RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam 7] , eiser,
[naam 2] , eiseres,
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.18753 en NL26.18755
V-nummer: [nummer 1]
(gemachtigde: mr. H.A. Limonard)
en zijn echtgenote
V-nummer: [nummer 2] ,
mede namens hun minderjarige kinderen
[naam 3] ,
[naam 4] ,
[naam 5] ,
[naam 6] ,
tezamen: eisers
(gemachtigde: mr. H.A. Limonard)
en
(gemachtigde: mr. N. Mikolajczyk).
1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvragen van eisers. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij hebben daarom beroep ingesteld. De rechtbank beoordeelt de beroepen mede aan de hand van de beroepsgronden.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvragen in stand kan blijven omdat er geen sprake is van relevante nieuwe elementen of bevindingen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eisers hebben op 19 maart 2026 opvolgende verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd aangevraagd. De minister heeft deze aanvragen met de bestreden besluiten van 2 april 2026 niet-ontvankelijk verklaard. De minister had eisers al eerder een terugkeerbesluit opgelegd en tegen eiser en eiseres een inreisverbod voor twee jaar uitgevaardigd.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.
3. De rechtbank heeft de beroepen op 25 september 2026 op zitting behandeld, samen met de verzoeken om voorlopige voorzieningen. Aan de zitting hebben deelgenomen: eisers, hun gemachtigde, een tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. Eisers hebben op 19 oktober 2018 voor de eerste keer in Nederland asiel aangevraagd. Eiser heeft daarbij naar voren gebracht dat hij wordt gezocht door de politie vanwege een artikel over de onschuld van vijf veroordeelde terroristen, dat hij heeft gepubliceerd op internet. De minister heeft de aanvraag afgewezen, omdat hij niet geloofwaardig vond dat eiser een activistisch artikel zou hebben geschreven en daardoor problemen met de politie heeft gekregen. De rechtbank heeft de beroepen van eisers op 14 december 2018 ongegrond verklaard.
5. Vervolgens hebben eisers op 1 februari 2019, 30 december 2019, 27 juli 2020, 28 oktober 2020 en 19 maart 2021 opnieuw asiel aangevraagd. De minister heeft de aanvragen van 1 februari 2019, 28 oktober 2020 en 19 maart 2021 niet-ontvankelijk verklaard en de overige aanvragen buiten behandeling gesteld.
6. Eisers zijn op 19 maart 2021 uitgezet naar India. Eisers zijn na aankomst direct doorgereisd naar Nepal, waar zij ongeveer acht maanden hebben verbleven. Vervolgens zijn zij opnieuw naar Europa gekomen en hebben zij op 23 april 2022 wederom asielaanvragen ingediend. Deze aanvragen zijn door de minister afgewezen als kennelijk ongegrond. Bij uitspraak van 26 februari 2026 heeft deze rechtbank en zittingsplaats de door eisers tegen dit besluit ingediende beroepen ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 20 maart 2026 heeft de Afdeling het door eiser ingediende hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Daarmee staan de besluiten van 6 november 2025 in rechte vast.
Huidige aanvraag
7. Op 19 maart 2026 hebben eisers onderhavige opvolgende asielaanvragen ingediend. Het gaat om de achtste aanvraagprocedure van eisers. Eiser heeft in deze procedure een originele digitale afdruk van de E-kranten van The Times of India (de complete krant), de Times City (complete krant) en de Siasat Daily ingebracht. Deze documenten stelt eiser te hebben verkregen via een kennis en zijn afkomstig uit de State Central Library. De E-kranten zijn voorzien van officiële stempels die volgens eiser de authenticiteit ervan onderbouwen.
8. In de bestreden besluiten heeft de minister die aanvragen niet-ontvankelijk verklaard omdat er sprake is van opvolgende aanvragen waaraan eisers geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag hebben gelegd of waarin geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvragen. De minister heeft dit gedaan onder verwijzing naar de zevende aanvraagprocedure, die heeft geleid tot het hierboven genoemde besluit van 6 november 2025.
Is er sprake van relevante nieuwe elementen of bevindingen?
9. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de ingebrachte documenten niet kunnen worden beschouwd als relevante nieuwe elementen of bevindingen. Eiser heeft immers (kopieën van) deze documenten al in de vorige, zevende, procedure ingebracht. In die vorige procedure heeft de rechtbank geoordeeld dat, nu eiser geen originele artikelen heeft overgelegd, het voor de minister niet mogelijk is om de artikelen te beoordelen op authenticiteit. Naar haar oordeel maakte eisers stelling dat de media waaruit de artikelen afkomstig zijn, betrouwbare nieuwsbronnen zouden zijn, niet dat reeds daarom van de authenticiteit van de publicaties moest worden uitgegaan. Daarbij vond rechtbank van belang dat de minister erop heeft gewezen dat het in India mogelijk is om tegen betaling nieuws te laten plaatsen, wat eiser niet heeft betwist. Dat de thans ingebrachte documenten afkomstig zijn uit de State Central Library en voorzien zijn van wat eiser betitelt als officiële stempels, betekent naar het oordeel van de rechtbank ook nu niet dat de authenticiteit ervan op enigerlei wijze is onderbouwd. Dit maakt dat er ook thans voor de minister geen aanleiding bestond om nader onderzoek te doen. Omdat er geen sprake is van nieuwe elementen of bevindingen mocht de minister de opvolgende aanvragen niet-ontvankelijk verklaren en ook afzien van het opnieuw horen van eisers. De beroepen slagen niet.
10. Uit het arrest Bahaddar en de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 22 juni 2022 waarin dit arrest is uitgewerkt, volgt dat de bestuursrechter een nationale procedureregel, die tot een niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag leidt, buiten toepassing moet laten wanneer er omstandigheden zijn als bedoeld in paragraaf 45 van het arrest, om schending van artikel 3 van het EVRM te voorkomen. De hoogste bestuursrechter heeft overwogen dat ook regels die gaan over de omvang van het geschil, zoals artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw, gezien kunnen worden als een nationale procedureregel in de zin van het arrest Bahaddar. Bahaddar-omstandigheden doen zich voor als wat een vreemdeling heeft aangevoerd en overgelegd, onmiskenbaar tot het oordeel leidt dat de minister bij uitzetting van die vreemdeling het refoulementverbod, neergelegd in artikel 3 van het EVRM, zou schenden. De drempel voor een geslaagd beroep op artikel 3 van het EVRM is daarom hoog. Nu het eerdere afwijzende asielbesluit van 6 november 2025, waarin de door eiser gestelde problemen met de autoriteiten vanwege berichten op sociale media door de minister niet geloofwaardig zijn geacht, in rechte vast is komen te staan, eiser in deze procedure, zoals reeds hiervoor is overwogen, geen relevante nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangevoerd en ook anderszins niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een schending van artikel 3 van het EVRM, ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat sprake is van Bahaddar-omstandigheden.
Conclusie en gevolgen
11. De minister heeft de aanvragen terecht niet-ontvankelijk verklaard. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.