RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.50555
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M.H.K. van Middelkoop),
en
(gemachtigde: mr. R.I. Schreinemachers).
1. Deze uitspraak gaat over de buitenbehandelingstelling van de asielaanvraag van eiser, als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met het daarbij opgelegde inreisverbod. Aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de buitenbehandelingstelling van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de buitenbehandelingstelling van de asielaanvraag in stand kan blijven. Verweerder heeft het inreisverbod kunnen uitvaardigen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 9 april 2024 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 25 augustus 2026 deze aanvraag buiten behandeling gesteld.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 25 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
3. Verweerder stelt de asielaanvraag van eiser buiten behandeling op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw. Eiser is volgens verweerder op 22 juli 2026 met onbekende bestemming (MOB) vertrokken. Verweerder heeft eiser op 20 augustus 2026 een brief gestuurd waarin eiser een termijn van drie dagen is gegeven om aan te geven waar hij verblijft, maar hieraan heeft eiser geen gehoor gegeven. Verweerder vaardigt daarnaast een terugkeerbesluit uit en legt eiser een inreisverbod op. Bij het inreisverbod heeft verweerder aangegeven dat hij twee jaar niet mag reizen naar Nederland en de EU+ landen.
Kon verweerder het inreisverbod opleggen?
4. Eiser voert aan dat hij al op 25 augustus 2026 Nederland had verlaten. Verweerder kan daarom het inreisverbod niet onderbouwen met het noodgedwongen vertrek van eiser uit Nederland en de EU+ landen. In het paspoort van eiser is te zien dat hij op 11 juli 2026 naar Venezuela is vertrokken en het land is ingereisd. Artikel 6.5a, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) kan het inreisverbod niet onderbouwen nu daarin enkel staat dat de duur van een inreisverbod twee jaren bedraagt. Daarnaast worden de andere EU+ landen ook niet genoemd in dit wetsartikel, waardoor eiser niet duidelijk was wat verweerder bedoelde met de verwijzing naar het wetsartikel.
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het inreisverbod mocht opleggen. In het terugkeerbesluit staat dat eiser direct moet vertrekken. Wanneer verweerder een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn uitvaardigt, legt hij ook op grond van artikel 66a van de Vw een inreisverbod op dat op grond vond van artikel 6.5a van het Vb twee jaar duurt. Dat eiser op het moment van het bestreden besluit reeds was vertrokken, doet hier niet aan af. Verweerder heeft de gemachtigde van eiser op 20 augustus 2026 een brief gestuurd waarin hij eiser een termijn geeft van drie dagen om zich te melden na zijn MOB-melding. Aan de hand van deze brief had eiser verweerder op de hoogte kunnen stellen van het vertrek van eiser. Nu dit niet is gedaan, ziet de rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen over het opleggen van het inreisverbod. Dat eiser niet duidelijk was op welke landen het inreisverbod zag volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft immers in een voetnoot uitgelegd welke landen hij met EU+ landen bedoelde en eiser had een gemachtigde die hem dit kon uitleggen.
Conclusie en gevolgen
6. Verweerder heeft de aanvraag buiten behandeling mogen stellen en daarbij het inreisverbod uit mogen vaardigen. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.V.A. Corstens, rechter, in aanwezigheid van mr. J.W. Robijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.