Rechtbank den haag
Wrakingskamer
wrakingnummer 2026/67
zaak- /rekestnummer: C/09/714148 / KG RK 26-1458
Beslissing van 19 oktober 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
hierna te noemen: verzoeker,
gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels MRE (Bartels Consultancy B.V.),
strekkende tot de wraking van
mr. K.B. Woe,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
1. De procedure
Het schriftelijke wrakingsverzoek is ingediend op 8 oktober 2026.
De wrakingskamer heeft de beschikking over de dossiers in de hoofdzaken.
2. Het wrakingsverzoek
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaken met de nummers SGR 25/9235 WOZ en SGR 25/9237 WOZ tussen verzoeker en de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland (hierna: de hoofdzaken). De behandeling van de hoofdzaken zou plaatsvinden op 8 oktober 2026. Vlak voor deze behandeling is het wrakingsverzoek per e-mail bij de wrakingskamer binnen gekomen.
Verzoeker heeft aan zijn wrakingsverzoek het volgende ten grondslag gelegd. De rechter heeft het verzoek tot digitale deelname aan de mondelinge behandeling in de hoofdzaken afgewezen. Deze beslissing is, in samenhang bezien met het ontbreken van iedere motivering en het uiterst late moment waarop zij is genomen, zodanig onbegrijpelijk dat daardoor de objectief gerechtvaardigde schijn is gewekt dat sprake is van vooringenomenheid.
3. De beoordeling
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
Een beslissing om digitale deelname aan een mondelinge behandeling niet toe te staan is een beslissing van praktische aard. Verzoeker stelt dat daarmee de schijn van vooringenomenheid is gewekt. De enkele omstandigheid dat een verzoek van praktische aard niet wordt gehonoreerd, wekt (nog) geen schijn van vooringenomenheid. Verzoeker heeft niet onderbouwd waarom dat in dit concrete geval anders is. Uit het tijdstip waarop de beslissing is genomen of het ontbreken van een motivering voor de afwijzing van het verzoek, kan die schijn niet worden afgeleid. Daarom wordt het verzoek afgewezen.
Wrakingsverbod
Het is de wrakingskamer ambtshalve bekend dat mr. Bartels in eerdere procedures meerdere wrakingsverzoeken heeft ingediend, die telkens niet tot gegrondverklaring hebben geleid en buiten zitting zijn afgedaan (met kenmerken C/09/662473 / KG RK 24-331, C/09/662487 / KG RK 24-334, C/09/662693 / KG RK 24-348, C/09/662703 / KG RK 24-351, C/09/665588 / KG RK 24-623, C/09/666209 / KG RK 24-709, C/09/673526 / KG RK 24-1396, C/09/673536 / KG RK 24-1398, C/09/675870 / KG RK 24-1623 en C/09/702003 / KG RK 26-553). Gezien deze eerdere wrakingsverzoeken en de onderbouwing daarvan, concludeert de wrakingskamer dat mr. Bartels het middel van wraking gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het is gegeven of met geen ander doel dan het frustreren van de voortgang van de procedures. Daarmee is sprake van misbruik. Gelet hierop ziet de wrakingskamer aanleiding te bepalen dat een volgend wrakingsverzoek dat wordt ingediend in de hoofdzaken, niet meer in behandeling genomen zal worden.
Buiten zitting
Voor een behandeling van het wrakingsverzoek ter terechtzitting bestaat geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het vorenstaande niet toegekomen.
4. De beslissing
De wrakingskamer
wijst het verzoek tot wraking af;
bepaalt dat het proces in de hoofdzaken wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek in de hoofdzaken niet in behandeling zal worden genomen;
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 8:18, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegezonden aan:
• verzoeker p/a zijn gemachtigde mr. D.A.N. Bartels MRE;
• de wederpartij in de hoofdzaak;
• de rechter.
Deze beslissing is gegeven door mrs. E.A.W. Schippers, A.M.A. Keulen en A.M. Boogers, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.L. van Nooijen-Kühler en in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.