RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.59039
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),
en
(gemachtigde: mr. T. Stelpstra).
Procesverloop
Verweerder heeft op 1 juni 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld.
Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 13 oktober 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Toetsingskader
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 7 september 2026 (in de zaak NL26.49523) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 2 september 2026. De in deze uitspraak te toetsen periode loopt dus van 2 september 2026 tot 13 oktober 2026.
Voortvarend handelen
3. Eiser betoogt dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld.
Volgens eiser heeft verweerder onvoldoende inspanningen verricht om, naast het schriftelijke rappelleren en het voeren van de vertrekgesprekken, het dossier van eiser nog extra onder de aandacht te brengen van de Algerijnse autoriteiten. Dit temeer omdat de afdeling DIA al op 18 juli 2026 een bericht heeft ontvangen van de diplomatieke vertegenwoordiger van Algerije, waarin de Algerijnse autoriteiten de Algerijnse nationaliteit van eiser hebben bevestigd.
4. Uit de voortgangsrapportage van 9 oktober 2026 komt naar voren dat verweerder, in de te toetsen periode, op 3 september 2026 en 29 september 2026 vertrekgesprekken met eiser heeft gevoerd en op 8 september 2026 en 30 september 2026 schriftelijk bij de Algerijnse autoriteiten heeft gerappelleerd in verband met de lopende aanvraag voor een laisser-passer (lp). Deze handelingen van verweerder worden beschouwd als uitzettingshandelingen, zodat verweerder in de te toetsen periode naar het oordeel van de rechtbank voldoende voortvarend heeft gewerkt aan eisers uitzetting naar Algerije. Verder staat in de rapportage vermeld dat er op 22 oktober 2026 een presentatie in persoon van eiser is gepland bij de Algerijnse autoriteiten. Voor de planning van zo'n presentatie is verweerder afhankelijk van de Algerijnse autoriteiten. Uit de rapportage blijkt dat op verzoek van de Algerijnse consul eiser eerst gepresenteerd dient te worden alvorens er zal worden overgegaan tot afgifte van een lp.
Gelet op het vorenstaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank voldoende voortvarend gewerkt aan eisers uitzetting naar Algerije. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
5. Met inachtneming van de ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring in de periode van 2 september 2026 tot 13 oktober 2026 op enig moment onrechtmatig is geweest.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Felić, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.