RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.60330
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. L.J. Meijering),
en
(gemachtigde: mr. L. Ploeger).
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. De minister heeft eiser op 9 oktober 2026 op grond van artikel 59a, eerste lid, Vw in bewaring gesteld en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 16 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Eiser heeft middels een afstandsverklaring afstand gedaan van zijn recht om op de zitting te worden gehoord. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De minister kan de vreemdeling op wie de AMbV van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in bewaring stellen. Bewaring is alleen aan de orde als er een onderduikrisico bestaat of als dat noodzakelijk is ter bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, als ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen. Er moet een individuele beoordeling plaatsvinden van de situatie van de betrokken persoon. De bewaring moet evenredig zijn en er moeten geen andere, minder dwingende alternatieve maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast. De bewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, als deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de bewaring.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. De minister heeft aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de AMbV en er een onderduikrisico bestaat.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening;o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Eiser heeft de zware en lichte gronden niet bestreden. De rechtbank ziet ambtshalve geen aanleiding om te concluderen dat deze gronden de maatregel niet kunnen dragen. Er is dus sprake van een significant risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Kennisgeving
5. Eiser voert aan dat niet uit het dossier kan worden vastgesteld dat de minister binnen zes uur een kennisgeving van het opleggen van de maatregel heeft verzonden aan de rechtbank.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat uit de kennisgeving zoals deze is toegevoegd aan het digitaal dossier blijkt dat deze om 14:04 is verstuurd naar de rechtbank. De maatregel van bewaring is dezelfde ochtend om 08:45 opgelegd. Dit betekent dat de kennisgeving binnen zes uur na het opleggen van de maatregel is verzonden.
Uitplaatsing DTC Rotterdam
6. Eiser voert over het voortraject aan dat niet uit het dossier blijkt dat hij binnen vierentwintig uur is uitgeplaatst naar het detentiecentrum in Rotterdam.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft op de zitting toegelicht dat een nieuwe werkwijze van de Dienst Terugkeer en Vertrek ervoor zorgt dat slechts intern wordt genoteerd wanneer iemand wordt uitgeplaatst. Ter verduidelijking heeft de minister een bericht aan het digitale dossier toegevoegd waaruit blijkt dat eiser op 9 oktober om 10:02 is uitgeplaatst. Dit betekent dat de uitplaatsing binnen vierentwintig uur heeft plaatsgevonden.
Afstandsverklaring zitting
7. De gemachtigde van eiser voert aan dat er geen juridische waarde kan worden gehecht aan de door eiser getekende afstandsverklaring. Tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling wenste eiser geen bijstand van een advocaat, en bij een latere belafspraak van de gemachtigde met eiser kon er geen verbinding tot stand komen. Dit betekent dat eiser en gemachtigde elkaar niet hebben kunnen spreken over de maatregel van bewaring.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt dat zij geen aanleiding heeft om te twijfelen aan de afstandsverklaring die eiser heeft ondertekend. Dat de gemachtigde van eiser hem niet heeft kunnen spreken doet hier niet aan af. Niet is gebleken dat eiser op enige wijze contact heeft geprobeerd te krijgen met zijn gemachtigde, en hij heeft ook niet in het vertrekgesprek aangegeven dat hij behoefte had aan juridische bijstand.
Grondslag
8. De rechtbank is van oordeel dat eiser valt onder de in artikel 59a van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. Er bestaat een concreet aanknopingspunt voor een overdracht zoals bedoeld in de AMbV. Op 20 augustus 2026 is er namelijk voor eiser een overdrachtsbesluit genomen.
Lichter middel
9. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat hiermee het risico op onttrekking is gegeven.
Voortvarendheid en zicht op overdracht
10. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de overdracht van eiser en dat zicht op overdracht niet ontbreekt. De minister heeft op de vijfde dag van de inbewaringstelling, namelijk op 13 oktober 2026, een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Ook is er een vlucht gepland voor eiser op 19 oktober 2026. De gemachtigde van eiser is hier op 9 oktober 2026 over geïnformeerd. De rechtbank vindt dit voldoende voortvarend.
Conclusie en gevolgen
11. De rechtbank stelt ambtshalve vast dat eiser in totaal niet langer dan zes maanden in bewaring zit. Ook voor het overige ziet de rechtbank ambtshalve geen aanleiding om de maatregel onrechtmatig te achten.
12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. van der Meulen-Postma, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.