RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.60805
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. V. Senczuk),
en
(gemachtigde: mr. L. Ploeger).
Procesverloop
1. Bij besluit van 11 oktober 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vw een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 16 oktober 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Ook is er een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Inleiding
2. Op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw kan de vreemdeling die aan de grens te kennen heeft gegeven een asielaanvraag te willen indienen en die niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden, zolang er nog geen definitieve beslissing is genomen, worden verplicht zich op te houden in een ruimte of plaats die kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek, in het kader van een procedure om een beslissing te nemen over de toegang, of in het kader van de toepassing van de screeningsprocedure.
3. Op grond van artikel 5.5, tweede lid van het Vb wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
4. Eiser voert aan dat grensdetentiezaken voorheen alleen door deze rechtbank, zittingsplaatsen Amsterdam en Haarlem, werden behandeld. Nu worden deze zaken door alle zittingsplaatsen van deze rechtbank behandeld en wordt er over verschillende onderwerpen anders geoordeeld. Ook de snelle rechterlijke toets is een nieuwe omstandigheid. Voor advocaten is het lastig om hiermee om te gaan.
In het door eiser aangevoerde ziet de rechtbank geen grond om te oordelen dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is. Eiser heeft dit in dit kader ook niet aangevoerd. Evenmin heeft eiser benoemt welke gevolgen dit voor de aan hem opgelegde vrijheidsontnemende maatregel zou moeten hebben. De beroepsgrond slaagt niet.
Prejudiciële vragen
5. Eiser beroept zich op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, waarin de rechtbank prejudiciële vragen heeft gesteld over de grensdetentieprocedure.
De rechtbank overweegt dat de minister op de zitting heeft aangegeven dat eiser afkomstig is uit Sri Lanka. Op dit moment geldt voor Sri Lanka een inwilligingspercentage van 12,3 %. Daarmee valt eiser naar het oordeel van de rechtbank onder de in artikel 42, eerste lid, aanhef en onder j, van de Procedureverordening genoemde gevallen en is er sprake van de verplichte grensprocedure. De rechtbank verwijst in dit kader naar artikel 45 van de Procedureverordening. De rechtbank ziet geen aanleiding om de prejudiciële vragen, gesteld door deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, af te wachten en wijst in dit kader op de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2026, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat de werkwijze van de minister ten aanzien van grensdetentie niet in strijd is met de regels van het Asiel- en migratiepact.
Kennisgeving
6. Eiser voert aan dat de kennisgeving niet binnen zes uur aan de rechtbank is verzonden. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog. De rechtbank stelt vast dat de vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd op 11 oktober 2026 om 19:37 uur. De rechtbank leidt dit af uit de ondertekening van de vrijheidsontnemende maatregel. Dat de vrijheidsontnemende maatregel op 11 oktober 2026 om 14:10 uur is opgelegd, volgt de rechtbank niet. Uit het proces-verbaal van gehoor volgt dat op 11 oktober 2026 om 14:10 uur aan eiser is medegedeeld dat aan hem een vrijheidsontnemende maatregel wordt opgelegd en niet dat aan hem een vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd. Nu de kennisgeving is verzonden op 11 oktober 2026 om 23:05 uur, is voldaan aan het vereiste dat de kennisgeving binnen zes uur moet zijn verzonden aan de rechtbank. De beroepsgrond slaagt niet.
Geen advocaat bij het gehoor
7. De rechtbank overweegt dat paragraaf A5/6.5 van de Vc het tijdig in kennis moeten stellen regelt van het recht om in het bijzijn van een advocaat gehoord te worden voorafgaand aan een inbewaringstelling op grond van artikel 59, 59a of 59b van de Vw 2000, en niet voorafgaand aan de vrijheidsontneming op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000. Dit verschil in beleid over rechtsbijstand levert geen ongerechtvaardigd onderscheid in de zin van artikel 14 van het EVRM op. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling van 8 augustus 2022. De beroepsgrond slaagt niet.
Grondslag voor de vrijheidsontnemende maatregel
8. De rechtbank stelt vast dat in de vrijheidsontnemende maatregel zowel is aangekruist dat de asielaanvraag van eiser wordt behandeld in de asielgrensprocedure, als dat het gaat om vrijheidsontneming in verband met de screening. De Afdeling heeft recent geoordeeld dat deze omstandigheden weliswaar niet tegelijkertijd van toepassing kunnen zijn, maar ziet hierin geen reden om de grensdetentie onrechtmatig te achten. Artikel 6, derde lid, van de Vw voorziet namelijk zowel in een grondslag voor grensdetentie tijdens de screening als tijdens de asielgrensprocedure. De beroepsgrond slaagt niet.
Standaard tekstblokken in proces-verbaal van gehoor
9. Eiser voert aan dat de minister in het proces-verbaal van gehoor ten onrechte gebruik maakt van standaard tekstblokken en dat dit onzorgvuldig is.
De rechtbank overweegt dat uit het proces-verbaal van gehoor duidelijk is af te leiden welke vragen aan eiser zijn gesteld en welke antwoorden hij hierop heeft gegeven. Dat er in het proces-verbaal vragen staan die niet zijn gesteld komt de leesbaarheid van het proces-verbaal niet ten goede, maar maakt niet dat het proces-verbaal niet zorgvuldig is opgesteld.
Over het betoog van eiser dat er bij het stuk tekst over openbare orde een toelichting ontbreekt, overweegt de rechtbank dat dit betekent dat dit voor eiser niet van toepassing is. Aan eiser wordt niet tegengeworpen dat hij een gevaar voor de openbare orde oplevert. Dit blijkt ook niet uit de opgelegde vrijheidsontnemende maatregel. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
10. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat verweerder in het grensbewakingsbelang voldoende noodzaak mag zien om een vrijheidsontnemende maatregel op te leggen en dat de beoordeling of verweerder in grensdetentiezaken met een lichter middel had moeten volstaan niet verder strekt dan de beoordeling of de grensdetentie onevenredig bezwarend is.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding is om een lichter middel toe te passen. Verweerder heeft er in de maatregel terecht op gewezen dat in het detentiecentrum een medische dienst aanwezig is. De medische voorzieningen in het detentiecentrum moeten vergelijkbaar worden geacht met de medische zorg in de vrije maatschappij. Eiser heeft niet met stukken onderbouwd dat deze zorg voor hem niet toereikend is. Niet gesteld of gebleken is dat eiser detentieongeschikt is. Gelet hierop bestaat er, zoals de minister terecht heeft overwogen, geen grond voor het oordeel dat de grensdetentie thans onevenredig bezwarend voor eiser is.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van mr. G.G. Doornbos, griffier.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.