Rechtbank den haag
Wrakingskamer
wrakingnummer 2026/57
zaak- /rekestnummer: C/09/712009 / KG RK 26-1293
Beslissing van 19 oktober 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoekster,
gemachtigde: mr. G. Blonk,
strekkende tot de wraking van
mr. J.J.P. Bosman,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het proces-verbaal van de zitting van 16 juli 2026;
- het schriftelijke wrakingsverzoek van 17 juli 2026;
- de schriftelijke reactie van de rechter van 25 september 2026.
Op 5 oktober 2026 is het verzoek tot wraking ter zitting behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- verzoekster, bijgestaan door haar gemachtigde mr. G. Blonk;
- de rechter;
- de wederpartij in de hoofdzaak (de staatssecretaris van Defensie), als toehoorder, vertegenwoordigd door haar gemachtigde: mr. C.E. Lamberti.
2. Het wrakingsverzoek
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer SGR 25/2960 tussen verzoekster en de staatssecretaris van Defensie. In die zaak heeft verzoekster een beroepschrift ingediend tegen (de beslissing op bezwaar tegen) het besluit haar te ontheffen van haar uitzendfunctie en haar te repatriëren. Het beroepschrift is op 16 juli 2026 op zitting behandeld. De volgende dag heeft verzoekster een schriftelijk wrakingsverzoek ingediend.
Verzoekster heeft blijkens het schriftelijke wrakingsverzoek en verder toegelicht tijdens de zitting van de wrakingskamer, het volgende aan haar verzoek ten grondslag gelegd. Na de opening van de zitting, nog voordat partijen zich over de juridische aspecten van de zaak hadden uitgelaten, heeft de rechter gezegd: “Ik wil niet nu al over het juridische spreken, want dan zijn we snel klaar. Ik wil eerst het verhaal horen”. Met deze uitspraak heeft de rechter er blijk van gegeven dat zij op voorhand een juridisch oordeel over de zaak had, waardoor haar onpartijdigheid schade heeft geleden. Ook uit de overige behandeling van de zaak blijkt volgens verzoekster dat de rechter met name oog had voor de persoonlijke situatie van verzoekster, maar te weinig aandacht had voor het juridische deel van de zaak.
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna, voor zover nodig, besproken.
3. De beoordeling
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
De wrakingskamer stelt voorop dat het proces-verbaal van de zitting de weerslag vormt van hoe de zitting is verlopen en wat daar is gezegd. Uit het proces-verbaal blijkt niet dat de rechter aan het begin van de zitting heeft gezegd dat ze niet nu al over het juridische wilde spreken, omdat ze dan “snel klaar” zouden zijn. Hoe dan ook; de kern van het verwijt van verzoekster is, zo is de wrakingskamer tijdens de behandeling van het wrakingsverzoek duidelijk geworden, dat de rechter op de zitting te weinig oog heeft gehad voor de juridische aspecten van de zaak. Dat verwijt acht de wrakingskamer onterecht. Zoals de rechter op de zitting van de wrakingskamer heeft uitgelegd, heeft zij er, gelet op de aard van de zaak, bewust voor gekozen om verzoekster eerst de gelegenheid te geven de menselijke kant van het verhaal toe te lichten, om vervolgens de juridische punten te bespreken. Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt ook dat nadat verzoekster haar verhaal had gedaan, uitgebreid gelegenheid is geweest voor verzoekster en haar gemachtigde om de juridische punten naar voren te brengen. Dat de gemachtigde van verzoekster die gelegenheid, had hij nog meer of andere juridische punten naar voren willen brengen, niet te baat heeft genomen, kan de rechter niet worden aangerekend, noch geeft dit blijk van enige (schijn van) vooringenomenheid van haar zijde. Dat de rechter te weinig oog heeft gehad voor de juridische aspecten van de zaak, is dan ook niet gebleken. Ook andere concrete feiten waaruit de wrakingskamer de vooringenomenheid van de rechter of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kan afleiden, ontbreken. Daarom wordt het wrakingsverzoek afgewezen.
4. De beslissing
De wrakingskamer
wijst het verzoek tot wraking af;
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 8:18, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegezonden aan:
• de verzoekster p/a haar gemachtigde mr. G. Blonk;
• de wederpartij in de hoofdzaak;
• de rechter.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.E. Bierling, R.E. Perquin en J. Snoeijer, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.M.N. van Limpt-Schrover en in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2026.
de voorzitter
De griffier is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.