RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam 1] , eiser,
[naam 2] , eiseres,
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.27030
V-nummer: [nummer 1]
(gemachtigde: mr. H.A. Limonard)
en zijn echtgenote
V-nummer: [nummer 2] ,
mede namens hun minderjarige kinderen
[naam 3] ,
[naam 4] ,
[naam 5] ,
[naam 6] ,
tezamen: eisers
(gemachtigde: mr. H.A. Limonard)
en
(gemachtigde: mr. N. Mikolajczyk).
1. Deze uitspraak gaat over het buiten behandeling laten van de opvolgende asielaanvragen van eisers als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het buiten behandeling laten van de asielaanvragen.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het buiten behandeling laten van de asielaanvragen in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eisers hebben op 30 april 2026 opvolgende aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 12 mei 2026 deze aanvragen in de algemene procedure buiten behandeling gesteld. De minister had eisers al eerder een terugkeerbesluit opgelegd en tegen eiser en eiseres een inreisverbod voor twee jaar uitgevaardigd.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 25 september 2026 op zitting behandeld samen met het verzoek om voorlopige voorzieningen. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, een tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
De procedure tot nu toe
3. Eisers hebben op 19 oktober 2018 voor de eerste keer in Nederland asiel aangevraagd. Eiser heeft daarbij naar voren gebracht dat hij wordt gezocht door de politie vanwege een artikel over de onschuld van vijf veroordeelde terroristen, dat hij heeft gepubliceerd op internet. De minister heeft de aanvraag afgewezen, omdat hij niet geloofwaardig vond dat eiser een activistisch artikel zou hebben geschreven en daardoor problemen met de politie heeft gekregen. De rechtbank heeft de beroepen van eisers op 14 december 2018 ongegrond verklaard.
4. Vervolgens hebben eisers op 1 februari 2019, 30 december 2019, 27 juli 2020, 28 oktober 2020 en 19 maart 2021 opnieuw asiel aangevraagd. De minister heeft de aanvragen van 1 februari 2019, 28 oktober 2020 en 19 maart 2021 niet-ontvankelijk verklaard en de overige aanvragen buiten behandeling gesteld.
5. Eisers zijn op 19 maart 2021 uitgezet naar India. Eisers zijn na aankomst direct doorgereisd naar Nepal, waar zij ongeveer acht maanden hebben verbleven. Vervolgens zijn zij opnieuw naar Europa gekomen en hebben zij op 23 april 2022 wederom asielaanvragen ingediend. Deze aanvragen zijn door de minister afgewezen als kennelijk ongegrond. Bij uitspraak van 26 februari 2026 heeft deze rechtbank en zittingsplaats de door eisers tegen dit besluit ingediende beroepen ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 20 maart 2026 heeft de Afdeling het door eiser ingediende hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Daarmee staan de besluiten van 6 november 2025 in rechte vast.
6. Op 19 maart 2026 hebben eisers wederom opvolgende asielaanvragen ingediend.
De minister heeft die aanvragen niet-ontvankelijk verklaard omdat er sprake is van opvolgende aanvragen waaraan eisers geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag hebben gelegd of waarin geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvragen. Eisers hebben beroep ingesteld tegen deze besluiten van de minister. Dit beroep is eveneens op 25 september 2026 ter zitting behandeld.
7. Eisers hebben op 30 april 2026 onderhavige aanvragen ingediend.
Het bestreden besluit
8. Bij besluit van 12 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvragen buiten behandeling gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw omdat eisers geen volledig en duidelijk ingevulde M35-O formulieren hebben aangeleverd. Tevens hebben eisers op de formulieren niet duidelijk aangegeven welke nieuwe elementen en bevindingen zij aandragen en waarom deze nieuw zijn.
Zijn de aanvragen terecht buiten behandeling gesteld?
9. De minister heeft de opvolgende asielaanvragen buiten behandeling gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. In dit artikel is opgenomen dat een asielaanvraag buiten behandeling kan worden gesteld als de vreemdeling heeft nagelaten te antwoorden op verzoeken om informatie te verstrekken die van wezenlijk belang is voor zijn aanvraag
10. De rechtbank stelt vast dat eisers op 30 april 2026 opvolgende asielaanvragen hebben gedaan. De door hen in dat kader overgelegde M35-O formulieren zijn echter niet allemaal volledig ingevuld en ook ontbreken er pagina’s. Zo hebben eisers niet de verplichte vragen ingevuld die noodzakelijk zijn voor het in behandeling nemen van hun aanvraag. Ook hebben zij de reden of redenen van hun opvolgende aanvraag niet vermeld. Daarnaast zijn de door hen bij de aanvraag overgelegde stukken reeds eerder ingebracht. Eisers hebben van de minister de gelegenheid gekregen om hun aanvragen compleet te maken. Dit hebben eisers echter nooit gedaan. In beroep is er weliswaar een nader toelichting gevolgd op de overgelegde documenten maar duidelijk en volledig ingevulde M35-O formulieren zijn nooit overgelegd. Dit betekent dat de minister naar het oordeel van de rechtbank de opvolgende aanvragen van 30 april 2026 terecht buiten behandeling heeft gesteld. Van enig onzorgvuldig handelen van de minister in deze is de rechtbank niet gebleken.
11. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden als bedoeld in paragraaf 45 van het arrest Bahaddar en de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 22 juni 2022 waarin dit arrest is uitgewerkt, waardoor de noodzaak kan bestaan om ter voorkoming van schending van artikel 3 van het EVRM een in het nationale recht neergelegde proceduremaatregel niet tegen te werpen. De rechtbank wijst erop dat het eerdere afwijzende asielbesluit van 6 november 2025, waarin de door eiser gestelde problemen met de autoriteiten vanwege berichten op sociale media door de minister niet geloofwaardig zijn geacht, in rechte is komen vast te staan en is van oordeel dat de informatie die in deze procedure naar voren is gebracht op dit moment niet voldoende is om te kunnen spreken van bijzondere omstandigheden in de hier bedoelde zin. Het beroep op het arrest Bahaddar slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
12. De minister heeft de aanvragen terecht buiten behandeling gesteld.
Het beroep is ongegrond. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.