RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.60337
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. L.J. Meijering),
en
(gemachtigde: mr. L. Ploeger).
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. De maatregel van vreemdelingenbewaring is op de onjuiste grondslag opgelegd, en is daarom onrechtmatig. Er is dus aanleiding voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. De minister heeft eiser op 9 oktober 2026 op grond van artikel 59a, eerste lid, Vw in bewaring gesteld en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 16 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst. De minister heeft op 19 oktober 2026 een nader standpunt ingenomen over de bekendmaking van het verlengen van het overdrachtsbesluit. De gemachtigde van eiser heeft hierop vervolgens gereageerd. De rechtbank heeft het onderzoek op dezelfde dag gesloten. Daarna heeft de rechtbank op 21 oktober 2026 het onderzoek heropend, en de minister gevraagd om aan te geven of de bewaring op 16 oktober 2026 is opgeheven. De minister heeft op 21 oktober 2026 een M113 in het dossier geüpload waaruit volgt dat de bewaring op 16 oktober 2026 is opgeheven. De gemachtigde van eiser heeft laten weten het beroep te handhaven. Partijen hebben niet laten weten dat zij behoefte hebben aan een nadere zitting. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens (opnieuw) op 22 oktober 2026 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaand aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank als de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
4. De minister kan de vreemdeling op wie de AMbV van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in bewaring stellen. Bewaring is alleen aan de orde als er een onderduikrisico bestaat of als dat noodzakelijk is ter bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, als ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen. Er moet een individuele beoordeling plaatsvinden van de situatie van de betrokken persoon. De bewaring moet evenredig zijn en er moeten geen andere, minder dwingende alternatieve maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast. De bewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, als deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de bewaring.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
5. De minister heeft aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de AMbV en er een onderduikrisico bestaat.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening;o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Grondslag
6. Eiser voert aan dat de maatregel van bewaring op de verkeerde grondslag is opgelegd. Eiser stelt dat het besluit tot verlenging van de overdrachtstermijn niet op de juiste manier bekend is gemaakt, en ook niet naar zijn gemachtigde is verzonden. Eiser betwist dat Ter Apel de laatste bekende verblijfplaats van eiser is geweest. Dat later alsnog het verleningsbesluit kenbaar is gemaakt is niet voldoende. Ook beroept eiser zich op een uitspraak van de Afdeling van 11 mei 2026.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat het verlengingsbesluit overeenkomstig WI 2026/17 bekend is gemaakt, en dat het in lijn is met artikel 3.104, vijfde lid van het Vb. Bovendien maakt het verlengingsbesluit deel uit van het bewaringsdossier, waardoor eiser bekend is met het besluit. Eiser heeft ook geen rechtsmiddel ingediend tegen het besluit.
7. De rechtbank overweegt dat voor toepassing van artikel 59a van de Vw is vereist dat artikel 28 Dublinverordening in acht wordt genomen. Voordat de minister een vreemdeling in bewaring stelt dient hij een onderzoek te verrichten naar de voor de bewaring relevante feiten en aan de hand van deze feiten te beoordelen of een concreet aanknopingspunt bestaat en of een voor een overdracht vastgestelde termijn is verstreken.
8. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. In het dossier zit een claim akkoord van 3 december 2025 van Duitsland. Uit het dossier blijkt verder dat, na het claimakkoord van Duitsland, aan eiser op 5 december 2025 een voornemen en op 30 december 2025 een beschikking is verzonden. De minister heeft daarin eisers asielaanvraag buiten behandeling gesteld, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van eiser. Dit geldt eveneens als overdrachtsbesluit. Het voornemen en beschikking zijn verzonden naar eiser, met als adres het AZC Ter Apel. Daarnaast volgt uit het dossier dat eiser op 14 januari 2026 een gesprek heeft gehad met DT&V. Tijdens dat gesprek wordt aan eiser gevraagd of hij daadwerkelijk op het AZC Doggershoek te Den Helder woont en verblijf of dat dit elders is. Eiser bevestigd dat hij op het AZC Den Helder woont en verblijft. Na dit gesprek vertrekt eiser op 20 januari 2026 met onbekende bestemming. Op 21 januari 2026 verzendt de minister een verlengingsbesluit van de overdrachtstermijn aan eiser. Dit besluit is verzonden aan eiser, met wederom als adres het AZC Ter Apel.
9. Op basis van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden vindt de rechtbank dat het verlengingsbesluit van 21 januari 2026 niet op correcte wijze bekend is gemaakt. Op grond van artikel 3.104, vijfde lid van het Vb wordt het besluit bekendgemaakt door uitreiking of toezending naar het laatst bekende adres. De rechtbank stelt vast dat het verlengingsbesluit niet is uitgereikt aan eiser, maar naar het - volgens de minister - laatst bekende adres van eiser is verstuurd. Uit het vertrekgesprek van 14 januari 2026 volgt dat eiser op dat moment in het AZC Den Helder woonde en daar verbleef. De rechtbank stelt vast dat de minister geen concrete aanknopingspunten heeft aangevoerd dat eiser tussen 14 januari 2026 en 20 januari 2026 op het AZC Ter Apel verbleef noch dat de informatie uit het vertrekgesprek onjuist is. Dat eiser tijdens de huidige bewaringsprocedure bekend is geworden met het verlengingsbesluit, maakt het voorgaande niet anders. De zes maanden die in het overdrachtsbesluit van 30 december 2025 worden genoemd zijn namelijk inmiddels al verstreken, voordat eiser tijdens de huidige inbewaringstelling bekend werd met het verlengingsbesluit. De beroepsgrond slaagt.
10. Dit betekent dat het beroep tegen de maatregel van bewaring gegrond is, omdat de grondslag voor de bewaring onjuist is. Omdat dit vanaf het opleggen van de maatregel het geval is, is de maatregel van meet af aan onrechtmatig. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding de overige beroepsgronden te bespreken.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is gegrond. De rechtbank stelt vast dat eiser op 16 oktober 2026 is overgedragen aan Duitsland en de bewaring is opgeheven. Daarom ziet de rechtbank aanleiding om voor de periode 9 oktober 2026 tot en met 16 oktober 2026 schadevergoeding toe te kennen. Deze schadevergoeding bedraagt € 1.000,- (1 dag verblijf politiecel x € 160,- en 7 dagen in een detentiecentrum x € 120,-).
11. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Die moet de minister betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.335,-. De rechtbank rekent 1 punt voor de kennisgeving, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor een aanvullende reactie op verzoek van de rechtbank.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. van der Meulen-Postma, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.