RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer 1] , eiser (zaaknummer NL25.53408),
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.53408, NL25.53410 en NL25.53412
[naam eiseres 1] , V-nummer: [V-nummer 2] , eiseres 1 (zaaknummer NL25.53410),
[naam eiseres 2] , V-nummer: [V-nummer 3] , eiseres 2 (zaaknummer NL25.53412),
hierna tezamen aangeduid als eisers,
(gemachtigde: mr. G. van Reemst),
en
(gemachtigde: mr. F.H. van Zanden).
Procesverloop
Bij besluiten van 24 oktober 2025 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvragen) als kennelijk ongegrond afgewezen.
Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft de beroepen op 1 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, bijgestaan door hun gemachtigde en tolk [persoon A] . De gemachtigde van verweerder is, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Inleiding
1. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.
2. Eiser is geboren op [geboortedatum 1] 1981, eiseres 1 op [geboortedatum 2] 1987 en eiseres 2 op [geboortedatum 3] 2009. Eisers behoren tot de etnoreligieuze Jezidi-gemeenschap en hebben de Iraakse nationaliteit. Op 29 november 2022 is aan eisers internationale bescherming verleend in Griekenland.
3. Eisers leggen aan hun asielaanvraag het volgende ten grondslag (zoals door verweerder kort samengevat is weergegeven in de verslagen van de nadere gehoren). Als Jezidi’s worden eisers gediscrimineerd in Irak en niet als volwaardige mensen behandeld. Bij terugkeer naar Irak vreest eiser voor de islam in het algemeen en een gedwongen bekering daartoe. Eiseres 1 geeft aan dat zij in Irak werd vernederd, uitgescholden en onvoldoende werd geholpen door bijvoorbeeld een arts. Eiseres 2 verklaart dat zij en haar familie vanwege genocide zijn gevlucht uit hun woonomgeving. Ook zijn ze in Irak beledigd en heeft een arts hen langer laten wachten.
De bestreden besluiten
4. De asielrelazen van eisers bevatten volgens verweerder de volgende asielmotieven:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Eisers werden gediscrimineerd in Irak, omdat zij Jezidi’s zijn.
Eisers
5. Alle asielmotieven worden geloofwaardig geacht door verweerder. Volgens verweerder leidt echter geen van deze asielmotieven tot een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Daarom komen eisers volgens verweerder niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Omdat eisers met opzet documenten hebben weggemaakt, zijn hun asielaanvragen afgewezen als kennelijk ongegrond op basis van artikel 31, eerste lid, van de Vw in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw. Daarnaast omvatten de bestreden besluiten een terugkeerbesluit.
Aanvullend ten aanzien van eiseres 2
6. Verweerder heeft zich ten aanzien van eiseres 2 tevens op het standpunt gesteld dat sprake is van adequate opvang in Irak. Dit omdat de ouders van eiseres 2 in Irak wonen, voor haar kunnen zorgen en in contact zijn met haar. Terugkeer naar Irak zal in het geval van eiseres 2 in haar belang zijn en daarmee in het belang van haar als kind zoals verwoord in artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK). Eiseres 2 krijgt daarom geen verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen (A3/6.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
Beoordeling door de rechtbank
Bescherming in Griekenland
7. Eisers stellen zich op het standpunt dat verweerder niet ten volle rekening heeft gehouden met hun Griekse dossiers door niet deugdelijk te motiveren waarom hij anders oordeelt dan de Grieks autoriteiten. Hierbij wijzen eisers erop dat de Griekse autoriteiten hun beslissingen hebben gebaseerd op uitgebreide landeninformatie over de positie van Jezidi’s in Irak.
8. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat verweerder niet verplicht is om de beslissing van de Griekse autoriteiten om aan een vreemdeling de vluchtelingenstatus te verlenen over te nemen. Verweerder mocht dus anders beslissen dan Griekenland heeft gedaan. Wel volgt uit rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie en de Afdeling dat verweerder ten volle rekening moet houden met de beslissing van de Griekse autoriteiten en met de elementen waarop die beslissing is gebaseerd. Dat brengt ten minste mee dat verweerder de Griekse dossiers kenbaar moet betrekken in zijn beoordeling. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dat niet gedaan. In de bestreden besluiten is enkel overwogen dat verweerder ten aanzien van Jezidi’s een ander beleid hanteert dan Griekenland en dat de algemene informatie waarop de beslissing van de Griekse autoriteiten is gebaseerd, bij verweerder bekend is. Niet inzichtelijk is gemaakt hoe de aan de Griekse beslissing ten grondslag liggende elementen, waaronder in het bijzonder de concreet vermelde landeninformatie, zijn meegewogen en waarom verweerder tot een andere beslissing komt. Deze beroepsgrond slaagt daarom.
Situatie in de kampen en in Sinjar
9. Eisers voeren aan dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de door eisers ervaren genocide en discriminatie niet wordt aangemerkt als vervolging en niet leidt tot een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM. Verweerder heeft niet inzichtelijk gemaakt aan welke herkomstplaats (Sinjar of het ontheemdenkamp in Darkar in de KAR) is getoetst en hoe eisers daar maatschappelijk en sociaal zouden kunnen functioneren. De humanitaire omstandigheden en veiligheidssituatie van die plaatsen/gebieden zijn niet meegenomen in de beoordeling. Vanwege die slechte omstandigheden kunnen eisers naar geen van die plaatsen/gebieden terugkeren. Ook is verweerder niet ingegaan op de genocide in Sinjar en of deze genocide zich opnieuw kan voordoen. Dat eisers eerder zijn blootgesteld aan vervolging of ernstige schade, is een duidelijke aanwijzing dat hun vrees gegrond is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of schade zich niet opnieuw zal voordoen. Om deze standpunten te onderbouwen wijzen eisers naar verschillende bronnen. Eiseres 2 voert daarnaast aan dat voor haar geen adequate opvang aanwezig is in Irak, gelet op de slechte veiligheidssituatie en humanitaire omstandigheden waarin haar ouders verblijven in Khana Sor in Sinjar.
10. De rechtbank overweegt dat verweerder zich in de bestreden besluiten op het standpunt stelt dat eisers bij terugkeer naar Irak geen risico lopen om slachtoffer te worden van vervolging of ernstige schade. Het is aan verweerder om duidelijk te maken aan welke plaats in Irak daarbij is getoetst. Dat heeft verweerder echter niet gedaan in de bestreden besluiten. Pas in de verweerschriften is de KAR voor alle eisers genoemd als normale woon- en verblijfsplaats (en daarmee als gebied waarnaar zij moeten terugkeren). In zoverre worden de verweerschriften als aanvullende besluiten aangemerkt. Hiermee is het gebrek dat geen standpunt is ingenomen over de vraag naar welk(e) plaats/gebied eisers in Irak moet terugkeren ten aanzien van eiser en eiseres 1 gerepareerd. Ten aanzien van eiseres 2 merkt de rechtbank op dat verweerder enerzijds in het bestreden besluit in het kader van het buitenschuldbeleid overweegt dat eiseres 2 gelet op haar minderjarige leeftijd bij terugkeer bij haar ouders in Sinjar kan verblijven en anderzijds in het verweerschrift de KAR noemt als normale woon- en verblijfplaats waarnaar zij moet terugkeren. Het standpunt ten aanzien van eiseres 2 over naar welke plaats/gebied in Irak zij moet terugkeren is dan ook niet eenduidig en het aanvullend besluit repareert ten aanzien van haar het gebrek niet.
11. In het verweerschrift stelt verweerder, met verwijzing naar het thematisch ambtsbericht Irak van november 2025, dat de basisvoorzieningen in algemene zin aanwezig zijn in de ontheemdenkampen in Duhok, waar Darkar onder valt, en dat ontheemden daar een grote bewegingsvrijheid hebben. In die ontheemdenkampen hebben eisers toegang tot woonruimte, onderwijs, gezondheidszorg, de arbeidsmarkt en voedsel. Verweerder wijst hierbij op verklaringen van eisers waaruit dat volgens hem ook blijkt. Niet is gebleken dat de omstandigheden in de ontheemdenkampen zijn verslechterd ten opzichte van wat ten tijde van de besluitvorming is aangevoerd en wat volgt uit het genoemde ambtsbericht. De door eisers ervaren discriminatie maakt dan ook niet dat zij als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag moeten worden gezien en ook is bij terugkeer geen sprake van een schending van artikel 3 van het EVRM, aldus verweerder.
12. De rechtbank vindt de besluitvorming door verweerder niet zorgvuldig. Zoals hiervoor in rechtsoverweging 10. al is overwogen, is pas in de verweerschriften door verweerder het standpunt ingenomen dat eisers moeten terugkeren naar het ontheemdenkamp in de KAR en is verweerder ingegaan op de situatie in de kampen in de KAR. De verweerschriften zijn de dag voor de zitting ingediend. De gemachtigde van eisers heeft op de zitting verklaard dat zij geen gelegenheid heeft gehad deze verweerschriften nog met eisers te bespreken en een volledige inhoudelijke reactie voor te bereiden op wat verweerder aanvoert over de situatie in de kampen (en heeft de rechtbank verzocht daarmee rekening te houden bij de beoordeling).
13. Eisers hebben op de zitting, in aanvulling op hun beroepsgronden, betwist dat de kampen in de KAR als hun normale woon- en verblijfplaats kunnen worden aangemerkt, gelet op de slechte situatie aldaar. Zij voeren aan dat humanitaire omstandigheden betrokken moeten worden bij de beoordeling wat als normale woon- en verblijfplaats kan gelden. De rechtbank volgt eisers hierin niet, maar is met verweerder van oordeel dat bij de beoordeling of een plaats als normale woon- en verblijfplaats kan worden aangemerkt in beginsel niet relevant is hoe de humanitaire omstandigheden ter plaatse zijn. Verweerder heeft voldoende toegelicht dat vanuit een politieke wens een genereus beleid te voeren in het beleid van vóór 1 juli 2024 om beleidstechnische redenen ervoor is gekozen om de vluchtelingenkampen in de KAR niet als normale woon- en verblijfplaats voor Jezidi’s uit Irak aan te merken. De aanvullende bepalingen over de gebruikelijke woon- en verblijfplaats voor Jezidi’s in het begunstigende beleid uit WBV 2021/1 zijn dus niet opgesteld om een permanent separaat beoordelingskader in het leven te roepen. De rechtbank gaat voor het beoordelingskader of een plaats kan worden beschouwd als de plaats waar de vreemdeling zijn normale woon- en verblijfplaats had, dan ook uit van wat de Afdeling daarover heeft overwogen. Uit jurisprudentie van de Afdeling volgt dat het gaat om de plaats/het gebied waar de vreemdeling voorafgaand aan zijn vertrek zijn normale woon- en verblijfplaats had. Daarbij is onder meer van belang hoe lang en onder welke omstandigheden de vreemdeling daar heeft verbleven. De omstandigheid dat de vreemdeling gevlucht is naar die plaats, is daarbij niet van doorslaggevende betekenis. De rechtbank volgt verder het standpunt van verweerder dat de KAR moet worden aangemerkt als de normale woon- en verblijfplaats van eiser en eiseres 1. Dit gelet op de omstandigheden dat zij direct voorafgaand aan hun vertrek uit Irak gedurende ongeveer acht jaar in een kamp in Darkar in de KAR hebben gewoond en verbleven en eiser vanuit dit kamp ook heeft gewerkt, en familieleden daar ook verbleven. Aldus is er sprake van een band van eiser en eiseres 1 met de KAR.
14. De rechtbank kan de beoordeling in het verweerschrift ten aanzien van de situatie van Jezidi’s in de ontheemdenkampen in de KAR (in het bijzonder in Darkar, Duhok) niet zonder meer volgen. Uit het thematisch ambtsbericht van november 2025 blijkt dat sprake is van een verslechtering van de situatie voor Jezidi’s in de kampen in Duhok en dat juist sprake is van een tekort aan basisvoorzieningen. Dit thematisch ambtsbericht beschrijft namelijk hoe onder meer bezuinigingen ertoe leidden dat hulp van verschillende (internationale) humanitaire hulporganisaties verminderde of deze organisaties zelfs genoodzaakt waren om te vertrekken. Dat leidde volgens het ambtsbericht juist tot een tekort aan basisvoorzieningen in de kampen zoals weerbestendige en veilige onderkomens, voedsel(hulp), medische zorg en psychosociale ondersteuning. In de ontheemdenkampen in de provincie Dohuk is de voedselhulp sinds februari 2025 stopgezet, waardoor ontheemden voor hun basisbehoeften afhankelijk zijn van particuliere donateurs en liefdadigheidsorganisaties. Daarnaast heeft verweerder niet alle door eisers aangedragen feitelijke omstandigheden in de ontheemdenkampen in de KAR kenbaar in zijn beoordeling betrokken. Zo verklaart eiser onder meer dat er in het kamp dagelijks slachtoffers zijn en vaak tenten in brand werden gestoken, puur omdat de bewoners Jezidi’s zijn, hij maar af en toe werk had en dan als Jezidi niet altijd betaald kreeg voor zijn arbeid, hij bij zijn medische behandeling werd gediscrimineerd en behandeld als tweederangsburger, het door moslims niet geaccepteerd werd als hij zijn geloof in het openbaar beleed en dat veel Jezidi-tempels vernietigd zijn, dat mensen in de kampen in angst leefden en de laatste tijd veel Jezidi’s uit de kampen terugkeren naar hun herkomstgebied omdat ze zich in het kamp niet veilig meer voelen. Eiseres 1 verklaart dat zij niet geholpen werd door dokters en als zij medische hulp zocht werd uitgescholden en bespuugd en de dokter haar en haar ID-kaart niet wilde aanraken, dat zij als Jezidi telkens door moslims (ook bij overheidsinstanties) werd verzocht zich te bekeren en respectloos werd behandeld en werd vernederd, Jezidi-kinderen op school verplicht worden de koran te lezen, en dat de situatie in het kamp waar zij verbleven in de loop der tijd verslechterde (ze kregen bedorven voedsel bij de voedselhulp en financiële hulp om eten en drinken te kopen werd stopgezet) en nu erg slecht en onveilig is omdat er een gebrek is aan alle basisvoorzieningen, geen elektra en geen water is en men vreest voor een nieuwe genocide omdat IS-ers/moslims weer terug zijn in het gebied. Eiseres 2 verklaart ook over de moeilijke situatie in het kamp (noemt onder andere brandende tenten en ongelukken), dat Jezidi’s worden gediscrimineerd, beledigd en onder druk gezet om hun geloof te veranderen en dat zij en andere Jezidi’s voortdurend in angst leven vermoord te worden, dat haar vader soms werk had en niet altijd betaald kreeg omdat hij Jezidi is en er daardoor niet altijd genoeg geld was om eten en drinken te kopen. Zij verklaart verder dat haar ouders uit het kamp zijn teruggekeerd naar Khana Sor omdat imams hebben gezegd dat Jezidi’s moesten worden weggejaagd uit de kampen en er gedreigd is tenten in brand te steken, maar dat het in Khana Sor ook niet veilig is (omdat er sprake is van bombardementen en Jezidi’s daar worden bedreigd en beledigd en er niet altijd elektriciteit beschikbaar is). Verweerder is op al deze verklaringen over de situatie in het kamp niet concreet dan wel onvoldoende ingegaan. Verder is verweerder ook onvoldoende ingegaan op wat in de door eiseres 2 overgelegde brief van Nidos van 20 juli 2026 is vermeld over wat eiseres 2 heeft verteld over de situatie in en buiten het vluchtelingenkamp in Darkar (en in Kahna Sor) en de ervaringen daar van eiseres 2 als Jezidi. Zo heeft eiseres 2 bij Nidos verteld dat er in het kamp vaak onvoldoende eten was en winkels buiten het kamp weigerden voedsel aan Jezidi’s te verkopen, dat zij werd uitgescholden en mishandeld door Koerdische of Arabische kinderen en ongewenst aangeraakt door Arabische mannen. (Over Khana Sor heeft zij verteld dat er vaak geen (schoon) drinkwater en eten is en dat zij en andere gezinsleden het gevaar lopen mishandeld, aangerand of vermoord te worden zodat zij nooit zonder begeleiding naar buiten kan.) Gelet op dit alles heeft verweerder de verklaringen van eisers (mede neergelegd in de brief van Nidos) en het thematisch ambtsbericht onvoldoende, althans onvoldoende kenbaar, in zijn beoordeling van de situatie in de KAR betrokken. Het verweerschrift repareert in zoverre het gebrek in het bestreden besluit niet.
15. Voor zover verweerder ten aanzien van eiseres 2 uitgaat van terugkeer naar Khana Sor in Sinjar, verwijst de rechtbank naar de uitspraak van deze zittingsplaats van 16 april 2026 en neemt de overwegingen en conclusies uit die uitspraak over. Zij merkt daarbij op dat, zoals hiervoor al uiteengezet is, verweerder ook onvoldoende is ingegaan op wat eiseres verklaart in haar gehoren en wat in de brief van Nidos van 20 juli 2026 is vermeld over de situatie van eiseres 2 en haar ouders in Sinjar, ook nadat haar ouders vanuit het kamp naar Khana Sor zijn teruggekeerd.
16. Wat hiervoor is overwogen over de situatie leidt tot verschillende conclusies. De besluitvorming is onzorgvuldig verlopen en bevat (ook nadat verweerder zijn standpunt in het verweerschrift nader uiteengezet en gemotiveerd heeft) nog motiveringsgebreken. Verweerder heeft niet deugdelijk gemotiveerd dat geen sprake is van vervolging en heeft ook niet deugdelijk gemotiveerd dat eisers bij terugkeer naar het ontheemdenkamp in Darkar in de KAR dan wel, in geval van eiseres 2, naar Sinjar geen gegronde vrees hebben voor vervolging en geen reëel risico lopen op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft uitgelegd waarom hij voor eiseres 2 Darkar in de KAR als normale woon- en verblijfplaats heeft aangemerkt terwijl haar ouders verblijven in Sinjar en hij ook overweegt dat zij na terugkeer bij haar ouders kan verblijven. Omdat de beoordeling van het buitenschuldbeleid voor AMV hiermee verband houdt kan dit deel van dat bestreden besluit ook geen stand houden. Gelet op het voorgaande zijn de bestreden besluiten in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Kennelijk ongegrond
17. Eisers voeren aan dat verweerder ten onrechte de asielaanvraag heeft afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat eisers hun paspoorten en Griekse verblijfsvergunningen zijn kwijtgeraakt. Ze hebben deze documenten dus niet te kwader trouw vernietigd, zoals bedoeld in artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw. Eisers hebben immers ook andere identiteitsdocumenten verstrekt en hun identiteit en nationaliteit zijn gevolgd door verweerder. Verweerder heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom eisers met het kwijtraken van hun paspoorten en Griekse verblijfsvergunningen de Nederlandse autoriteiten op het verkeerde been zouden hebben gezet. Er is daarom ook niet voldaan aan de voorwaarden uit de Vc.
18. De rechtbank stelt voorop dat verweerder bij de beoordeling of waarschijnlijk van kwade trouw sprake is in de zin van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw de verklaringen en gedragingen van eisers in onderlinge samenhang moet bezien. Eisers hebben verklaard dat ze hun Griekse verblijfsvergunning bewust hebben weggegooid omdat ze bang waren om teruggestuurd te worden naar Griekenland. Aldus hebben eisers bewust hun Griekse verblijfsvergunning achtergehouden om in een gunstiger positie te komen. Dat eisers in de zienswijze en beroep iets anders hebben verklaard, maakt dit niet anders, omdat eisers geen uitleg hebben gegeven voor het verschil tussen die verklaringen. Bovendien heeft eiser wisselend verklaard over zijn paspoort. Eerst stelde hij dat hij het paspoort heeft weggegooid, om daarna te verklaren dat hij dit is kwijtgeraakt. Eiser heeft ook geen uitleg gegeven voor die verschillende verklaringen. Met eisers is de rechtbank echter van oordeel dat, nu artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw ziet op het vaststellen van de identiteit, ook de kwade trouw en de bedoeling in een gunstiger positie te komen in dat licht moet worden bezien. Eisers hebben hun Griekse documenten weggegooid om in een gunstiger verblijfspositie te komen. Uit het dossier blijkt niet dat eisers de intentie hadden hun identiteit te verhullen of het vaststellen daarvan te bemoeilijken. Integendeel, eisers hebben vanaf het begin consequent verklaard over hun identiteit en direct bij hun asielaanvraag veel documenten overgelegd om hun identiteit etc. te onderbouwen, waaronder hun echt bevonden nationale identiteitskaart. Verweerder heeft op basis daarvan geoordeeld dat zij hun verklaringen over hun identiteit volledig met objectieve documenten hebben onderbouwd en hun identiteit geloofwaardig geacht. Onder deze omstandigheden heeft verweerder de asielaanvragen ten onrechte afgewezen op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw. Verweerders verwijzing naar artikel C2/7.3 van de Vc baat hem niet, omdat die bepaling ziet op artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw en niet op dit artikellid onder d. De beroepsgrond slaagt.
Terugkeerbesluiten
19. Volgens eisers heeft verweerder ten onrechte een terugkeerbesluit opgelegd. Gelet op rechtspraak van de Afdeling is dat namelijk niet mogelijk zolang de Griekse autoriteiten de aan eisers verleende asielstatus niet hebben ingetrokken.
20. De rechtbank stelt voorop dat de bestreden besluiten geen stand kunnen houden wegens de hiervoor vermelde zorgvuldigheids- en motiveringsgebreken en dat daarom een terugkeerbesluit thans al niet aan de orde is. Verder volgt uit rechtspraak van de Afdeling dat verweerder de uitkomst van de asielbeoordeling moet delen met de Griekse autoriteiten en deze in reactie daarop aanleiding moeten hebben gezien om de asielstatus van eisers in te trekken. Zolang dat niet is gebeurd, kan verweerder geen terugkeerbesluit opleggen. De beroepsgrond slaagt daarom.
Conclusie en gevolgen
21. De beroepen zijn gegrond. De bestreden besluiten zijn om de hierboven genoemde redenen in strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Awb. Dit betekent dat de bestreden besluiten niet in stand kunnen blijven. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten. De rechtbank ziet geen aanleiding of mogelijkheid om de rechtsgevolgen in stand te laten of zelf te voorzien. De rechtbank bepaalt daarom met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder nieuwe besluiten moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak.
22. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van beroepschriften en 1 punt voor het bijwonen van de zitting in drie samenhangende zaken, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Ben Larbi, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.