RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[naam] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.59927 en NL26.60307
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. H.W. Omvlee),
en
(gemachtigde: mr. L. Ploeger).
Procesverloop
1. De minister heeft op 12 april 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort en eerdere beroepen tegen het opleggen dan wel voortduren van deze maatregel zijn ongegrond verklaard.
Bij besluit van 7 oktober 2026 (het verlengingsbesluit) heeft de minister de maatregel van bewaring met ten hoogste twaalf maanden verlengd op grond van artikel 59, zesde lid, van de Vw. De ingangsdatum van deze verlenging is 8 oktober 2026.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het verlengingsbesluit in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. Dit beroep staat geregistreerd onder zaaknummer NL26.59927.
De rechtbank merkt het beroep tegen het verlengingsbesluit ambtshalve aan als ook gericht tegen het voortduren van de maatregel. Dit beroep staat geregistreerd onder zaaknummer NL26.60307.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft gronden van beroep ingediend.
De rechtbank heeft de beroepen op 16 oktober 2026 op zitting behandeld. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Inleiding
2. In de eerste uitspraak van 28 april 2026 heeft de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, de maatregel van bewaring van 12 april 2026 rechtmatig geacht. Daarbij heeft de rechtbank al overwogen dat alle gronden - destijds genummerd als 3a, 3c, 3d, 3e, 4b, 4c en 4d - aan de maatregel ten grondslag konden worden gelegd en dat er geen aanleiding bestond om een lichter middel op te leggen. Deze uitspraak staat in rechte vast.
De rechtbank heeft de volgberoepen van eiser in de uitspraken van 14 juli 2026 en 26 augustus 2026 ongegrond verklaard. In het laatste volgberoep is het onderzoek op 21 augustus 2026 gesloten. Uit die uitspraak blijkt tevens dat de lp-aanvraag van eiser in onderzoek blijft, ondanks de intrekking van de lp-toezegging, en dat de Algerijnse autoriteiten op 19 augustus 2026 schriftelijk hebben aangegeven dat er zo spoedig mogelijk gereageerd zal worden op de lp-aanvraag van eiser.
3. De rechtbank zal in deze uitspraak beoordelen of het verlengingsbesluit rechtmatig is en beoordelen of de voortduring van de bewaring vanaf 21 augustus 2026 tot sluiting van het onderzoek op 16 oktober 2026 rechtmatig en gerechtvaardigd is.
Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. Via artikel 94, zevende lid, eerste volzin, van die wet geldt hetzelfde voor het verlengingsbesluit. Voor de verlenging van de maatregel van bewaring geldt verder op grond van artikel 59, zesde lid, van de Vw dat deze maatregel na afloop van zes maanden met maximaal nog eens twaalf maanden kan worden verlengd indien de verwijdering, alle redelijke inspanningen ten spijt, wellicht meer tijd zal vergen, omdat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn verwijdering of de daarvoor benodigde documentatie uit derde landen nog ontbreekt.
Verlengingsbesluit
Grondslag van de verlenging
4. De rechtbank stelt allereerst vast dat de minister op de zitting heeft laten vallen dat de benodigde documentatie uit derde landen voor de uitzetting nog ontbreekt. De rechtbank zal de gronden die eiser hiertegen heeft aangevoerd dan ook niet bespreken.
Eiser voert aan dat de minister ten onrechte de grond dat hij niet meewerkt aan zijn uitzetting aan het verlengingsbesluit ten grondslag heeft gelegd. Eiser heeft meegewerkt aan zijn presentatie bij de Algerijnse autoriteiten op 24 september 2026, hij heeft op 20 augustus 2026 contact gehad met de IOM en heeft zich op 29 september 2026 laten inschrijven bij EURP. Er kan dus niet gezegd worden dat eiser geen enkele actie heeft ondernomen om zijn terugkeer voor te bereiden of te bespoedigen.
Hoewel de rechtbank constateert dat eiser op 24 september 2026 heeft meegewerkt aan zijn presentatie bij de Algerijnse autoriteiten, volgt de rechterbank eiser niet in zijn stelling dat hij zich meewerkend heeft opgesteld. Daartoe overweegt de rechtbank dat eiser niet heeft meegewerkt aan een eerdere presentatie bij de Algerijnse autoriteiten. Pas nadat de Algerijnse autoriteiten zijn nationaliteit hebben bevestigd heeft eiser meegewerkt aan zijn presentatie in persoon. De rechtbank acht daarbij verder nog van belang dat eiser tijdens het vertrekgesprek van 15 september 2026 heeft aangegeven te moeten nadenken of hij wel gaat meewerken aan de presentatie.
De minister heeft in het verlengingsbesluit over zijn inschrijving bij EURP terecht opgemerkt dat eiser dit pas heeft gedaan nadat hij vijfenhalve maand in bewaring heeft gezeten, er een lp-toezegging was afgegeven en met eiser was besproken dat er een vluchtaanvraag in gang gezet ging worden. Daarbij acht de rechtbank ook van belang dat eiser tijdens het vertrekgesprek van 10 september 2026 heeft aangegeven dat hij zich niet wil inschrijven bij EURP.
Verder heeft de minister op de zitting nader uitgelegd dat het enkele contact met het IOM niet als meewerken kan worden gezien, omdat het IOM heeft aangegeven eiser niet te kunnen helpen vanwege het ontbreken van een paspoort. Er heeft ook geen inschrijving bij het IOM plaatsgevonden en dit is door eiser ook niet betwist. Daarnaast heeft eiser gedurende de periode dat hij in bewaring zit zelf geen enkele actie ondernomen om reisdocumenten aan te vragen of een vlucht te boeken.
Tot slot betrekt de rechtbank dat eiser tijdens het vertrekgesprek van 28 september 2026 heeft verklaard dat hij niet wil meewerken aan zijn uitzetting en dat hij, als hij vrijwillig kan vertrekken, naar Spanje zal gaan.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de minister terecht aan het verlengingsbesluit ten grondslag heeft gelegd dat eiser niet meewerkt aan zijn uitzetting.
Verzwaarde belangenafweging
5. Eiser stelt dat er geen deugdelijke verzwaarde belangenafweging heeft plaatsgevonden. Eiser voert in dit kader aan dat zijn medewerking aan de uitzetting niet kenbaar in zijn voordeel is betrokken, dat een deel van de vertraging in het uitzettingstraject niet aan eiser kan worden toegerekend en dat onvoldoende blijkt welk gewicht de minister heeft toegekend aan de inmiddels aanzienlijke duur van de bewaring, bezien in samenhang met de niet aan eiser toe te rekenen vertraging en zijn latere medewerking.
De rechtbank verwijst allereerst naar dat wat hiervoor is overwogen onder het kopje ‘grondslag van de verlenging’. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn stelling dat hij voldoende heeft meegewerkt aan zijn uitzetting. Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister de belangenafweging in het nadeel van eiser mocht laten uitvallen. Daartoe heeft de minister mogen betrekken dat eiser niet meewerkt, dat eiser op 16 oktober 2026 zal worden uitgezet naar Algiers, dat er geen medische omstandigheden zijn die maken dat er afgezien moet worden van de verlenging en - zoals hierna blijkt - dat er niet is gebleken van bijzondere individuele omstandigheden die aanleiding moeten geven voor het toepassen van een lichter middel.
Lichter middel
6. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel, omdat hij langere tijd gedetineerd is, hij heeft meegewerkt aan zijn presentatie en hij alleen nog in afwachting was van de afgifte van een lp en een vlucht.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog. Zoals al eerder is overwogen is de rechtbank van oordeel dat eiser niet meewerkt aan zijn uitzetting. Daarnaast acht de rechtbank ook in dit kader van belang dat eiser te kennen heeft gegeven in het vertrekgesprek van 28 september 2026 dat hij wenst te vertrekken naar Spanje. In het verleden is eiser al meerdere malen vanuit Nederland vertrokken naar Spanje. Eiser is dus niet voornemens om terug te keren naar Algerije. Verder heeft de minister in het verlengingsbesluit van belang kunnen achten dat er geen medische omstandigheden of bijzondere individuele omstandigheden zijn waardoor afgezien moet worden van de maatregel van bewaring.
Conclusie
7. Het beroep tegen het verlengingsbesluit is ongegrond.
Voortduren van de bewaring
8. Op grond van artikel 59, vijfde lid, van de Vw duurt de bewaring krachtens het eerste lid van dat artikel niet langer dan zes maanden, zij het dat deze termijn op grond van artikel 59, zesde lid, van de Vw ten hoogste met nog eens twaalf maanden kan worden verlengd. Omdat het beroep tegen het verlengingsbesluit ongegrond is verklaard, is er geen sprake van een onrechtmatige verlenging van de maximale bewaringstermijn zoals neergelegd in artikel 59, vijfde lid, van de Vw. Dit betekent dat de maatregel van bewaring in ieder geval rechtmatig voortduurt vanaf 8 oktober 2026 (ingangsdatum verlenging). De rechtbank rest dan alleen de vraag of de inbewaringstelling al eerder, in de periode tussen het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure op 21 augustus 2026 en 8 oktober 2026, onrechtmatig is geworden. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de vreemdelingenbewaring al op een eerder moment onrechtmatig is geworden. Daartoe overweegt de rechtbank dat eiser op 24 september 2026 in persoon is gepresenteerd bij de Algerijnse autoriteiten, dat zijn nationaliteit is bevestigd en dat er op 28 september 2026 een vlucht voor eiser is aangevraagd. Eiser zal op 16 oktober 2026 om 10:40 uur via Parijs worden uitgezet naar Algiers. Verder hebben er op 9, 14 en 28 september 2026 nog vertrekgesprekken met eiser plaatsgevonden.
9. Het beroep tegen het voortduren van de bewaring is ongegrond.
Conclusie
10. De beroepsgronden leiden niet tot het oordeel dat het verlengingsbesluit of het voortduren van de bewaring sinds 21 augustus 2026 onrechtmatig is. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat dat het verlengingsbesluit of het voortduren van de bewaring onrechtmatig moeten worden geacht.
11. De beroepen zijn ongegrond. Daarom wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van mr. G.G. Doornbos, griffier.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.