RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.60684
(gemachtigde: mr. J. van Appia),
en
(gemachtigde: mr. J. Willems).
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. De maatregel van bewaring is met ingang van 12 oktober 2026 onrechtmatig. Eiser heeft na het opleggen van de maatregel van bewaring een aanvraag om toetsing aan het EU-recht ingediend. Tijdens deze aanvraag heeft eiser procedureel rechtmatig verblijf. Hierdoor kan de maatregel van bewaring niet worden voortgezet op grond van artikel 59a van de Vw.
De rechtbank beveelt daarom de opheffing van de bewaring en kent een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 9 oktober 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 15 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam] als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De minister kan de vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van de Asiel- en migratiebeheerverordening. In de Asiel- en migratiebeheerverordening staat dat de lidstaten wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de lidstaten de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.
Op grond van het Vb kan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening en een onderduikrisico bestaat.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;f. in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Kunnen de door de minister vermelde gronden de maatregel dragen?
5. De rechtbank stelt vast dat eiser de feitelijke en juridische juistheid van de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet betwist. Ambtshalve ziet de rechtbank ook geen aanleiding om te oordelen dat de gronden feitelijk onjuist of onvoldoende gemotiveerd zijn. Deze gronden, in onderlinge samenhang bezien met de daarbij gegeven motivering, zijn voldoende om aan te nemen dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
6. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met de toepassing van een lichter middel dan de inbewaringstelling. In dit kader heeft eiser erop gewezen dat hij tijdens het gehoor heeft verklaard dat hij een relatie heeft met zijn in Nederland woonachtige partner en dat hij bij haar kan verblijven. Tijdens het gehoor heeft eiser ook de naam van zijn vriendin genoemd. Er had op dit punt meer moeten worden doorgevraagd zodat ook het adres van zijn vriendin achterhaald had kunnen worden.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Bij de beantwoording van de vraag of de minister met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of de minister zich terecht op het standpunt stelt dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van de minister: verwijzing naar de gronden van de maatregel volstaat daarvoor niet.6.2. De minister stelt zich, gelet op de niet bestreden omstandigheden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast.De minister verwijst daarbij in eerste instantie terecht naar de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en het onderduikrisico dat daaruit volgt. Verder staat eiser niet ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres van zijn vriendin en heeft hij ook niet op een andere manier aangetoond dat hij daar vast verblijft. In het gehoor voorafgaand aan de bewaring heeft eiser wel verklaard dat hij een partner in Nederland heeft en dat hij daar verblijft maar hij heeft ook verklaard dat hij een nieuw paspoort heeft gekregen en dat deze thuis ligt. Op de vraag waar dit ‘thuis’ is, heeft eiser geantwoord dat dit het adres is van zijn broer in Amsterdam. Dit duidt er meer op dat eiser bij zijn broer verblijft en niet bij zijn vriendin. Omdat eiser niet heeft aangetoond dat hij vast bij zijn vriendin in Nederland verblijft, is het onderduikrisico bijhet opleggen van een lichter middel te groot en heeft de minister geen aanleiding hoeven zien om een lichter middel zoals een meldplicht op te leggen.Is er nog een grondslag voor bewaring na het indienen van de aanvraag om toetsing aan het EU-recht?
7. Eiser voert aan dat hij op 12 oktober 2026 een aanvraag om toetsing aan het EU-recht heeft ingediend en dat deze aanvraag ervoor zorgt dat hij rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Hij heeft een vriendin in Nederland met de Duitse nationaliteit. Op 12 oktober 2026 is de aanvraag via Zivver naar de minister gestuurd en vanaf die datum is de bewaring onrechtmatig.
Deze beroepsgrond slaagt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 12 november 2021 overwogen dat een vreemdeling tijdens de behandeling van een aanvraag om toetsing aan het EU-recht, rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw. Als een vreemdeling na het opleggen van de maatregel van bewaring een aanvraag om toetsing aan het EU-recht indient, kan de bewaring niet op grond van artikel 59 van de Vw of een andere bestaande wettelijke bepaling worden voortgezet. Voor deze vreemdelingen voorziet de Vw niet in een wettelijke grondslag voor bewaring. De Afdeling heeft overwogen dat het aan de wetgever is om indien gewenst te voorzien in een wettelijke regeling voor bewaring van vreemdelingen die een aanvraag om toetsing aan het EU-recht hebben ingediend. Dit is alleen anders als de vreemdeling door het indienen van de aanvraag kunstmatig de voorwaarden wilde creëren waaronder het recht op procedureel rechtmatig verblijf en daarmee invrijheidsstelling ontstaat, terwijl het doel van de Unieregeling niet wordt bereikt (misbruik van recht). Het is aan de minister om aannemelijk te maken dat sprake is van misbruik van recht.
Eiser heeft op 12 oktober 2026 via Zivver een aanvraag om toetsing aan het EU-recht ingediend. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van de minister bevestigd dat de aanvraag op die datum is ingediend. De minister heeft niet gesteld en het is de rechtbank ook niet gebleken dat eiser met het indienen van de aanvraag om toetsing aan het EU-recht misbruik van recht heeft gemaakt. De gemachtigde van de minister heeft zich op de zitting enkel op het standpunt gesteld dat het enkel indienen van een aanvraag om toetsing aan het EU-recht geen rechtmatig verblijf oplevert, maar dit standpunt volgt de rechtbank gelet op de hierboven genoemde uitspraak van de Afdeling van 12 november 2021 niet. Uit die uitspraak volgt dat het indienen van een aanvraag om toetsing aan het EU-recht tot gevolg heeft dat eiser vanaf die datum rechtmatig verblijf heeft in Nederland op grond van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw en dat de bewaring vanaf die datum niet op grond van artikel 59a of een andere wettelijke bepaling kan worden voortgezet. 7.3. Omdat er geen wettelijke grondslag meer bestaat voor inbewaringstelling, is de maatregel vanaf 12 oktober 2026 onrechtmatig.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf 12 oktober 2026 onrechtmatig. De rechtbank beveelt daarom de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.
Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 5 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van en 5 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 600,-.
Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 600,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.B.H. Hebbink, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.H.S. Abbing, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.