief en bindend oordeel over de asielaanvraag van eiser. De rechtbank acht het verzoek ongegrond en overweegt daartoe als volgt.

Met de uitspraak van 22 oktober 2024 is al in rechte vast komen te staan dat de politieke betrokkenheid van eiser bij de IPOB in Nigeria ongeloofwaardig is. In deze zaak staat dus enkel ter beoordeling of eiser vanwege zijn politieke overtuiging en politieke betrokkenheid in Nederland een gegronde vrees voor vervolging heeft dan wel een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar Nigeria. Het Hof heeft in het arrest S en A uiteengezet hoe beoordeeld moet worden of sprake is van een gegronde vrees voor vervolging wegens een (toegedichte) politieke overtuiging. Relevante elementen voor deze beoordeling zijn de sterkte van de overtuiging van eiser en eventueel verrichtte activiteiten om deze overtuiging uit te dragen. Het is hierbij niet vereist dat de overtuiging van eiser zo diepgeworteld is dat hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst het uiten ervan niet achterwege zou kunnen laten.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser geen sterke politieke overtuiging heeft. Daarbij is voor de rechtbank allereerst van belang dat eiser in zijn eerste asielprocedure Biafra of IPOB niet heeft benoemd, dat hij voorzover bekend nooit in (de buurt van) Biafra heeft gewoond en dat hij pas drie jaar na binnenkomst contact heeft gezocht met de IPOB in Nederland. Zoals verweerder stelt in het bestreden besluit, kan eiser ook in deze procedure niet duiden waarom de strijd voor een onafhankelijk Biafra zo belangrijk is voor hem. Dat eiser Igbo is en dus Biafra in zijn bloed zou hebben, is onvoldoende verklaring om tot een sterke politieke overtuiging te komen. Eiser heeft ook niet gesteld dat of waarom de meeste Igbo in Nigeria de Biafra-beweging steunen. Dat eiser zich zorgen maakt over de situatie in Biafra en daarom een eigen land wil voor de mensen van Biafra is ook te oppervlakkig om te kunnen spreken van een sterke politieke overtuiging. Verweerder heeft verder terecht betrokken bij zijn conclusie dat eiser heeft verklaard dat hij ongeïnteresseerden en andersdenkenden niet zou overtuigingen van zijn eigen politieke overtuiging. Daar spreekt immers geen sterke overtuiging uit. Dat eiser in de correcties en aanvullingen van 1 juli 2025 kortweg aangeeft dat dit niet klopt is onvoldoende om hieraan af te doen, nu in het aanvullend gehoor is doorgevraagd op dit punt en eiser heeft aangegeven dat hij niet verder gaat als hij merkt dat mensen niet geïnteresseerd zijn of andere ideeën hebben. Eiser heeft niet toegelicht waarom hij hierop terugkomt in de correcties en aanvullingen, en geeft ook geen voorbeelden genoemd van momenten waarop hij andersdenkenden of niet-geïnteresseerden wel probeerde te overtuigen.

Daarnaast is de rechtbank net als verweerder van oordeel dat de activiteiten van eiser voor de IPOB in Nederland en de rol die hij hierin speelt, gering zijn. Eiser is naar eigen zeggen immers pas in contact gekomen met de IPOB in 2018, twee jaar nadat de afwijzing in zijn eerste procedure definitief is geworden. In de eerste drie jaar van zijn verblijf in Nederland heeft eiser dus geen enkele activiteit ondernomen. Sinds 2018 heeft eiser aan een beperkt aantal demonstraties en activiteiten deelgenomen (zeven demonstraties, vier tot zes vergaderingen per jaar en een paar keer per jaar flyeren). Hij heeft daarbij verklaard te hebben opgeruimd na vergaderingen en te hebben gezorgd dat mensen bij demonstraties binnen de lijnen lopen. Eiser heeft dus enkel een ondersteunende rol binnen de beweging en geen politieke of leidinggevende. Dat er mogelijk goede redenen zijn waarom eiser vanaf 2018 beperkt is in de activiteiten die hij verricht voor de IPOB in Nederland, maakt deze activiteiten en de rol van eiser niet minder gering en maakt ook niet dat alsnog van een sterke politieke overtuiging kan worden gesproken.

Gelet op het voorgaande, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat het niet aannemelijk is dat eiser zijn politieke overtuiging in Nigeria zal uitdragen. Hierbij is ook relevant dat, zoals hiervoor vastgesteld, de activiteiten die eiser in Nigeria voor de IPOB verricht zou hebben ongeloofwaardig zijn. De rechtbank merkt ook op dat eiser niet concreet heeft aangegeven wat hij dan in Nigeria zou willen doen om uiting te geven aan zijn politieke overtuiging, terwijl hier wel uitgebreid over is doorgevraagd.

Wat betreft het risico op monitoring, overweegt de rechtbank dat hoewel de landeninformatie niet eenduidig is wat betreft welke aanhangers van de IPOB in het buitenland precies worden gemonitord, wel de conclusie kan worden getrokken dat prominente aanhangers van de IPOB in het buitenland meer risico lopen en dat niet alle aanhangers van de IPOB in het buitenland worden gemonitord. De bron waaruit dit laatste wel zou kunnen volgen is de verklaring van de MASSOB-coördinator in Canada. Deze coördinator benoemt dat alle aanhangers van de Biafra-beweging en IPOB-leden uit het buitenland bij terugkeer op de luchthaven in Nigeria ondervraagd worden. Deze uitlating is echter opgetekend in 2022 en het blijft onduidelijk hoe de Nigeriaanse autoriteiten afweten van alle aanhangers in het buitenland. Ook is niet duidelijk op basis waarvan de coördinator vanuit Canada een dergelijk verstrekkende conclusie over de situatie op de luchthavens in Nigeria heeft kunnen trekken. De rechtbank acht deze bron, die verder niet wordt ondersteund door andere bronnen, dan ook onvoldoende onderbouwing voor de stelling dat alle aanhangers in het buitenland worden gemonitord. Hoewel het dus zou kunnen dat niet alleen prominente aanhangers in het buitenland worden gemonitord, acht de rechtbank het op basis van de beschikbare landeninformatie niet aannemelijk dat personen met een zeer geringe rol zoals die van eiser bij de IPOB beweging in Nederland actief worden gemonitord door de Nigeriaanse autoriteiten.

De rechtbank is daarnaast van oordeel dat eiser ook in zijn concrete geval niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Nigeriaanse autoriteiten hem in het vizier hebben als activist. Eiser heeft erop gewezen dat de Nigeriaanse autoriteiten infiltranten hebben ingezet bij de activiteiten van de IPOB en dat er foto’s van eiser op de website dan wel op sociale mediakanalen van de IPOB Nederland zijn geplaatst. Eiser heeft echter op geen enkele manier onderbouwd dat de Nigeriaanse autoriteiten infiltranten hebben ingezet in Nederland. Dat er foto’s van eiser op de website dan wel op sociale media kanalen zijn geplaatst van IPOB Nederland, heeft eiser ook onvoldoende onderbouwd. Eiser heeft voornamelijk losse foto’s overgelegd die niet duiden op een website of social media account. De foto van een onduidelijke facebookpagina die eiser heeft overgelegd bij correcties en aanvullingen op het gehoor opvolgende aanvraag, is niet duidelijk genoeg om te achterhalen wie hierop is afgebeeld. Eiser heeft bovendien op zitting aangegeven dat de publieke foto’s waarop hij te zien is op dit moment niet meer goed online te vinden zijn. Dat eiser, gelet op zijn geringe rol bij activiteiten, prominent in beeld zou komen in de publieke uitingen van IPOB Nederland is verder ook niet aannemelijk. Maar zelfs als eiser wel op publiek toegankelijke foto’s te zien zou zijn, is niet duidelijk hoe de Nigeriaanse autoriteiten eiser op basis van deze foto’s zouden kunnen identificeren. Daarbij acht de rechtbank ook relevant dat eiser heeft verklaard zelf geen sociale media accounts te hebben.

De rechtbank is, gelet op het bovenstaande, van oordeel dat het verzoek van eiser om internationale bescherming ongegrond is. Omdat sprake is van een opvolgende aanvraag heeft verweerder de aanvraag kennelijk ongegrond kunnen verklaren op grond van artikel 30b, eerste lid onder g, van de Vw. De rechtbank zal de rechtsgevolgen van het bestreden besluit daarom in stand laten.

Het beroep met zaaknummer NL26.46738

8. Bij het na het bestreden besluit ingestelde beroep met zaaknummer NL26.46738 heeft eiser geen belang meer, omdat eiser met dit beroep niet meer of anders kan bereiken dan met het beroep met zaaknummer NL26.30234. Dat beroep zal de rechtbank daarom niet-ontvankelijk verklaren. Hiervoor krijgt eiser geen proceskostenvergoeding.

Conclusie en gevolgen

9. Gelet op wat is overwogen in 6.2. is het beroep gegrond. De rechtbank laat echter wel de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand, omdat verweerder de aanvraag heeft kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond. Verder, omdat terecht beroep is ingesteld vanwege het niet tijdig nemen van een besluit, krijgt eiser wel een vergoeding van zijn proceskosten. Deze bedragen € 2.335,- (1 punt voor het indienen van een terecht ingesteld beroep niet-tijdig (wegingsfactor 0,5), 1 punt voor het inhoudelijk beroepschrift (wegingsfactor 1), 1 punt voor het bijwonen van zitting, met een waarde van € 934,- per punt.

10. Nu op het beroep is beslist, bestaat geen aanleiding om de voorlopige voorziening toe te wijzen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek hiertoe daarom af. Verzoeker krijgt wel een vergoeding van zijn proceskosten omdat hij terecht beroep heeft ingesteld. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934,- (1 punt voor het indienen van een verzoekschrift).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep met zaaknummer NL26.30234 niet-ontvankelijk voorzover gericht tegen het uitblijven van een besluit en gegrond voorzover gericht tegen het bestreden besluit;

- laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand;

- verklaart het beroep met zaaknummer NL26.46738 niet-ontvankelijk;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.335,-.

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 934,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.V.A. Corstens, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.W. Robijn, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met de uitspraak op de beroepen, kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand