RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser/verzoeker
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.35564 (beroep) en NL26.35565 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
(gemachtigde: mr. E.P.A. Zwart),
en
(gemachtigde: mr. J. Amakodo).
1. Deze uitspraak gaat over het buiten behandeling stellen van de asielaanvraag van eiser en het terugkeerbesluit dat is uitgevaardigd aan eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het buiten behandeling laten van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en dat zowel de buitenbehandelingstelling als het terugkeerbesluit niet in stand kunnen blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 27 maart 2024 een asielaanvraag als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) (oud) ingediend. Hij stelt de Soedanese nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1992. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 22 juni 2026 deze aanvraag buiten behandeling gesteld en een terugkeerbesluit opgelegd.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft ook een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juli 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
3. Verweerder stelt de asielaanvraag van eiser buiten behandeling op grond van artikel 30c, eerste lid, onder c van de Vw (oud) omdat hij op 19 juni 2026 met onbekende bestemming (MOB) is vertrokken. Eiser heeft op deze datum de opvang zonder toestemming verlaten. Verder krijgt eiser een terugkeerbesluit opgelegd naar Sudan op grond van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder a van de Vw (oud).
Heeft verweerder de aanvraag buiten behandeling mogen stellen?
4. Eiser voert aan dat verweerder zijn aanvraag niet zomaar buiten behandeling had mogen stellen. Verweerder heeft ten onrechte de bijzondere kwetsbaarheid van eiser niet betrokken in zijn besluitvorming. Daarbij wijst eiser er verder op dat verweerder weet dat eiser verblijft in Ter Apel, wat ook aanleiding had moeten zijn om het besluit in te trekken.
De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder c van de Vw (oud) staat dat de Minister een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 buiten behandeling kan stellen als de vreemdeling is verdwenen of zonder toestemming is vertrokken en hierover toerekenbaar niet binnen een termijn van twee weken contact heeft opgenomen met de bevoegde autoriteiten. Ter zitting is duidelijk geworden dat eiser MOB is gemeld op 19 juni 2026 van de opvanglocatie in Heerhugowaard en dat hij weer is verschenen op 22 juni 2026 bij de opvanglocatie in Ter Apel. Eiser heeft zich dus binnen de termijn van twee weken weer gemeld. Daarbij had het, gelet op het feit dat artikel 30c, eerste lid van de Vw een discretionaire bevoegdheid inhoudt, op de weg van verweerder gelegen om een belangenafweging te maken waarbij de gestelde bijzondere kwetsbaarheid van eiser wordt betrokken. Dit heeft verweerder nagelaten en het besluit is daarmee onzorgvuldig. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt ter zitting dat eiser niet in zijn belangen is geschaad, omdat hij een nieuwe aanvraag kan doen. De gemachtigde van eiser heeft gemotiveerd gesteld dat de gevolgen van het moeten indienen van een nieuwe aanvraag, gelet op de inwerkingtreding van het Asiel- en Migratiepact, voor eiser nadelig zijn. De beroepsgrond slaagt.
Heeft verweerder een terugkeerbesluit mogen opleggen?
5. Eiser voert aan dat verweerder geen terugkeerbesluit had mogen opleggen omdat verweerder ambtshalve had moeten toetsen of het opleggen van een terugkeerbesluit niet in strijd is met het beginsel van non-refoulement. Nu verweerder dit heeft nagelaten is het terugkeerbesluit niet rechtmatig.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit het arrest Ararat van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat verweerder verplicht is om het beginsel van non-refoulement in alle fasen van de terugkeerprocedure te eerbiedingen. Het beginsel van non-refoulement houdt in dat een vluchteling niet mag worden teruggestuurd naar een land waar zijn of haar leven of vrijheid ernstig wordt bedreigd.
Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat verweerder een non-refoulementsbeoordeling moet maken op basis van de aanknopingspunten die in het dossier aanwezig zijn, ook als eiser zoals in dit geval niet op een nader gehoor is verschenen. De rechtbank concludeert op basis van het dossier dat er op 8 december 2024 een gehoor heeft plaatsgevonden, waarin eiser heeft aangegeven dat hij uit de regio Centraal-Darfur in Sudan komt. Voor dit gebied neemt verweerder een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld aan, zoals blijkt uit paragraaf C9/34.4.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Nu verweerder dit niet heeft betrokken bij de beoordeling van het terugkeerbesluit, is het besluit onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd in de zin van artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit is genomen in strijd met zorgvuldigheids- en motiveringsvereiste, zoals neergelegd in respectievelijk artikel 3:2 en 3:46 van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt dat verweerder met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak van deze uitspraak. Hiervoor geeft de rechtbank een termijn van 6 weken om eiser te horen indien verweerder dit nodig acht voor het nemen van het nieuwe besluit, en daarna 6 weken voor het nemen van het nieuwe besluit.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt omdat gemachtigde van eiser de zitting heeft bijgewoond, waarbij 1 punt een waarde heeft van € 934,-).
Omdat op het beroep is beslist, bestaat gaan aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Verzoeker krijgt, omdat het beroep gegrond is wel een vergoeding van zijn proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 934,- (1 punt voor het indienen van een verzoekschrift, waarbij 1 punt een waarde heeft van € 934,-).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 22 juni 2026;
- draagt verweerder op, indien nodig, binnen 6 weken na dag van verzending van deze uitspraak eiser opnieuw te horen en binnen 6 weken na het eventueel horen van eiser, een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- veroordeelt verweerder tot een vergoeding van de proceskosten van € 934,- aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.E.L. Grooten, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. A.N. de Graaf, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.