ECLI:NL:RBDHA:2026:31080

ECLI:NL:RBDHA:2026:31080

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 22-10-2026
Datum publicatie 22-10-2026
Zaaknummer 09/018874-26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Veroordeling voor twee pogingen tot moord op (ex)partner en minderjarige zoon. Voorbedachte raad bij beide feiten bewezen. Oplegging van een gevangenisstraf van 18 jaar en tbs met dwangverpleging. Oplegging van de maatregel tot gedragsbeinvloeding of vrijheidsbeperking. Twee vorderingen tot schadevergoeding gedeeltelijk toegewezen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/018874-26

Datum uitspraak: 22 oktober 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats] ,

op dit moment gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats 1] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 8 oktober 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. N.C. Neelis en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. J.P.D. Visser naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1

hij, op of omstreeks 18 januari 2026 te Lisse, ter uitvoering van het door verdachte

voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade

van het leven te beroven,

- meermalen, althans eenmaal, met een klauwhamer, althans een soortgelijk

(scherp en/of puntig) voorwerp, tegen en/of op het hoofd, althans het lichaam, van

die [slachtoffer 1] heeft geslagen en/of bewogen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2

hij, op of omstreeks 18 januari 2026 te Lisse, ter uitvoering van het door verdachte

voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk en met voorbedachten rade

van het leven te beroven,

- meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig

voorwerp, in/tegen, althans in de richting van de nek/hals, althans het lichaam, van

die [slachtoffer 2] heeft gestoken en/of gesneden en/of bewogen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3. De bewijsbeslissing

Inleiding

In de nacht van 18 januari 2026 omstreeks tien over half drie, hoorde getuige [getuige] buiten luid geschreeuw. Kort daarna werd er meerdere keren bij hem aangebeld. Bij zijn voordeur trof hij een vrouw en een jongen van dertien jaar aan. Beiden zaten onder het bloed en hadden ernstig letsel. De jongen had een hamer in zijn handen. [getuige] liet hen binnen en belde onmiddellijk het alarmnummer.

Wanneer de hulpdiensten ter plaatse komen bij de woning aan de [adres] , treffen zij in de woning van [getuige] twee gewonde personen aan. Het blijken [slachtoffer 1] en haar dertienjarige zoon [slachtoffer 2] te zijn. [slachtoffer 1] is ernstig gewond aan haar hoofd en nauwelijks aanspreekbaar. [slachtoffer 2] heeft ernstig letsel aan zijn hals, maar kan nog verklaren wat er is gebeurd.

[slachtoffer 2] vertelt de ter plaatse gekomen politieagenten dat zijn ouders in scheiding liggen. Hij lag die nacht te slapen, maar werd wakker van geschreeuw. Toen hij naar beneden ging, zag hij zijn vader boven op zijn moeder zitten en haar herhaaldelijk met een klauwhamer op het hoofd slaan. [slachtoffer 2] greep in en wist de hamer af te pakken. Vervolgens sneed zijn vader hem met een broodmes in de hals. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] wisten daarop de woning te ontvluchten. Op blote voeten renden zij de straat op, op zoek naar hulp. Toen zij bij de woning van [getuige] licht zagen branden, belden zij daar aan.

Rond vijf over drie die nacht wordt de verdachte in zijn woning aangehouden. Hij komt zelf de trap af en opent de deur voor de agenten. De verdachte zit onder het bloed. Hij heeft een diepe snijwond van 20 centimeter in zijn linkerarm van zijn pols naar boven. Daarnaast is sprake van andere, kleinere snijwonden op zowel de linker- als de rechterarm. De verdachte wordt met de ambulance naar het ziekenhuis gebracht. Daar horen twee verbalisanten de verdachte tegenover een arts verklaren: “Ik lig twee weken in een scheiding. Ik ben het daar niet mee eens. Vanavond ging het fout.” Ook zegt hij: “Ik ben al twee weken bezig met die scheiding, het maakte me gek en nu draaide ik door.”

In de eerste verhoren geeft de verdachte aan nog niet te willen verklaren. Hij beschrijft zijn herinneringen aan de gebeurtenissen als een waas en zegt dat alles voor hem nog te vaag is. Op 21 april 2026 verklaart hij bereid te zijn alsnog een verklaring af te leggen. Hij zegt zich slechts flarden van de bewuste nacht te herinneren. Ook tijdens de terechtzitting van 8 oktober 2026 geeft hij geen helder beeld van wat er is gebeurd. Hij verklaart dat hij met [slachtoffer 1] in gesprek wilde gaan, maar dat hij vervolgens vreselijke dingen heeft gedaan. Wat hij precies heeft gedaan en waarom, kan hij naar eigen zeggen niet goed reconstrueren. Hij denkt dat verschillende factoren een rol hebben gespeeld, waaronder zijn sombere gevoelens en financiële problemen. Ook legt hij een verband met de relatieproblemen en verklaart hij dat het misschien niet zo was gelopen als [slachtoffer 1] beter met hem had gecommuniceerd. De verdachte ontkent dat hij vooraf een plan had gemaakt om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] van het leven te beroven.

De telefoon van de verdachte is in beslaggenomen en onderzocht. In de YouTube-geschiedenis zijn verschillende filmpjes aangetroffen die de verdachte in de dagen voor 18 januari 2026 heeft bekeken. De filmpjes hebben betrekking op moord en zelfdoding. De verdachte heeft verklaard dat hij zich kan herinneren een filmpje te hebben bekeken over de dood van [naam] in [plaats 2] en een filmpje over een injectie, omdat hij destijds nadacht over zelfdoding. Aan het bekijken van de overige filmpjes heeft hij geen herinnering.

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot moord op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , dan wel poging tot doodslag op ieder van hen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft – verkort en zakelijk weergegeven – ten aanzien van feit 1 en feit 2 gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde, te weten: poging tot moord. De officier van justitie heeft zich gebaseerd op de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , de medische stukken die het letsel beschrijven bij beiden, de verklaringen van de verdachte en de bevindingen uit de onderzochte telefoon van de verdachte. De officier van justitie concludeert uit de YouTube-geschiedenis op de telefoon van de verdachte dat de verdachte zich kennelijk heeft georiënteerd op het doden van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en zichzelf. Opvallend vindt de officier van justitie daarbij dat de bekeken filmpjes overeenkomsten hebben met het handelen van de verdachte tijdens het incident. Zij komt tot de conclusie dat er in beide gevallen sprake was van voorbedachte raad.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft naar voren gebracht dat de verdachte niet ontkent dat hij [slachtoffer 1] met een hamer heeft geslagen en [slachtoffer 2] met een mes in de hals heeft gesneden. Volgens de verdediging stonden de geheugenfuncties van de verdachte ten tijde van het incident onder druk, waardoor hij zich de gebeurtenissen ook nu nog slechts beperkt kan herinneren.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de primair ten laste gelegde pogingen tot moord niet wettig en overtuigend kunnen worden bewezen, omdat geen sprake was van voorbedachte raad. De raadsman heeft daarom vrijspraak bepleit van beide primair ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van de onder 1 en 2 impliciet subsidiair ten laste gelegde pogingen tot doodslag heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

Bewijsoverwegingen

Wat is er gebeurd die nacht?

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zich de gebeurtenissen in de nacht van 18 januari 2026 nauwelijks kan herinneren. Hij heeft verklaard dat zijn herinneringen aan het incident beperkt zijn tot enkele flarden en dat hij niet kan reconstrueren wat hij precies heeft gedaan.

[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben beiden kort na het incident verklaard over wat er die nacht is gebeurd. Zij hebben hun verklaringen later nader aangevuld. De rechtbank acht de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gedetailleerd en consistent. Op basis van deze verklaringen, die worden ondersteund door het geconstateerde letsel bij beiden, stelt de rechtbank het volgende vast.

In de periode voorafgaand aan het incident had [slachtoffer 1] de verdachte laten weten dat zij hun relatie wilde beëindigen. Dat voornemen had zij ook concreet gemaakt: zij zocht naar een andere woning en sliep inmiddels niet meer bij de verdachte, maar op de bank in de woonkamer.

In de nacht van 17 op 18 januari 2026 werd [slachtoffer 1] rond half drie wakker doordat zij hevige pijn aan haar hoofd voelde. Zij merkte dat haar haar nat was en probeerde om hulp te roepen, maar verdachte bedekte herhaaldelijk haar mond. Later bleek dat het vocht dat zij had gevoeld haar eigen bloed was.

[slachtoffer 2] , de zoon van [slachtoffer 1] en de verdachte, werd wakker van het geschreeuw en ging naar beneden. Daar zag hij dat de verdachte op [slachtoffer 1] lag en haar herhaaldelijk met een hamer op het hoofd sloeg. De verdachte hield daarbij met zijn andere hand een kussen tegen haar hoofd om haar geschreeuw te smoren. [slachtoffer 2] greep in en wist de hamer van zijn vader af te pakken en hem van zijn moeder af te krijgen. Vervolgens pakte de verdachte een mes. Dit mes brak af. Daarna sloeg de verdachte [slachtoffer 1] opnieuw met de hamer, tegen haar jukbeen.

Vervolgens pakte de verdachte een tweede mes en sneed hij [slachtoffer 2] in de hals. Hierop wist [slachtoffer 2] de hamer te pakken en sloeg hij de verdachte daarmee. Uiteindelijk kon [slachtoffer 2] samen met [slachtoffer 1] de woning ontvluchten.

Omstreeks tien over half drie belden [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] aan bij buurtbewoner [getuige] . Deze zag dat beiden ernstig gewond waren en veel bloed verloren. Hij liet hen binnen en waarschuwde de hulpdiensten. Toen de politie kort daarna arriveerde, troffen de agenten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] bebloed en gewond aan. [slachtoffer 1] was nauwelijks aanspreekbaar. [slachtoffer 2] had een diepe snijwond van ten minste 15 centimeter in zijn nek.

[slachtoffer 2] vertelde de politie wat er was gebeurd en had de klauwhamer waarmee de verdachte hen had aangevallen meegenomen uit de woning. Ook op camerabeelden is te zien dat [slachtoffer 2] een klauwhamer bij zich had. De politie trof deze hamer vervolgens aan in de woning van [getuige] , op de plek waar deze volgens hem was neergelegd.

Op basis hiervan stelt de rechtbank vast dat de verdachte met een klauwhamer [slachtoffer 1] meermalen op het hoofd heeft geslagen en met een broodmes horizontaal in de hals van [slachtoffer 2] heeft gesneden.

De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is of er bij de feiten 1 en 2 sprake was van opzet op de dood van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] .

Opzet

Opzet op de dood van [slachtoffer 1]

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte vol opzet had op de dood van [slachtoffer 1] . De verdachte heeft haar meermalen met een klauwhamer, een zwaar voorwerp met een metalen slagvlak en een scherpe achterkant, tegen het hoofd geslagen. Het hoofd is een kwetsbaar deel van het lichaam, waarin zich onder meer de hersenen en belangrijke bloedvaten bevinden. De aard van het gebruikte geweld, de kwetsbaarheid van de getroffen lichaamsdelen en de herhaling van de slaande bewegingen, in onderlinge samenhang bezien, maken dat het handelen van de verdachte naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer was gericht op de dood van [slachtoffer 1] dat de rechtbank daaruit afleidt dat de verdachte willens en wetens gehandeld heeft met het doel haar van het leven te beroven.

Opzet op de dood van [slachtoffer 2]

Ook ten aanzien van [slachtoffer 2] is de rechtbank van oordeel dat de verdachte vol opzet had op zijn dood. De verdachte heeft het hoofd van [slachtoffer 2] naar achteren getrokken, waardoor diens hals vrij kwam te liggen, en vervolgens met een gekarteld broodmes een horizontale snijbeweging in diens hals gemaakt. De hals bevat kwetsbare en vitale structuren, waaronder grote bloedvaten en de luchtpijp. Gelet op de wijze waarop de verdachte te werk is gegaan, de plaats waar hij het mes heeft aangebracht en de lengte van de aangebrachte snee van ten minste 15 centimeter, is het handelen naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op de dood van [slachtoffer 2] dat de rechtbank daaruit afleidt dat de verdachte willens en wetens gehandeld heeft met het doel [slachtoffer 2] van het leven te beroven.

De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is of er bij de feiten 1 en 2 sprake was van poging moord of poging doodslag.

Voorbedachte raad

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van voorbedachte raad vast moet komen te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. De verdachte dient de gelegenheid te hebben gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap hebben kunnen geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechtbank het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten.

De rechtbank, die de YouTube-geschiedenis en het handelen van de verdachte in gezamenlijke context beschouwt, komt daarbij tot de volgende conclusies.

Voorbedachte raad bij poging doden [slachtoffer 1]

De verdediging meent dat er sprake was van een hevige gemoedsopwelling bij de verdachte en dat een forse woede over het einde van zijn relatie uiteindelijk heeft geleid tot zijn handelen.

De rechtbank ziet dat anders. De verdachte is de bewuste nacht - naar eigen zeggen kalm en doelbewust - naar beneden gelopen en heeft [slachtoffer 1] terwijl zij lag te slapen aangevallen met een klauwhamer. Hoewel niet is komen vast te staan waar de verdachte de hamer precies vandaan heeft gehaald, overweegt de rechtbank dat een klauwhamer een voorwerp is dat zich niet zonder meer toevallig binnen handbereik bevindt. Ook in dit geval was daarvan geen sprake: zowel [slachtoffer 1] als de verdachte hebben verklaard dat de hamer niet in de woonkamer werd bewaard, maar in de schuur of - volgens de verdachte - wellicht nog op de zolderkamer van [slachtoffer 2] in verband met een klus. De verdachte heeft de slapende [slachtoffer 1] meermalen met deze hamer op het hoofd geslagen en hield daarbij met zijn andere hand een kussen tegen haar mond en hoofd, zodat zij niet om hulp kon roepen. Deze gang van zaken kan niet anders worden gezien dan als een doelgerichte, van tevoren bedachte aanval. De beschreven gang van zaken past in het geheel niet bij de door de verdediging geschetste situatie waarin de verdachte als gevolg van een plotselinge hevige gemoedsopwelling zou hebben gehandeld. Gelet op het feit dat het midden in de nacht was en [slachtoffer 1] lag te slapen, heeft de verdachte ruim de tijd gehad om zich te kunnen beraden op zijn besluit om [slachtoffer 1] te doden.

De rechtbank betrekt ook de duur van de aanval in de beoordeling. De aanval heeft voortgeduurd nadat [slachtoffer 2] beneden was gekomen en bestond uit meer dan één enkele geweldshandeling. De verdachte had op verschillende momenten kunnen nadenken over zijn handelen en de consequenties daarvan.

De rechtbank heeft oog voor de conclusies van de gedragsdeskundigen dat bij de verdachte sprake was van forse woede vanwege de relatiebreuk en de keuze van [slachtoffer 1] voor een nieuwe partner. Deze kennelijke woede bij de verdachte doet echter niets af aan wat hiervoor is overwogen over de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de uit die omstandigheden blijkende voorbedachte raad.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de verdachte ruim de gelegenheid heeft gehad zich te beraden op zijn besluit en de betekenis en gevolgen daarvan te overwegen. Niet is gebleken dat hij heeft gehandeld in een hevige gemoedsopwelling. De rechtbank zal de voorbedachte raad voor feit 1 dan ook bewezen verklaren.

Voorbedachte raad bij poging doden [slachtoffer 2]

De rechtbank is van oordeel dat ook ten aanzien van [slachtoffer 2] sprake was van voorbedachte raad. Daarbij betrekt de rechtbank het verloop van de gebeurtenissen en de handelingen die de verdachte heeft verricht voordat hij [slachtoffer 2] met een mes in de hals sneed.

[slachtoffer 2] werd wakker van het geschreeuw van [slachtoffer 1] en trof de verdachte aan terwijl hij met een hamer op het hoofd van zijn moeder sloeg. Nadat [slachtoffer 2] de verdachte had toegeroepen dat hij moest stoppen met het slaan van zijn moeder en hem de klauwhamer had weten af te pakken, liep de verdachte naar de open keuken en pakte hij een mes. Hij probeerde daarmee iets bij [slachtoffer 1] te doen, maar het mes brak af. Vervolgens pakte de verdachte opnieuw de klauwhamer en sloeg hij [slachtoffer 1] daarmee tegen haar jukbeen.

Op enig moment zag de verdachte [slachtoffer 2] staan en kwam op hem af. [slachtoffer 2] rende daarop naar boven. De verdachte ging achter hem aan tot aan de trap, waarna hij terugliep richting de woonkamer en [slachtoffer 2] hem uit het zicht verloor. Toen [slachtoffer 2] weer beneden kwam, had de verdachte inmiddels een tweede broodmes uit de keuken gepakt. De verdachte pakte [slachtoffer 2] toen bij het hoofd, trok dit naar achteren zodat diens hals vrij kwam te liggen en sneed vervolgens met het mes horizontaal in diens hals.

Tussen het moment waarop [slachtoffer 2] naar boven vluchtte en het moment waarop de verdachte hem in de hals sneed, hebben zich dus verschillende opeenvolgende handelingen voorgedaan. Naar het oordeel van de rechtbank waren er daarmee verschillende momenten waarop de verdachte gelegenheid had zich te beraden op zijn handelen en de mogelijke gevolgen daarvan. De wijze waarop de verdachte het mes bij [slachtoffer 2] heeft gebruikt, waarbij hij diens hoofd naar achteren trok om de hals vrij te leggen en vervolgens een horizontale snijbeweging maakte, wijst eveneens op beraad vooraf.

De rechtbank heeft daarbij onder ogen gezien dat de aanwezigheid van [slachtoffer 2] beneden mogelijk niet vooraf door de verdachte was voorzien. Dit gegeven sluit op zichzelf echter niet uit dat de verdachte de bedoeling heeft gehad om niet alleen [slachtoffer 1] , maar ook [slachtoffer 2] – en mogelijk daarna zichzelf - van het leven te beroven. Evenmin doet dit af aan de gelegenheid die de verdachte heeft gehad om zich te beraden op zijn handelen. De opeenvolgende handelingen en de doelgerichte wijze waarop de verdachte [slachtoffer 2] uiteindelijk met het mes in de hals heeft gesneden, bieden naar het oordeel van de rechtbank geen aanknopingspunt voor de conclusie dat hij daarbij handelde vanuit een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.

De rechtbank betrekt bij haar oordeel ook de overige omstandigheden van het geval. De YouTube-geschiedenis die op de telefoon van de verdachte is aangetroffen geeft blijk van de filmpjes die hij in de dagen voorafgaand aan het incident heeft bekeken. Die filmpjes hadden betrekking op moord en zelfdoding. Op de dag voor het incident heeft de verdachte onder andere een filmpje bekeken over een veertienjarig meisje dat in haar nek is gestoken. De bekeken filmpjes vormen een aanvullende aanwijzing die het oordeel van de rechtbank ondersteunen dat de verdachte voorafgaand aan het incident heeft nagedacht over het doden van zijn gezin en zichzelf. Zij versterken het beeld dat het handelen van de verdachte niet voortkwam uit een plotselinge opwelling.

Alles in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte gelegenheid heeft gehad zich te beraden op zijn besluit om [slachtoffer 2] van het leven te beroven en de betekenis en gevolgen daarvan te overwegen. De rechtbank acht daarom ook ten aanzien van feit 2 de voorbedachte raad bewezen.

Dat betekent dat de rechtbank met betrekking tot de onder 1 en 2 impliciet primair ten laste gelegde pogingen tot moord bewezen acht.

De bewezenverklaring

De rechtbank is met betrekking tot de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

1

hij, op 18 januari 2026 te Lisse, ter uitvoering van het door verdachte

voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade

van het leven te beroven, meermalen met een klauwhamer tegen en/of op het hoofd, van die [slachtoffer 1] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2

hij, op 18 januari 2026 te Lisse, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, eenmaal, met een mes, in de nek/hals van die [slachtoffer 2] heeft gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Uit het Pro Justitia-rapport volgt dat de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde feit verminderd toerekeningsvatbaar was. De rechtbank zal deze conclusie overnemen. De psychische problematiek was weliswaar van invloed op het handelen van de verdachte, maar was niet van dien aard dat het bewezenverklaarde feit in het geheel niet aan de verdachte kan worden toegerekend. Van een omstandigheid die de strafbaarheid van verdachte volledig uitsluit, is derhalve geen sprake. De verdachte is dus strafbaar.

6. De oplegging van een straf en maatregel

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf van achttien jaren en de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling (tbs-maatregel) met dwangverpleging gevorderd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft een strafmaatverweer gevoerd, inhoudende dat de gevorderde gevangenisstraf te hoog is gelet op soortgelijke zaken. Voorts heeft de verdediging betoogd dat een tbs-maatregel met voorwaarden ook mogelijk is. Voor zover relevant zal de rechtbank hierna nader ingaan op hetgeen de verdediging hiertoe heeft gesteld.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft geprobeerd zijn (ex-)vrouw [slachtoffer 1] en zijn eigen, toen dertienjarige zoon [slachtoffer 2] van het leven te beroven. Hij heeft [slachtoffer 1] , terwijl zij lag te slapen, meermalen met een klauwhamer tegen het hoofd geslagen. [slachtoffer 2] werd wakker van het geschreeuw van zijn moeder en zag hoe zijn vader haar met de hamer te lijf ging. Hij greep in om haar te beschermen, waarna de verdachte ook hem aanviel en hem met een mes in de hals sneed. Dankzij het heldhaftige en doortastende ingrijpen van [slachtoffer 2] hebben beiden, ernstig gewond en hevig bloedend, de woning kunnen ontvluchten. Dat zij de aanvallen hebben overleefd, is geenszins aan de verdachte te danken.

De rechtbank rekent de verdachte deze feiten buitengewoon zwaar aan. Hij heeft een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van beide slachtoffers en hun het meest fundamentele recht, het recht op leven, willen ontnemen. Dat deed hij bovendien in hun eigen woning, de plek waar zij zich bij uitstek veilig hadden moeten kunnen voelen. In het bijzonder weegt de rechtbank mee dat de verdachte zijn jonge zoon aan dit buitensporige geweld heeft blootgesteld. Dat een kind van dertien zich genoodzaakt ziet zijn moeder te beschermen tegen zijn eigen vader en vervolgens zelf voor zijn leven moet vrezen, is bijzonder kwalijk en schrijnend.

Aan de gebeurtenissen ging de beëindiging van de relatie tussen [slachtoffer 1] en de verdachte vooraf. [slachtoffer 1] had duidelijk gemaakt dat zij de relatie wilde beëindigen en had stappen gezet om een leven zonder de verdachte op te bouwen. De rechtbank begrijpt dat een relatiebreuk ingrijpend kan zijn, maar dat rechtvaardigt vanzelfsprekend op geen enkele wijze wat de verdachte heeft gedaan. [slachtoffer 1] had het recht haar eigen keuzes te maken en haar leven anders in te richten. Het was aan de verdachte die keuze te respecteren.

De gevolgen voor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn zeer ingrijpend. Zij hebben niet alleen ernstig lichamelijk letsel opgelopen waaraan zij blijvende littekens hebben overgehouden, maar ook een zeer beangstigende en traumatische gebeurtenis meegemaakt die diepe sporen heeft nagelaten. Juist omdat het geweld afkomstig was van hun eigen (ex-)partner en vader en zich afspeelde in hun eigen huis, kan het hun gevoel van veiligheid en vertrouwen blijvend aantasten. De rechtbank laat de uitzonderlijke ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en de gevolgen voor de slachtoffers zwaar meewegen bij het bepalen van de straf.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte waaruit blijkt dat hij eerder in 2012 is veroordeeld voor het mishandelen van een ander kind van [slachtoffer 1] uit een vorige relatie. Gelet op het tijdsverloop sinds dit feit weegt de rechtbank dit niet in strafverzwarende zin mee.

Er is een ‘Psychologisch en Psychiatrisch onderzoek Pro Justitia’ (gedragskundig onderzoek) gedaan door H.E.W. Koornstra, GZ-psycholoog en F. Verstraeten, psychiater. Daarvan is op 18 september 2026 een geïntegreerd rapport uitgebracht. Tevens is er een neurologisch en neuropsychologisch rapport van 30 augustus 2026, opgesteld door de deskundigen Dr. L. Breuer, klinisch neuropsycholoog en E. Strijks, neuroloog. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 6 oktober 2026. Hieruit blijkt – voor zover relevant – het volgende.

De verdachte heeft zich coöperatief opgesteld. Het onderzoek kende niettemin een bijzonder verloop. Bij aanvang leek sprake te zijn van een man met forse cognitieve beperkingen, naast depressieve klachten en problemen met de impulscontrole. In de maanden daarna, waarin de onderzoekers onder meer wachtten op een aanvullende verklaring van de verdachte, hield dat beeld geen stand: de cognitieve beperkingen werden niet bevestigd, terwijl geleidelijk meer zicht ontstond op de persoonlijkheid van de verdachte. Het hierna beschreven beeld is daarop gebaseerd.

Toerekenbaarheid

Uit het gedragskundig onderzoek blijkt dat de verdachte lijdt aan een depressieve stoornis, matig, in gedeeltelijke remissie, een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken en een stoornis in het gebruik van kalmeringsmiddelen.

De verdachte erkent dat hij [slachtoffer 1] met de hamer heeft geslagen en [slachtoffer 2] met het mes heeft gesneden, maar stelt zich de exacte details niet te kunnen herinneren en ontkent dat hij de bedoeling had hen te doden. Uit het neurologisch en neuropsychologisch onderzoek, waaronder beeldvorming van de hersenen, zijn geen bijzonderheden naar voren gekomen. Nu een neurologische oorzaak voor het geheugenverlies ontbreekt, houden de onderzoekers het ervoor dat sprake is van een onbewust afweermechanisme (loochening of verdringing) dan wel van bewust liegen vanuit zijn procespositie. Omdat de verdachte iedere vorm van planning ontkent, hebben de onderzoekers geen delictscenario voor een poging tot moord kunnen opstellen.

Over de doorwerking van deze problematiek in de vrijheid van de verdachte om zijn handelen te bepalen, adviseren de onderzoekers de impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot doodslag, indien bewezen, in verminderde mate toe te rekenen, gelet op het duidelijke verband tussen die feiten en de persoonlijkheidsstoornis en de depressieve stoornis. Over de primair ten laste gelegde poging tot moord konden zij geen advies geven, omdat zij daarvoor geen delictscenario hebben kunnen vormen. Zij achten doorwerking van de problematiek echter ook daarbij denkbaar, nu deze het functioneren van de verdachte in de aanloop naar de feiten heeft bepaald.

Omdat de conclusies en adviezen van de gedragsdeskundigen worden gedragen door hun bevindingen en door hetgeen ook overigens op de terechtzitting is gebleken, legt de rechtbank die conclusies mede aan haar oordeel over de toerekenbaarheid ten grondslag. Dat zij over de poging tot moord geen advies hebben kunnen geven, komt voort uit de proceshouding van de verdachte en niet uit het ontbreken van een verband tussen de stoornissen en zijn handelen. Dat verband is door de onderzoekers juist vastgesteld en ligt in het functioneren van de verdachte in de aanloop naar de feiten, dat voor de poging tot moord niet anders is dan voor de poging tot doodslag. De rechtbank ziet daarin voldoende grond om ook de bewezenverklaarde pogingen tot moord in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.

Recidivegevaar

De onderzoekers hebben het recidiverisico beoordeeld. Het risico lijkt zich volgens hen vooral te kunnen voordoen bij een verlating of andere krenking binnen een intieme relatie, en dan in het bijzonder in de verhouding tot [slachtoffer 1] . Zolang de verdachte geen introspectie ontwikkelt en zijn eigen falen blijft projecteren op [slachtoffer 1] , die de relatie beëindigde, bestaat ook op kortere termijn een reële kans dat hij zijn opgekropte boosheid opnieuw op haar en [slachtoffer 2] richt. Voor de bewezenverklaarde pogingen tot moord als zodanig kunnen de onderzoekers het recidiverisico niet betrouwbaar inschatten, omdat de verdachte nauwelijks inzicht geeft in zijn beweegredenen.

De reclassering schat het risico op recidive en op letsel in als gemiddeld. Het ontbreekt de verdachte aan inzicht in zijn problematiek en zijn copingvaardigheden schieten als gevolg van die problematiek tekort, waardoor hij in voor hem risicovolle situaties niet adequaat kan handelen.

Tbs-maatregel

Uit het psychologisch en psychiatrisch onderzoek blijkt dat bij de verdachte sprake is van ernstige persoonlijkheidsproblematiek. Verandering daarvan is volgens de onderzoekers alleen te bereiken met een langdurige en intensieve behandeling. Een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden achten zij niet aangewezen, omdat de verdachte zich aan de behandeling kan onttrekken door de voorwaarden niet na te leven en dan onbehandeld blijft.

Een tbs-kader kan de noodzakelijke intensieve behandeling en langere behandelduur wel bieden, met forensisch risicomanagement en daarmee een reductie van de kans op herhaling van gewelddadig gedrag. Binnen dat kader keert de verdachte niet onbehandeld in de maatschappij terug. De onderzoekers hebben de haalbaarheid van tbs met voorwaarden onderzocht. De aard van het risico is voldoende concreet, al ontkent de verdachte dat risico. De risico- en beschermende factoren zijn in kaart gebracht en de dynamische risicofactoren zijn specifiek genoeg om te managen. Het ontbreekt echter aan intrinsieke motivatie voor een intensieve behandeling. De verdachte heeft nooit eerder hulp gezocht, beschikt over volstrekt onvoldoende zelfinzicht en zijn hulpvraag in detentie is uitsluitend gericht op bevestiging van zijn gelijk en herstel van de relatie met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Zijn problematiek onder ogen zien zal hem, passend bij zijn persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken, zeer moeilijk vallen. Omdat een voorwaardelijk kader staat of valt met de bereidheid van de verdachte om de behandeling aan te gaan, achten de onderzoekers tbs met voorwaarden niet haalbaar en adviseren zij tbs met dwangverpleging.

De reclassering komt tot dezelfde slotsom. Zij ziet geen mogelijkheden om met voorwaarden de risico’s te beperken of het gedrag van de verdachte te veranderen en adviseert eveneens negatief over tbs met voorwaarden.

Aan de wettelijke voorwaarden voor oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege is voldaan. Ten tijde van het begaan van de bewezenverklaarde feiten was bij de verdachte sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. De rechtbank baseert dit op de hiervoor beschreven stoornissen, zoals vastgesteld in het psychologisch en psychiatrisch onderzoek. De bewezenverklaarde feiten zijn misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen de oplegging van de tbs-maatregel met verpleging van overheidswege eisen. Zij betrekt daarbij de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten, de bij de verdachte vastgestelde problematiek en het risico op herhaling van gewelddadig gedrag. De gedragsdeskundigen achten een langdurige, intensieve behandeling noodzakelijk en een behandeling in het kader van tbs met voorwaarden niet haalbaar. De reclassering deelt dat standpunt. De verdachte heeft dit beeld ter terechtzitting bevestigd: van intrinsieke motivatie tot gedragsverandering is bij hem niet gebleken. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege passend en noodzakelijk.

Ongemaximeerde tbs

De bewezenverklaarde feiten zijn misdrijven die gericht waren tegen of gevaar hebben veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, als bedoeld in artikel 38e lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). De rechtbank zal daarom bepalen dat de maatregel niet in duur is gemaximeerd.

Gevangenisstraf

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat, gelet op wat hiervoor is overwogen over de ernst van de feiten en de persoon van de verdachte, naast de tbs-maatregel een langdurige gevangenisstraf moet worden opgelegd. Over de hoogte daarvan overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank zoekt bij haar beslissing over de hoogte van de straf doorgaans aansluiting bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten en jurisprudentie. Ten aanzien van poging tot moord zijn er geen landelijke oriëntatiepunten. Daarom kijkt de rechtbank naar straffen die rechters in soortgelijke zaken hebben opgelegd. Daaruit kan worden afgeleid dat voor een voltooide moord een gevangenisstraf tussen de 15 en 22 jaren passend en geboden is. Derhalve is het uitgangspunt voor een poging daartoe twee derde daarvan, te weten 10 tot 14 jaar.

In deze zaak gaat het niet om één, maar om twee pogingen tot moord, gepleegd tegen de (ex-)partner en het eigen minderjarige kind van de verdachte. Ook betrekt de rechtbank de houding van de verdachte bij de strafoplegging. Hij stelt zich de gebeurtenissen slechts gedeeltelijk te herinneren en heeft geen inzicht gegeven in wat hem tot zijn handelen heeft gebracht. Uit de tapgesprekken en zijn verklaring ter terechtzitting komt naar voren dat hij het gebeurde in verband brengt met de relatieproblemen en het handelen van [slachtoffer 1] . Daarmee legt hij de verantwoordelijkheid voor de aanleiding van de feiten mede bij haar neer en zoekt hij de oorzaak van zijn handelen buiten zichzelf. Dit getuigt van het ontbreken van zelfreflectie.

De rechtbank zal, alles overwegende en rekening houdend met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van 18 (achttien) jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Dit is overeenkomstig de eis van de officier van justitie.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

Gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel

Aan de wettelijke vereisten voor de oplegging van een maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z lid 1 Sr is voldaan. De verdachte heeft zich immers schuldig gemaakt aan twee keer poging tot moord. Dit zijn misdrijven die zijn gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam. Aan de verdachte wordt voor deze strafbare feiten een gevangenisstraf opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op de bevindingen van de deskundigen dat interactionele patronen zich op termijn zouden kunnen herhalen en lang uit het zicht zouden kunnen blijven van de omgeving, de oplegging van de maatregel in het belang van de bescherming van de veiligheid van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en de algemene veiligheid van personen. De rechtbank zal daarom de maatregel opleggen.

7. De vorderingen van de benadeelde partijen / de schadevergoedingsmaatregelen

[slachtoffer 1] , de ex-partner van de verdachte, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert primair een schadevergoeding € 25.575,20, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 575,20 aan materiële schade en € 25.000,00 aan immateriële schade ter zake van lichamelijk letsel en geestelijk letsel. Subsidiair vordert zij een schadevergoeding van

€ 13.075,20 indien het geestelijk letsel onvoldoende kan worden vastgesteld.

[slachtoffer 2] , de zoon van de verdachte, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert primair een schadevergoeding van € 39.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade ter zake van lichamelijk letsel en geestelijk letsel. Subsidiair vordert hij een schadevergoeding van € 24.000,00 indien het geestelijke letsel onvoldoende kan worden vastgesteld.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, met vermeerdering met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzet zich ten aanzien van [slachtoffer 1] niet tegen de vordering tot vergoeding van materiële schade en deels ook niet tegen de vordering tot vergoeding van immateriële schade. Het geestelijk letsel is onvoldoende onderbouwd, nu onduidelijk is wie het behandelplan heeft opgesteld en de brief aan de huisarts slechts een intakeverslag betreft, zodat alleen het subsidiair gevorderde bedrag toewijsbaar is. Daarop dient de opbrengst van de crowdfundingactie van € 13.845,00 deels in mindering te worden gebracht. Indien de rechtbank het geestelijk letsel wel voldoende onderbouwd acht, dient dit volgens Aanbeveling 5 bij de Rotterdamse Schaal niet onbeperkt bij het overige letsel te worden opgeteld. De verdediging concludeert tot toewijzing van een bedrag aan immateriële schade van € 10.000,00.

Ten aanzien van [slachtoffer 2] voert de verdediging aan dat het geestelijk letsel in het geheel niet is onderbouwd, nu de in de vordering aangekondigde nadere medische onderbouwing niet is overgelegd, zodat dit onderdeel niet kan worden toegewezen. Voor het litteken in de nek sluit categorie c van hoofdstuk 10 van de Rotterdamse Schaal beter aan dan categorie b, hetgeen met een opslag van 25% voor de leeftijd en 25% voor de aard van het feit uitkomt op € 5.250,00. Gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder de niet betwijfelde aanwezige psychische schade, concludeert de verdediging ook voor hem tot toewijzing van een bedrag aan immateriële schade van € 10.000,00.

Het oordeel van de rechtbank

De vordering van [slachtoffer 1]

Materiële schade

De vordering voor zover deze betrekking heeft op de materiële schade (het eigen risico) is namens de verdachte niet betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag van € 575,20.

Immateriële schade

Op grond van artikel 6:106 sub b Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) komt een benadeelde partij onder meer een vergoeding toe voor immateriële schade als sprake is van lichamelijk letsel en/of het slachtoffer op andere wijze in de persoon is aangetast.

De rechtbank stelt op grond van het dossier en de toelichting die namens de benadeelde partij schriftelijk en ter terechtzitting is gegeven vast, dat [slachtoffer 1] als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde feit ernstig lichamelijk letsel heeft opgelopen. Daarnaast is zij geconfronteerd met een zeer gewelddadige aanval door haar ex-partner, die zich in haar eigen woning en terwijl zij lag te slapen heeft voorgedaan. De aard en de ernst van de normschending en de nadelige gevolgen daarvan voor [slachtoffer 1] zijn naar het oordeel van de rechtbank zodanig dat een aantasting in haar persoon op andere wijze kan worden aangenomen. In een dergelijk geval is niet vereist dat geestelijk letsel naar objectieve maatstaven kan worden vastgesteld aan de hand van medische gegevens.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat [slachtoffer 1] rechtstreeks immateriële schade heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde feit onder 1. Bij de vaststelling van deze schade houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het handelen, het opgelopen letsel, de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd en de gevolgen daarvan voor [slachtoffer 1] . De rechtbank sluit voor de begroting van de schade aan bij de Rotterdamse Schaal, de Aanbevelingen voor de begroting van smartengeld op basis van artikel 6:106 BW en de letselcategorieën waar de raadsman van [slachtoffer 1] naar heeft verwezen. De rechtbank gaat daarbij uit van het geestelijk letsel dat wordt begroot op € 10.000 als zwaarste letsel (dat volledig meeweegt) en de littekenvorming op haar gezicht die wordt begroot op € 8.000 als tweede letsel (dat voor 50% meeweegt). Daarnaast past de rechtbank een verhoging van 25% op deze bedragen toe vanwege het opzet van de verdachte op het toebrengen van dit letsel. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.

Crowdfunding

De verdediging heeft aangevoerd dat het bedrag dat door middel van een crowdfundingactie voor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is ingezameld, deels in mindering moet worden gebracht op de toe te wijzen schadevergoeding.

De rechtbank volgt dit standpunt niet. Het feit dat ten behoeve van de slachtoffers een crowdfundingactie is gestart en daarmee geld is ingezameld, brengt niet mee dat dit bedrag in mindering moet worden gebracht op de door de verdachte te vergoeden schade. Daarvoor is van belang wat het doel van de inzameling was, aan wie het ingezamelde bedrag is toegekomen en of dit bedrag strekt tot vergoeding van dezelfde schade als waarvoor de benadeelde partij vergoeding vordert. Op basis van de beschikbare gegevens ziet de rechtbank onvoldoende grond om het bedrag van de crowdfunding in mindering te brengen op de gevorderde schadevergoeding.

Conclusie

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 18.075,20, bestaande uit € 575,20 aan materiële schade en € 17.500,00 aan immateriële schade.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 18 januari 2026, omdat vast is komen te staan dat de toe te wijzen schade vanaf die datum is ontstaan.

Proceskosten

Omdat de vordering deels wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 18.075,20, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 18 januari 2026 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer 1] .

De vordering van [slachtoffer 2]

Immateriële schade

De rechtbank stelt op grond van het dossier en de toelichting die namens de benadeelde partij is gegeven vast dat [slachtoffer 2] als gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde feit lichamelijk letsel heeft opgelopen. De verdachte heeft hem met een mes in de hals gesneden en [slachtoffer 2] heeft daar een duidelijk zichtbaar litteken in zijn hals aan overgehouden. Daarnaast is [slachtoffer 2] geconfronteerd met het gewelddadige optreden van zijn vader tegen zijn moeder en is hij, toen hij ingreep om haar te beschermen, zelf door zijn vader aangevallen. De aard en de ernst van de normschending en de nadelige gevolgen daarvan voor [slachtoffer 2] zijn naar het oordeel van de rechtbank zodanig dat sprake is van een aantasting in zijn persoon op andere wijze. Derhalve is niet vereist dat geestelijk letsel naar objectieve maatstaven aan de hand van medische gegevens kan worden vastgesteld.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat [slachtoffer 2] rechtstreeks immateriële schade heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde feit onder 2. Bij de vaststelling van deze schade houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het geweld, het letsel dat [slachtoffer 2] heeft opgelopen, zijn leeftijd ten tijde van het feit en de omstandigheden waaronder het geweld heeft plaatsgevonden. De rechtbank sluit voor de begroting van de schade aan bij de Rotterdamse schaal, de Aanbevelingen voor de begroting van smartengeld op basis van artikel 6:106 BW en de letselcategorieën waar de raadsvrouw van [slachtoffer 2] naar heeft verwezen. De rechtbank gaat daarbij uit van het litteken in zijn hals dat wordt begroot op € 16.000 als zwaarste letsel (dat volledig meeweegt) en het geestelijk letsel dat wordt begroot op € 10.000 als tweede letsel (dat – anders dan door de raadsvrouw is berekend - voor 50% meeweegt). Daarnaast past de rechtbank een verhoging van 25% op deze bedragen toe vanwege het opzet van de verdachte op het toebrengen van dit letsel, en nog een verhoging van 25% vanwege de jeugdige leeftijd van [slachtoffer 2] .

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van

€ 31.500,00, bestaande uit immateriële schade. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 18 januari 2026, omdat vast is komen te staan dat de toe te wijzen schade vanaf die datum is ontstaan.

Proceskosten

Omdat de vordering deels wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor het onder 2 bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 31.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 18 januari 2026 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer 2] .

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen: 36f, 37a, 37b, 38z, 45, 57, 289 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9. De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

poging tot moord;

ten aanzien van feit 2:

poging tot moord;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 18 (ACHTTIEN) JAREN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

gelast de terbeschikkingstelling van de verdachte en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd;

legt aan de verdachte op de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking;

ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 18.075,20 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 18 januari 2026 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffer 1] ;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] :

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van

€ 31.500,00 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 18 januari 2026 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffer 2] ;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

de schadevergoedingsmaatregelen:

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, telkens vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 18 januari 2026 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, van:

bepaalt dat (telkens) als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast,

de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting(en) niet op;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partijen de betalingsverplichtingen aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. B.J. van de Griend voorzitter,

mr. P.C. Goilo-Kam rechter,

mr. S. Kara, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. N.D. van Duijkeren griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 oktober 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. B.J. van de Griend
  • mr. P.C. Goilo-Kam
  • mr. S. Kara

Griffier

  • mr. N.D. van Duijkeren

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand