Rechtbank den haag
Wrakingskamer
wrakingnummer 2026/62
zaak- /rekestnummer: C/09/713034 / KG RK 26-1353
Beslissing van 22 oktober 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] , handelend onder de naam [bedrijf 1] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
advocaat: voorheen mr. F.L.P. Vulto, thans geen,
strekkende tot de wraking van
mr. N.E.M. de Coninck,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het proces-verbaal van de zitting van 22 september 2026 waarin het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden ervan zijn vermeld;
- de schriftelijke reactie van de rechter van 30 september 2026;
- de door verzoeker op de zitting overgelegde en gehanteerde spreekaantekeningen.
Op 5 oktober 2026 is het verzoek tot wraking ter zitting behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- verzoeker;
- de wederpartij in de hoofdzaak, als toehoorder: [bedrijf 2] , vertegenwoordigd door haar advocaat mr. J.H. Ligtenberg en door
mr. B. Officier.
De rechter heeft de wrakingskamer bericht wegens ziekte niet aanwezig te kunnen zijn.
2. Het wrakingsverzoek
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer C/09/711620 / FT RK 26/491 waarin de [bedrijf 2] heeft verzocht tot faillietverklaring van verzoeker.
Verzoeker heeft blijkens het proces-verbaal van de zitting, waarop hij het mondelinge wrakingsverzoek heeft gedaan, en zoals toegelicht tijdens de zitting van de wrakingskamer, het volgende aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag gelegd. De rechter heeft zich vooringenomen getoond jegens verzoeker door op de zitting niet in te gaan op het verweer van verzoeker dat de vordering van de wederpartij in de hoofdzaak is gebaseerd op valse stukken en door niet alle bankmutaties door te willen nemen, waarmee verzoeker zijn verweer wilde onderbouwen.
Bij de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft verzoeker hieraan toegevoegd dat de bankmutaties die hij met de rechter wilde doornemen al in het dossier zaten. Het is dus niet zo, zoals de rechter in haar schriftelijke reactie heeft gesteld, dat de bankmutaties niet op voorhand aan de wederpartij waren toegezonden en het bespreken daarvan op zitting daarom in strijd zou kunnen zijn met de goede procesorde.
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna, voor zover nodig, besproken.
3. De beoordeling
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
De wrakingskamer leidt uit het proces-verbaal van de zitting af dat de rechter op de zitting aan verzoeker heeft laten weten dat ze geen kennis wilde nemen van de stukken waar hij aandacht voor vroeg. De rechter heeft daarbij aangegeven dat er een veroordelend vonnis op tegenspraak ligt dat het uitgangspunt vormt voor het bestaan van de vordering van de wederpartij in de hoofdzaak en dat in een faillissementsprocedure geen ruimte bestaat voor het voeren van een uitgebreid verweer.
De wrakingskamer stelt voorop dat de beslissing om geen kennis te nemen van genoemde stukken een procedurele beslissing is, ongeacht of die stukken wel of niet al in het dossier zaten. Uitgangspunt is dat een procedurele beslissing – ook als deze onjuist zou zijn – in beginsel geen grond kan vormen voor wraking. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt immers mee dat het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) geen oordeel toekomt over de juistheid van de (tussen)beslissing of de motivering daarvan. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Dit is uitsluitend anders, indien de beslissing of de motivering daarvan – in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – zo onbegrijpelijk is, dat daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring is te geven dan dat de beslissing door vooringenomenheid is ingegeven. Dat daarvan in dit geval sprake is, is naar het oordeel van de wrakingskamer echter niet gebleken. Het wrakingsverzoek zal daarom worden afgewezen.
4. De beslissing
De wrakingskamer
wijst het verzoek tot wraking af;
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:
• de verzoeker;
• de wederpartij in de hoofdzaak;
• de rechter.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.E. Bierling, R.E. Perquin en J. Snoeijer, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.M.N. van Limpt-Schrover en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2026.
de griffier de voorzitter
De beslissing is namens de voorzitter door mr. J. Snoeijer ondertekend.
De griffier is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.