RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 oktober 2026 in de zaak tussen
[naam verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 26/2628
(gemachtigde: mr. M. Fouad Fattal),
en
(gemachtigde: [naam gemachtigde] ).
Procesverloop
Op 2 augustus 2024 heeft verzoeker (referent) een aanvraag ingediend tot afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel ‘nareis’. Op 12 juni 2025 heeft de echtgenote van verzoeker een beroep niet tijdig beslissen ingesteld. In de uitspraak van 5 september 2025 (NL25.26209) heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, het beroep gegrond verklaard.
Op 14 februari 2026 heeft verzoeker opnieuw beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
Op 14 februari 2026 heeft verzoeker tevens een nieuwe aanvraag ingediend tot afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’.
Op 17 april 2026 heeft verweerder beslist op de mvv-aanvraag van verzoeker met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’.
Bij bericht van 26 april 2026 heeft verzoeker het beroep inzake de mvv-aanvraag met als doel ‘nareis’ ingetrokken en de rechtbank verzocht verweerder te veroordelen in de proceskosten.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek.
Verweerder heeft hierop bij brief van 13 mei 2026 gereageerd en gesteld dat verweerder geen aanleiding ziet om de proceskosten te vergoeden, aangezien niet aan het beroep inzake de mvv-aanvraag met als doel ‘nareis’ tegemoet is gekomen.
Verzoeker heeft hierop bij brief van 21 mei 2026 gereageerd en gesteld dat het feit dat via een andere aanvraag alsnog verblijf is verkregen, niet kan worden gebruikt om het recht op proceskostenvergoeding te ontnemen. Ook stelt verzoeker dat een proceskostenveroordeling niet uitsluitend aan de orde is wanneer exact op dezelfde aanvraag alsnog een besluit wordt genomen.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en dat een zitting daarom achterwege wordt gelaten behoudens het geval (een van) partijen zou(den) aangeven prijs te stellen op een mondelinge behandeling. Omdat geen van partijen daarna om een zitting heeft gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
3. Verzoeker heeft op 2 augustus 2024 verzocht om de afgifte van een mvv ten behoeve van zijn echtgenote met als doel ‘nareis’. Omdat eiser tot op heden niet heeft beslist op deze aanvraag heeft verzoeker tevens verzocht om de afgifte van een mvv ten behoeve van zijn echtgenote met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’. Op deze aanvraag is bij besluit van 17 april 2026 positief beslist. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder daarmee aan verzoeker tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a van de Awb. Het standpunt van verweerder dat alleen sprake kan zijn van tegemoetkomen in de zin van laatstgenoemde bepaling als verweerder in de onderhavige procedure alsnog een besluit had genomen, volgt niet uit laatstgenoemde bepaling (vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5113). Daarbij betrekt de rechtbank ook dat beide aanvragen materieel hetzelfde doel hebben, namelijk verblijf bij partner, en dat verzoeker onweersproken heeft gesteld dat hij zich genoodzaakt voelde om een tweede aanvraag in te dienen met hetzelfde doel, omdat verweerder tot op heden niet heeft beslist op zijn eerste aanvraag.
4. Het verzoek om verweerder te veroordelen in de proceskosten zal dan ook als gegrond worden toegewezen.
5. De rechtbank veroordeelt verweerder in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).
6. Ook moet verweerder verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 200,- aan verzoeker te vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. de Gans, rechter, in aanwezigheid van G.I. Heijblom, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.