Rechtbank den haag
Wrakingskamer
wrakingnummer 2026/68
zaak- /rekestnummer: C/09/714407 / KG RK 26-1479
Beslissing van 21 oktober 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] , handelend onder de naam [bedrijf 1] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mrs. J.E. Bierling, R.E. Perquin en J. Snoeijer,
rechters in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechters (van de eerste wrakingskamer).
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit het schriftelijke wrakingsverzoek van 11 oktober 2026.
2. Het wrakingsverzoek
Op 22 september 2026 heeft verzoeker mr. De Coninck gewraakt tijdens de mondelinge behandeling in de zaak tussen hem en [bedrijf 2] . Dit wrakingsverzoek is ter zitting van 5 oktober 2026 behandeld door de wrakingskamer die bestaat uit mrs. J.E. Bierling, R.E. Perquin en J. Snoeijer als rechters (zaak met kenmerk C/09/713034 / KG RK 26-1353).
Het op 11 oktober 2026 ingediende wrakingsverzoek strekt tot wraking van de rechters die de wraking van mr. De Coninck behandelen.
In het wrakingsverzoek van 11 oktober 2026 staat het volgende:
“Hierbij verzoek ik, [verzoeker] , op grond van artikel 36 Rv om wraking van de drie rechters die op 5 oktober 2026 mijn wrakingsverzoek behandelden. Ik verzoek dit stuk onverwijld aan de bevoegde instantie voor te leggen en mij schriftelijk te bevestigen of reeds uitspraak is gedaan.
GROND EN FEITELIJKE TOELICHTING
Aan het begin van de wrakingszitting verklaarde de voorzitter namens de kamer: “Wij hebben het proces-verbaal gelezen.” Ik reageerde: “Het proces-verbaal, u bedoelt mijn verweer?” De voorzitter antwoordde daarop volgens mijn herinnering bevestigend.
Mijn bezwaar is niet dat een proces-verbaal ieder woord moet bevatten.
Mijn bezwaar is dat niet kenbaar is vastgesteld waar mijn verweer, waarop de wrakingskamer een oordeel moet baseren, in het dossier is terug te vinden. Het proces-verbaal van de faillissementszitting van 22 september 2026 vermeldt niet herkenbaar de inhoud van de mondelinge betogen van beide advocaten over de pluraliteit van schuldeisers. [naam 1] heeft op 25 september 2026 schriftelijk bevestigd dat hij het ontbreken van een tweede schuldeiser ter zitting aanvoerde en dat de rechter daarover vragen stelde aan [naam 2] .
De schriftelijke reactie van de gewraakte rechter van 30 september en eventuele nadere reacties van andere procesdeelnemers zijn afzonderlijke stukken en kunnen het ontbrekende verband tussen mijn eigen verweer en het proces-verbaal niet zonder toelichting vervangen.
Ik heb tijdens de zitting expliciet de betekenis van het proces-verbaal als mijn verweer aan de orde gesteld. Naar mijn waarneming heeft de kamer niet kenbaar onderzocht waar mijn verweer feitelijk is vastgelegd en op welke basis zij mijn bezwaar daartegen kon beoordelen. In samenhang met het belang van de lopende faillissementsprocedure heeft deze gang van zaken bij mij de objectief te toetsen vrees gewekt dat mijn eigen procespositie niet onbevangen wordt onderzocht.
Mijn centrale vraag is: “Waar is mijn verweer?”
VERZOEK
Ik verzoek om behandeling van dit wrakingsverzoek door een andere samenstelling, en om vóór een beslissing op het oorspronkelijke wrakingsverzoek vast te stellen hoe de kamer mijn verweer heeft geïdentificeerd en betrokken. Ik verzoek om ontvangstbevestiging, de namen van de betrokken rechters, de processtukken die aan de wrakingskamer zijn verstrekt en bericht of een uitspraak reeds is gedaan.
Ik baseer mij op artikel 36 Rv en het recht op een eerlijk proces (artikel 6 EVRM). Dit verzoek is gericht tegen de wijze van behandeling door de drie leden van de wrakingskamer; ik vraag om toetsing van de objectieve schijn van partijdigheid, niet om een voorbarige vaststelling van hun bedoelingen.”
3. De beoordeling
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
Het wrakingsverzoek moet worden gedaan zodra de omstandigheden die daarvoor aanleiding hebben gegeven zich hebben voorgedaan. Artikel 37, eerste lid Wetboek van Rechtsvordering bepaalt immers dat het verzoek tot wraking wordt gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. Na indiening van het verzoek wordt de procedure direct geschorst. Zo wordt voorkomen dat de rechter proceshandelingen verricht gedurende een periode waarvan later wordt vastgesteld dat hij toen niet over de vereiste onpartijdigheid beschikte. Ook is beoogd onnodige vertraging van de rechtspleging te voorkomen.
Uit het wrakingsverzoek volgt dat de door verzoeker voor de wraking aangevoerde omstandigheden betrekking hebben op het verloop van de zitting die op 5 oktober 2026 heeft plaatsgevonden. Verzoeker was op die zitting aanwezig en dus op die dag al bekend met de feiten en omstandigheden die voor hem aanleiding zijn geweest om het wrakingsverzoek in te dienen. Hij heeft het wrakingsverzoek vervolgens echter pas op 11 oktober 2026 ingediend. Voor het tijdsverloop van zes dagen is door verzoeker geen redelijke verklaring gegeven. Het verzoek is daarom te laat ingediend en verzoeker kan dan ook niet worden ontvangen in het verzoek. Aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek komt de wrakingskamer daarom niet toe.
4. De beslissing
De wrakingskamer:
verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek;
bepaalt dat het proces in de wrakingsprocedure met zaaknummer C/09/713034 / KG RK 26-1353 wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:
• de verzoeker;
• de rechters (van de eerste wrakingskamer).
Deze beslissing is gegeven door mrs. E.A.W. Schippers, A.M.A. Keulen en E.E. Schotte, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.L. van Nooijen-Kühler en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.