ECLI:NL:RBDHA:2026:31059

ECLI:NL:RBDHA:2026:31059

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 20-10-2026
Datum publicatie 22-10-2026
Zaaknummer NL26.60061
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

grensdetentie, werkwijze asielgrensprocedure, lichter middel, ambtshalve toetsing, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.60061

V-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. M. Khababi),

en

Procesverloop

Bij besluit van 7 oktober 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

Verweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Eiser heeft gronden tegen het bestreden besluit ingediend.

Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb) en met instemming van partijen heeft de rechtbank bepaald het onderzoek ter zitting achterwege te laten en het onderzoek gesloten op 15 oktober 2026.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.

2. Op grond van artikel 5.5, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.

Werkwijze asielgrensprocedure

3. Eiser betoogt dat de huidige werkwijze van verweerder, waarbij iedere asielaanvraag die aan de grens wordt ingediend in de asielgrensprocedure wordt behandeld, niet in overeenstemming is met het Unierecht. Volgens eiser wordt de grensprocedure categorisch toegepast en heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom in het geval van eiser vrijheidsontneming noodzakelijk is. Dit doet geen recht aan het ultimum remedium karakter van de bewaringsmaatregel. Eiser doet een beroep op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van 14 augustus 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:23095, waarin is overwogen dat de noodzaak van grensdetentie nader gemotiveerd moet zijn. Het enkele feit dat eiser zijn asielaanvraag aan de buitengrens heeft ingediend, kan daarom niet leiden tot een stelselmatige vrijheidsontneming.

De rechtbank stelt vast dat eiser aan de grens een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend en hij niet aan de toegangsvoorwaarden voldeed. Hiermee wordt voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw. Artikel 6, derde lid, van de Vw voorziet zowel in een grondslag voor grensdetentie tijdens de screening als tijdens de asielgrens-procedure. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat in beginsel is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de bevoegdheid tot het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw.

De rechtbank overweegt daarbij dat het grensbewakingsbelang naar zijn aard in beginsel rechtvaardigt dat een vrijheidsontnemende maatregel wordt toegepast.

Het grensbewakingsbelang is aan de orde nu nog moet worden geoordeeld over het verlenen van toegang tot het grondgebied aan een vreemdeling die niet aan de toegangsvoorwaarden voldoet. De vaststelling dat grensdetentie nodig is om het grensbewakingsbelang daadwerkelijk te dienen, betekent niet dat in ieder individueel geval automatisch een vrijheidsontnemende maatregel wordt opgelegd. Verweerder dient steeds te beoordelen of sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken en daarom maken dat de maatregel in een concreet geval niet moet worden opgelegd.

Verder overweegt de rechtbank dat verweerder voorafgaand aan het opleggen van de maatregel geen beoordeling hoefde te maken of de asielaanvraag van eiser zich leent voor behandeling in de asielgrensprocedure en dat de bewaringsrechter zich in beginsel niet inhoudelijk kan uitlaten over de vraag of een asielverzoek in de asielgrensprocedure kan worden behandeld. Verweerder dient de gelegenheid te krijgen om onderzoek daarnaar te doen en een redelijke termijn daarvoor te krijgen. De werkwijze van verweerder waarbij asielaanvragen die aan de grens worden gedaan en waarbij de vreemdeling niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden uit de Schengengrenscode in beginsel in de asielgrensprocedure worden behandeld en de grensdetentie wordt opgeheven wanneer de aanvraag niet verder kan worden behandeld in de asielgrensprocedure, is in overeenstemming met de Procedureverordening. De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding voor een ander oordeel. De beroepsgrond slaagt niet.

Lichter middel

4. Eiser betoogt dat verweerder zijn asielaanvraag niet in de grensprocedure had moeten behandelen. Bij aankomst op Schiphol heeft eiser zijn geldige Venezolaanse paspoort overgelegd en heeft hij direct asiel gevraagd. Eiser is hiv-positief en verblijft inmiddels meerdere dagen in het detentiecentrum zonder medicatie. Zijn medische situatie is tot op heden niet beoordeeld. Gelet hierop had van verweerder mogen worden verwacht dat de medische situatie van eiser tijdig wordt beoordeeld en dat wordt nagegaan of de noodzakelijke medische zorg tijdens de detentie is gewaarborgd. Deze omstandigheden maken namelijk dat eisers situatie niet valt onder de artikel 45, eerste lid, van de Procedureverordening genoemde gevallen, op grond waarvan verweerder verplicht toepassing moet geven aan de asielgrensprocedure. De rechtbank begrijpt dit betoog aldus dat eiser de toepassing van de maatregel onevenredig bezwarend acht.

Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 2 september 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:5077) volgt dat verweerder in het grensbewakingsbelang in beginsel voldoende noodzaak mag zien om een vrijheidsontnemende maatregel op te leggen. Dat belang is hier aan de orde, nu nog moet worden geoordeeld of eiser toegang krijgt tot het grondgebied.

De vaststelling dat grensdetentie nodig is om het grensbewakingsbelang daadwerkelijk te dienen, betekent echter niet dat in ieder individueel geval automatisch een vrijheidsontnemende maatregel wordt opgelegd. Hiervan wordt - ingevolge het bepaalde in artikel 5.5, tweede lid, van het Vb – afgezien indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die de maatregel onevenredig bezwarend maken. In hetgeen eiser naar voren toe heeft gebracht ziet de rechtbank daarvoor geen grond.

Uit de reactie van verweerder volgt dat eiser ondertussen wel is gezien door de medische dienst en is doorverwezen naar een arts voor nader onderzoek. Zoals verweerder heeft opgemerkt, is niet gebleken dat eiser klachten ervaart als gevolg van zijn hiv-infectie die de grensdetentie onevenredig bezwarend maken. Daarnaast geldt dat medische zorg in het detentiecentrum beschikbaar is. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Ambtshalve toetsing

5. Los van de door eiseres aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiseres verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Felić, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. E.J. Rutten

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand