[eiser], v-nummer: [nummer 1],
[eiseres] , v-nummer: [nummer 2],
samen eisers
(gemachtigde: mr. S.T.C. Rebergen),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. L.J.M. Rog).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvragen van eisers om een mvv voor verblijf als familie- of gezinslid. Eisers zijn het niet met de afwijzing eens en hebben hiertegen een aantal beroepsgronden aangevoerd. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvragen.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit van de minister om de aanvragen af te wijzen in stand kan blijven. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers niet voldoen aan de voorwaarden voor verblijf als familie- of gezinslid. Eisers hebben niet aangetoond dat zij geboren zijn uit een huwelijk of een daarmee op één lijn gelijk te stellen relatie. Daarnaast heeft de minister zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat tussen eisers en referent geen sprake is van hechte persoonlijke banden en dat daarom geen sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Tot slot heeft de minister eisers het ontbreken van de (vervangende) toestemmingsverklaringen mogen tegenwerpen en hoeft de minister de door eisers gemaakte kosten voor het DNA-onderzoek niet te vergoeden. Eisers krijgen geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Inleiding
Toelichting bij de aanvraag
2. Eisers hebben de Somalische nationaliteit en verblijven momenteel in Oeganda. Referent is in 2009 uit Somalië naar Nederland gevlucht en bezit inmiddels de Nederlandse nationaliteit. Hij is de biologische vader van eisers. Eisers hebben ieder een andere biologische moeder, die beiden niet langer in beeld zijn. Eiser, [eiser], is geboren op [geboortedatum 1] 2007. Referent is pas sinds 2015 op de hoogte van zijn bestaan en van het feit dat hij zijn zoon is. De biologische moeder van eiser is overleden waarna hij op enig moment bij de zus van referent is ingetrokken. Eiseres, [eiseres], is geboren op [geboortedatum 2] 2008, zij heeft nooit met referent samengewoond en is nadat haar biologische moeder op enig moment vermist is geraakt/verdwenen ook ingetrokken bij de zus van referent. Eisers verblijven momenteel in Oeganda waar referent hen ook heeft bezocht.
3. Op 6 februari 2023 hebben eisers aanvragen ingediend voor het verlenen van een mvv met als verblijfsdoel familie- of gezinslid, omdat zij bij referent in Nederland willen verblijven. De minister heeft deze aanvragen in het primaire besluit van 29 november 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 6 maart 2025 op het bezwaar van eisers is de minister bij de afwijzing van de aanvragen gebleven.
Eisers hebben daartegen beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 21 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
4. De minister stelt zich op het standpunt dat eisers niet voldoen aan de voorwaarden voor verblijf als familie- of gezinslid. De minister heeft daaraan ten grondslag gelegd dat niet is gebleken of aangetoond dat eisers feitelijk behoren en reeds in het land van herkomst feitelijk behoorden tot het gezin van referent als bedoeld in artikel 3.14, aanhef en onder c, van het Vb 2000. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een feitelijke gezinsband met referent of aangetoond dat zij zijn geboren uit een huwelijk of uit een relatie welke met een huwelijk op één lijn gelijk te stellen is. Tot slot hebben eisers niet aangetoond dat sprake is van hechte persoonlijke banden met referent, waardoor geen sprake is van gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM.
Juridische kader
5. In artikel 3.14, aanhef, en onder c, van het Vreemdelingenbesluit 2000 staat dat een verblijfsvergunning wordt verleend aan het minderjarige biologische of juridische kind van de hoofdpersoon, dat naar het oordeel van de minister feitelijk behoort en reeds in het land van herkomst feitelijk behoorde tot het gezin van de hoofdpersoon en dat onder het rechtmatige gezag van hem staat. Uit het beleid van de minister zoals neergelegd in paragraaf B7/3.8.1. van de Vreemdelingencirculaire (Vc 2000), volgt dat een kind in ieder geval behoort tot het gezin van de hoofdpersoon als tussen hem en het kind sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Daarnaast vloeit uit het beleid van de minister voort dat de minister in ieder geval aanneemt dat sprake is van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM tussen ouders en hun uit een reëel huwelijk of niet-huwelijkse relatie geboren minderjarige kinderen. Bij de biologische vader en een minderjarig kind dat niet uit een reëel huwelijk of niet-huwelijkse relatie is geboren, moet uit feiten en omstandigheden blijken dat sprake is van hechte persoonlijke banden. Hechte persoonlijke banden is een begrip van feitelijke aard waarbij gekeken moet worden naar de invulling van het contact op dit moment en in het verleden en naar de intensiteit van dat contact.
Omvang geschil
6. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat referent de biologische vader is van eisers en het juridisch gezag heeft. Ter beoordeling staat de vraag of eisers feitelijk behoren en reeds in het land van herkomst feitelijk behoorden tot het gezin van de hoofdpersoon, en dat in dat kader moet worden aangesloten bij artikel 8 van het EVRM.
Zijn eisers geboren uit een huwelijk of een relatie die gelijk te stellen is met een huwelijk?
7. Eisers betogen primair dat op basis van de verklaringen van referent wel degelijk tot de conclusie kan worden gekomen dat zij geboren zijn uit een reëel huwelijk en dat daarom sprake is van beschermenswaardig gezinsleven op grond van artikel 8 van het EVRM. Eisers voeren daartoe aan dat de huwelijken mondeling zijn gesloten en daarom niet met een huwelijksakte of andere documenten kunnen worden onderbouwd.
De rechtbank is van oordeel dat de minister op goede gronden heeft geconcludeerd dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij geboren zijn uit een huwelijk of uit een relatie die met een huwelijk op één lijn gelijk te stellen is. De enkele stelling van eisers dat de huwelijken met de moeders in Somalië mondeling zijn gesloten en daarom niet zijn geregistreerd en dus niet kunnen worden aangetoond, is onvoldoende om aan te nemen dat eisers geboren zijn uit een huwelijk. Daarnaast hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat referent een relatie met de moeders heeft gehad en dat zij in gezinsverband hebben samengewoond ten tijde van hun verwekking of geboorte. Zo is referent pas in 2015 op de hoogte geraakt van het bestaan van zijn in 2007 geboren zoon (eiser), dat is ruim zes jaar nadat referent in Nederland is gaan wonen. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat referent ook niet met foto’s of documenten heeft onderbouwd dat hij daadwerkelijk bij de geboorte van eiseres in 2008 is geweest en met haar en de moeder heeft samengewoond tot aan het moment van zijn vlucht naar Nederland in 2009. Referent heeft tijdens de hoorzitting verklaard dat hij voor de geboorte van eiseres uit Somalië is vertrokken. De beroepsgrond slaagt niet.
Nu de minister op goede gronden heeft geconcludeerd dat eisers niet geboren zijn uit een huwelijk of uit een relatie die met een huwelijk op één lijn gelijk te stellen is, heeft de minister vervolgens beoordeeld of tussen eisers en referent sprake is van hechte persoonlijke banden, zodat gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM moet worden aangenomen.
Is tussen eisers en referent sprake van hechte persoonlijke banden?
8. Eisers betogen dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van hechte persoonlijke banden met referent. Eisers hebben de hechte persoonlijke banden wel degelijk aangetoond. Daartoe voeren eisers aan dat met het DNA-onderzoek vast is komen te staan dat referent hun biologische vader is. Daarnaast hebben eisers foto’s waarop zij samen met referent staan en vliegtickets overgelegd van het bezoek dat referent aan hen heeft afgelegd. Ook hebben eisers printscreens van WhatsApp-gesprekken met referent en bewijs van geldoverschrijvingen overgelegd. Verder hebben eisers stukken ingebracht waaruit zou moeten blijken dat referent heeft betaald voor de onderwijskosten en voor de huur van de woning waar zij momenteel in Oeganda verblijven. Eisers betogen hiermee dat zij hechte persoonlijke banden hebben met referent en dat hij betrokken is bij hun dagelijkse zorg en opvoeding. De minister is dan ook ten onrechte tot de conclusie gekomen dat tussen eisers en referent geen familie- of gezinsleven bestaat zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM en heeft daarom ten onrechte geen belangenafweging gemaakt.
Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat enkel biologische verwantschap onvoldoende is om gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM tussen een minderjarig kind en zijn biologische ouder of erkenner aan te nemen. Deze uitleg is in overeenstemming met de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Het al dan niet bestaan van beschermenswaardig gezinsleven is in essentie een kwestie van feitelijke aard en afhankelijk van het daadwerkelijk bestaan van hechte persoonlijke banden. In de regel is hiervoor samenwoning vereist, maar ook andere factoren kunnen bij uitzondering een rol spelen, zoals de aard van de relatie tussen de biologische ouders en de aantoonbare interesse in en inzet voor het kind door de biologische vader, zowel voor als na de geboorte.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van hechte persoonlijke banden tussen eisers en referent. Daarmee is geen sprake van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Eisers hebben met de overgelegde stukken en foto’s onvoldoende onderbouwd dat dergelijke banden bestaan. Zoals reeds overwogen, hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat referent vóór zijn vertrek uit Somalië naar Nederland met hen (of met één van hen) heeft samengewoond. Daarnaast was referent pas sinds 2015 op de hoogte van het bestaan van eiser. Naar het oordeel van de rechtbank bestonden er dus ook vóór het vertrek van referent uit Somalië in 2009 geen hechte persoonlijke banden tussen hem en eisers. Ook hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat referent sinds zijn vertrek structureel heeft bijgedragen aan de opvoeding en het levensonderhoud van eiseres, noch dat hij sinds hij in 2015 bekend is geraakt met het bestaan van eiser, daaraan heeft bijgedragen. Referent heeft na zijn vertrek uit Somalië naar Nederland geen contact gehad met eiseres, dit contact is pas in 2010/2011 ontstaan. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat vanaf het ontstaan van het contact in 2010/2011 met eiseres, dan wel vanaf 2015 met eiser, sprake was van regelmatig en structureel contact. Daarbij weegt de rechtbank mee dat referent eisers slechts één keer in 2021 en één keer in 2024 heeft gezien. De minister heeft zich dan ook op het standpunt mogen stellen dat deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, afbreuk doen aan de aannemelijkheid van het bestaan van hechte persoonlijke banden. Daarnaast heeft de minister eisers mogen tegenwerpen dat uit de overgelegde stukken niet blijkt dat referent vanaf 2010/2011 respectievelijk 2015 veelvuldig contact met eisers heeft onderhouden. Uit de overgelegde stukken blijkt slechts dat er in recente jaren, met name via Whatsapp, contact is geweest. Ook heeft de minister eisers mogen tegenwerpen dat uit de overgelegde geldoverschrijvingen niet blijkt dat referent structureel financieel heeft bijgedragen aan het levensonderhoud van eisers en dat deze geldbedragen daadwerkelijk aan hen ten goede zijn gekomen. Dat in de recente maanden betalingen zijn verricht voor onderwijs en verblijf in Oeganda, maakt dit niet anders. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat referent daadwerkelijk betrokken is (geweest) bij hun opvoeding of dat sprake is van regelmatige omgang.
Op basis van het voorgaande heeft de minister niet ten onrechte geconcludeerd dat tussen eisers en referent geen sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. De beroepsgrond slaagt niet.
Hanteert de minister een juist toetsingskader bij de beoordeling van het gezinsleven in de zin van artikel 3.14 van het Vb 2000?
9. Eisers betogen subsidiair dat de minister bij de beoordeling of een kind behoort tot het gezin van een hoofdpersoon, als bedoeld in artikel 3.14 van het Vb 2000, ten onrechte aanhaakt bij het begrip gezinsleven in de zin van het EVRM. Daartoe voeren eisers, onder verwijzing naar arresten van het Hof van Justitie van 1 augustus 2022 aan dat niet langer gesteld kan worden dat artikel 4, eerste lid, en artikel 16 eerste lid, aanhef en onder b, van de Gezinsherenigingsrichtlijn op juiste wijze zijn geïmplementeerd in de Nederlandse wet- en regelgeving.
De rechtbank stelt voorop dat de Afdeling in haar uitspraak van 20 november 2024 heeft geoordeeld dat het door de minister gehanteerde beleid in overeenstemming is met artikel 4, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 16, eerste lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Daarbij heeft de Afdeling de jurisprudentie van het Hof van Justitie en het EHRM inzake het familie- en gezinsleven betrokken. In die uitspraak is onder meer overwogen dat artikel 3.14 aanhef en onder c, van het Vb 2000, waarin het vereiste is neergelegd dat het gezinslid feitelijk tot het gezin van de gezinshereniger behoort, een juiste implementatie vormt van het begrip ‘ten laste komen van’ als bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder c, gelezen in samenhang met artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Het beroep op de arresten van het Hof van Justitie van 1 augustus 2022 slaagt ook niet omdat de minister in dit geval een individuele beoordeling heeft verricht en deugdelijk heeft gemotiveerd waarom in het geval van eisers geen sprake is van gezinsleven met referent. Daarbij is van belang dat ook uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie volgt dat de enkele biologische of juridische band onvoldoende is om gezinsleven aan te nemen. De beroepsgrond slaagt niet.
Toestemmingsverklaringen
10. Eisers betogen dat de minister hen, vanwege de moeders die uit beeld zijn, ten onrechte heeft tegengeworpen dat niet voldaan is aan het overleggen van toestemmingsverklaringen. Daartoe voeren eisers aan dat het belang van het overleggen van toestemmingsverklaringen is gelegen in het voorkomen van kindontvoeringen. De minister had eisers kunnen horen om dat risico uit te sluiten.
Nog daargelaten dat de aanvraag al terecht is afgewezen omdat geen sprake is van gezinsleven, slaagt deze beroepsgrond niet. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. Ook als zou moeten worden aangenomen dat de moeders niet meer in beeld zijn, heeft de minister eisers terecht mogen tegenwerpen dat referent vervangende toestemmingsverklaringen, van de daartoe bevoegde Somalische autoriteiten, had kunnen overleggen. Gelet hierop, en gezien het belang dat de minister terecht hecht aan het voorkomen van kindontvoering en mensenhandel, heeft de minister niet ten onrechte van referent verlangd dat hij vervangende toestemmingsverklaringen overlegt. De beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister de kosten van het DNA-onderzoek moeten vergoeden?
11. Eisers betogen dat de minister ten onrechte heeft geweigerd om de door hen gemaakte kosten voor het DNA-onderzoek te vergoeden. In het primaire besluit is de aanvraag van eisers onder meer afgewezen omdat niet was gebleken dat referent de biologische vader is van eisers. In bezwaar hebben eisers de uitkomst van een DNA-onderzoek overgelegd waaruit blijkt dat referent wél de biologische vader is van eisers.
Naar het oordeel van de rechtbank is de minister niet gehouden de kosten van het DNA-onderzoek te vergoeden. Uit Werkinstructie (WI) 2025/5 blijkt dat de minister bij een door de vreemdeling geïnitieerd DNA-onderzoek beoordeelt of het DNA-onderzoek was aangewezen gelet op de aannemelijkheid van de identiteit van de ouder(s) en de integrale beoordeling. De minister heeft eisers mogen tegenwerpen dat zij zonder voorafgaand overleg hebben besloten een DNA-onderzoek te verrichten. Voor de minister was het op voorhand al duidelijk dat ook het eventuele biologische vaderschap onvoldoende was voor het inwilligen van de aanvraag van eisers, nu op voorhand al duidelijk was dat ook vanwege het ontbreken van het gezinsleven niet voldaan werd aan artikel 3.14, aanhef en onder c, van het Vb 2000. Zoals hiervoor overwogen was dat standpunt juist. Hieruit blijkt dat het DNA-onderzoek niet was aangewezen. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de mvv aanvragen in stand blijft. Eisers krijgen geen gelijk en krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O. El Kadi, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Lange, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.