RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[naam], verzoekster, V-nummer: [nummer], (gemachtigde: mr. C.E. van Diepen),
[naam], verzoekster, V-nummer: [nummer],
en haar minderjarige zoon,[naam], verzoeker,V-nummer: [nummer],
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.41105 en NL26.41108
(gemachtigde: mr. C.E. van Diepen),
en
(gemachtigde: mr. R.M. Koning).
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoekers om in Nederland te verblijven onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (de Richtlijn). Verzoekers zijn het hier niet mee eens. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening en voeren daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om de bestreden besluiten te schorsen.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak de verzoeken toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Verzoekers hebben een aanvraag ingediend om in Nederland te verblijven onder de Richtlijn. Eerder verbleven verzoekers in Polen onder de Richtlijn.
De minister heeft deze aanvragen met de besluiten van 24 juni 2026 afgewezen. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 12 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers en hun gemachtigde, een tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Spoedeisend belang
3. De voorzieningenrechter beoordeelt bij een verzoek tot voorlopige voorziening hangende een bezwaarprocedure of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Voordat kan worden toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek moet worden beoordeeld of verzoekers een spoedeisend belang hebben bij de gevraagde voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat sprake is van spoedeisend belang. Verzoekers hebben een brief van 15 juli 2026 van burgemeester en wethouders van de Fryske Marren overgelegd waaruit volgt dat zij door de besluiten van de minister binnen twee weken de opvang moeten verlaten. Op 24 juli 2026 heeft de gemachtigde van verzoekers bericht dat hen is toegezegd dat ze in de opvang mogen blijven totdat is beslist op de verzoeken om een voorlopige voorziening. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de vereiste onverwijlde spoed dan ook aanwezig. De stelling van de minister dat verzoekers asiel kunnen aanvragen en tijdens de asielprocedure recht hebben op opvang bij het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) leidt niet tot een ander oordeel. Verzoekers hebben hun asielaanvragen eerder immers juist ingetrokken. Bovendien heeft het COa te maken met capaciteitsproblemen, waardoor het de vraag is of er plek is voor verzoekers, waaronder het minderjarige kind. De voorzieningenrechter zal het verzoek om voorlopige voorziening daarom inhoudelijk beoordelen.Redelijke kans van slagen
4. Verzoekers voeren aan dat de minister ten onrechte stelt dat zij niet in aanmerking komen voor bescherming op grond van de Richtlijn in Nederland, omdat zij eerder bescherming hadden in een ander land. Het klopt dat verzoekers eerst onder de Richtlijn vielen in Polen, maar deze tijdelijke bescherming is per 9 juni 2026 door verzoekers opgezegd. Verzoeksters hebben tijdens de zitting toegelicht dat zij Polen hebben verlaten, omdat het daar niet goed ging met verzoeker, de minderjarige zoon. Deze bescherming was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit dus al niet meer actief. Het is in strijd met het Unierecht om tijdelijke bescherming in een andere lidstaat tegen te werpen die ten tijde van het nemen van het besluit al niet meer bestond. Het kan nooit de bedoeling zijn dat verzoeksters in geen enkele lidstaat meer aanspraak kunnen maken op tijdelijke bescherming. De bedoeling is enkel om gelijktijdige bescherming in meer dan één lidstaat te voorkomen. Volgens verzoekers zijn IB 2026/20 en WI 2025/6 met elkaar in tegenspraak.
De minister heeft in zijn besluit overwogen dat verzoekers geen aanspraak kunnen maken op bescherming op grond van de Richtlijn in Nederland, omdat zij in Polen bescherming onder de Richtlijn hebben gehad. Het Temporary Protection Platform bevestigt dat verzoekers de tijdelijke bescherming op 9 juni 2026 hebben beëindigd in Polen. De minister interpreteert punt 4 van het Uitvoeringsbesluit 2025/1460 zo dat personen die op of na 15 juni 2026 tijdelijke bescherming in Nederland aanvragen en in een andere lidstaat tijdelijke bescherming hebben of hebben gehad niet in aanmerking komen voor verblijfsrecht onder de Richtlijn in Nederland. Dit is door de minister neergelegd in IB 2026/20.
Oordeel van de voorzieningenrechter
5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de bezwaren redelijke kans van slagen heeft. Dit wordt hierna uitgelegd.
Vast staat dat verzoekers op het moment van het besluit van de minister geen tijdelijke bescherming in Polen meer hadden. De minister heeft de afwijzing van de aanvragen van verzoekers gebaseerd op punt 4 van het Uitvoeringsbesluit 2025/1460 van 15 juli 2025. Daar staat het volgende:
(4) Aangezien een persoon slechts in één lidstaat tegelijk de aan tijdelijke bescherming verbonden rechten kan genieten, moeten de lidstaten, om ervoor te zorgen dat dat beginsel wordt geëerbiedigd en om meerdere registraties voor tijdelijke bescherming te voorkomen, verzoeken om een verblijfsvergunning op basis van artikel 8, lid 1, van Richtlijn 2001/55/EG afwijzen wanneer duidelijk is dat de betrokken persoon op die basis reeds een verblijfsvergunning in een andere lidstaat heeft verkregen. Dat zou in overeenstemming zijn met het arrest van het Hof van Justitie van 27 februari 2025 in zaak C-753/23 (5) en met name met punt 30 daarvan.
Het standpunt van de minister in het bestreden besluit verhoudt zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet met (de strekking van) het Uitvoeringsbesluit 2025/1460, dat zich er niet tegen lijkt te verzetten dat een ontheemde eerst in de ene lidstaat bescherming geniet, deze bescherming eindigt, en de ontheemde vervolgens in een andere lidstaat bescherming verkrijgt. Uit het Uitvoeringsbesluit 2025/1460 lijkt te volgen dat het niet de bedoeling is dat er in twee lidstaten gelijktijdig bescherming wordt genoten. In het arrest Krasiliva van 27 februari 2025 van het Hof van Justitie oordeelt het Hof dat bij de beoordeling of aan een ontheemde een verblijfstitel moet worden toegekend kan worden betrokken dat die ontheemde reeds in een andere lidstaat tijdelijke bescherming geniet. Ook wijst de voorzieningenrechter op de nog steeds geldende WI 2025/6, waarin staat:
Tijdelijke bescherming in een andere EU-lidstaat
De lidstaten zijn overeengekomen dat een tijdelijk beschermde niet wordt teruggestuurd naar een lidstaat van eerder verblijf. Dit betekent dat als een ander EU-land al tijdelijke bescherming heeft verleend maar de ontheemde besluit zich toch in Nederland te vestigen, hij niet hoeft terug te keren naar het land dat hem tijdelijke bescherming heeft verleend. Nederland zal dan zijn eigen beoordeling van de RTB moeten doen. Dat een ander land de ontheemde tijdelijke bescherming heeft gegeven, betekent niet dat Nederland dit ook moet doen. Als de tijdelijke bescherming wel wordt gegeven, zal het andere EU-land de tijdelijke bescherming moeten beëindigen. Een ontheemde kan dus maar in één lidstaat op een specifiek moment tijdelijke bescherming hebben.
Samengevat is de voorzieningenrechter van oordeel dat het Uitvoeringsbesluit 2025/1460 zich er niet tegen lijkt te verzetten dat een ontheemde eerst in de ene lidstaat bescherming geniet, deze bescherming eindigt, en de ontheemde vervolgens in een andere lidstaat bescherming verkrijgt. Omdat de bezwaren naar het oordeel van de voorzieningenrechter daarom een redelijke kans van slagen hebben, zal de voorzieningenrechter de verzoeken toewijzen. De andere gronden die verzoeksters hebben aangedragen behoeven gelet op het voorgaande geen beoordeling.
Conclusie en gevolgen
6. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken toe en treft de voorlopige voorziening dat verzoeksters moeten worden behandeld als ontheemden die onder de werking van de Richtlijn vallen, tot vier weken na de dag dat de besluiten op bezwaar bekendgemaakt worden.
Er bestaat in dit geval aanleiding voor een proceskostenvergoeding. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen verzoekers een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en is ter zitting verschenen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De voorzieningenrechter oordeelt dat sprake is van samenhangende zaken. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1868,-
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst de verzoeken om voorlopige voorziening toe, in die zin dat de minister verzoekers moet behandelen alsof zij onder de werking van de Richtlijn 2001/55/EG vallen, tot vier weken na de dag dat de besluiten op bezwaar bekendgemaakt worden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1868,- aan proceskosten aan verzoekers gezamenlijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr.M. Veenstra - van der Veen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.