RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.61998 en NL26.61740
(gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),
en
(gemachtigde: mr. J.A.A. Willems).
1. Deze uitspraak gaat over zowel het aan eiser opgelegde aanvullend terugkeerbesluit als de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met het aanvullend terugkeerbesluit en de maatregel van vreemdelingenbewaring. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de maatregel van vreemdelingenbewaring en beziet zij of zij bevoegd is om te oordelen over het aanvullend terugkeerbesluit. Daarnaast beoordeelt de rechtbank of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat zij onbevoegd is kennis te nemen van het beroep tegen het aanvullend terugkeerbesluit en dat het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:
Awb: Algemene wet bestuursrecht
Vw: Vreemdelingenwet 2000
Vb: Vreemdelingenbesluit 2000
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit 1 (zaaknummer NL26.61998) van 14 oktober 2026 heeft de minister aan eiser een aanvullend terugkeerbesluit opgelegd. De minister heeft op diezelfde dag met het bestreden besluit 2 (zaaknummer NL26.61740) aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. De minister heeft de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Eiser wordt geacht beroep te hebben ingesteld tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring en heeft tegen het aanvullend terugkeerbesluit beroep ingesteld. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft de beroepen op 22 oktober 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Sareen als tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting op 22 oktober 2026 geschorst.
Op 22 oktober 2026 heeft de minister aanvullende stukken overgelegd. Eiser heeft hier dezelfde dag op gereageerd en nadien heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Beoordeling van het aanvullend terugkeerbesluit (zaaknummer NL26.61998)
3. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het aanvullend terugkeerbesluit dat ter beoordeling voorligt een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb.
De rechtbank stelt vast dat op 14 augustus 2012 aan eiser een terugkeerbesluit is opgelegd. Destijds heeft eiser een alias gebruikt, zodat in dat besluit andere persoonsgegevens, waaronder een andere naam en geboortedatum, zijn vermeld. Op 14 oktober 2026 heeft de minister een aanvullend terugkeerbesluit genomen, waarin de juiste persoonsgegevens van eiser zijn opgenomen. De minister heeft op de zitting toegelicht dat dit is gebeurd om duidelijk te maken dat eiser naar India dient terug te keren, zijn land van herkomst. Het eerdere terugkeerbesluit heeft haar werking volgens de minister niet verloren.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), waaronder de uitspraak van 2 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1155, moet uit een terugkeerbesluit blijken naar welk land de vreemdeling dient terug te keren. Daarvoor is niet zonder meer vereist dat in het besluit een uitdrukkelijke opdracht is opgenomen om naar een bepaald derde land te vertrekken. Voldoende is dat uit de motivering van het besluit voor de vreemdeling duidelijk wordt naar welk land hij moet terugkeren, dan wel dat hij bij niet-naleving van zijn vertrekplicht zal worden uitgezet.
De rechtbank is van oordeel dat het terugkeerbesluit uit 2012 nog steeds geldig is en dat daaruit voldoende duidelijk volgt dat eiser wordt geacht terug te keren naar India. In dat terugkeerbesluit staat namelijk dat eiser de Indiase nationaliteit heeft, dat dit zijn geboorteland is en dat hij wordt geacht naar zijn land van herkomst terug te keren. In het besluit wordt geen ander land dan India genoemd. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat voor eiser voldoende duidelijk was dat van hem werd verwacht dat hij naar India zou terugkeren. Dat eiser dat ook zo heeft begrepen, blijkt bovendien uit de eerdere bewaringszaak van eiser uit 2019, waarin eiser verklaart dat hij wil terugkeren naar India en meewerkt aan zijn vertrek, onder meer doordat hij de lp-aanvraag heeft ingevuld en zelf pogingen heeft ondernomen om documenten te verkrijgen, onder andere door contact op te nemen met de Indiase ambassade.
Uit het voorgaande volgt dat na de oplegging van het terugkeerbesluit van 14 augustus 2012 geen onduidelijkheid heeft bestaan over het land van terugkeer, te weten India. Het aanvullend terugkeerbesluit van 14 oktober 2026 bevat slechts gecorrigeerde persoonsgegevens van eiser en verandert niets aan zijn terugkeerverplichting. Het is daarom niet gericht op enig zelfstandig rechtsgevolg en dat betekent dat het geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb waartegen op grond van artikel 8:1 van de Awb beroep openstaat. De rechtbank verklaart zich daarom onbevoegd om van het beroep tegen het aanvullend terugkeerbesluit kennis te nemen.
Beoordeling van de maatregel van vreemdelingenbewaring (zaaknummer NL26.61740)
Toetsingskader
4. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
5. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het onderduikrisico bestaat.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
6. De rechtbank stelt vast dat de gronden van de maatregel van vreemdelingenbewaring niet zijn betwist. De rechtbank oordeelt dat (in elk geval) de gronden b en p feitelijk juist en voor zover nodig voldoende gemotiveerd zijn om een onderduikrisico aan te nemen en daarom de maatregel van vreemdelingenbewaring kunnen dragen.
Heeft de minister het gezinsbelang van eiser voldoende kenbaar meegewogen?
7. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn gezinsbelangen en die van zijn minderjarige zoon. Eiser voert daartoe aan dat hij een minderjarige zoon in Nederland heeft waar hij zorg voor draagt, onder meer door voor hem te koken en hem naar school te brengen. Als eiser moet terugkeren naar India worden de belangen van zijn minderjarige kind daardoor geschaad.
In de maatregel van vreemdelingenbewaring heeft de minister naar aanleiding van eisers verklaring over zijn minderjarige zoon overwogen dat het niet onmogelijk is om het gezins- en/of familieleven op een andere wijze vorm te geven, bijvoorbeeld door een bezoek van gezins- en/of familieleden in het land van herkomst of een ander land. Daarnaast heeft de minister overwogen dat eiser, voor zover hij langdurig verblijf beoogt, daartoe een aanvraag kan indienen en aangegeven dat op dat moment de belangen van het kind zullen worden gewogen.
De rechtbank overweegt dat uit de maatregel en hetgeen ter zitting is besproken niet blijkt dat de minister twijfelt aan het bestaan van de zoon van eiser. De minister heeft eiser niet uitvoerig over zijn zoon bevraagd en ook niet verzocht om diens bestaan nader te onderbouwen. Dit, terwijl eiser wel concrete aanknopingspunten heeft verstrekt door voorafgaand aan de inbewaringstelling de naam, leeftijd en het adres van zijn gestelde zoon te noemen en aan te geven dat hij voor zijn zoon kookt en hem van school haalt.
Onder die omstandigheden had het op de weg van de minister gelegen om te motiveren waarom er geen sprake is van gezinsleven dat bescherming verdient, dan wel waarom dit gezinsleven niet in de weg staat aan de tenuitvoerlegging van het terugkeerbesluit en aan de inbewaringstelling. De minister heeft dit in de maatregel van vreemdelingenbewaring onvoldoende gedaan. Dat betekent dat de beroepsgrond slaagt.
8. Omdat deze beroepsgrond slaagt, komt de rechtbank niet toe aan bespreking van de overige aangevoerde beroepsgronden.
Conclusie en gevolgen
9. De rechtbank verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep gericht tegen het aanvullend terugkeerbesluit.
10. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.
Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 9 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 1 x € 160,- (verblijf politiecel) en 8 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.120,-.
Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
in zaaknummer NL26.61998
- verklaart zich onbevoegd;
in zaaknummer NL26.61740
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.120,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.T. Könning, rechter, in aanwezigheid van
mr. M. Stehouwer, griffier.
Uitgesproken en bekendgemaakt door publicatie op rechtspraak.nl op:
22 oktober 2026
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking voor zover dit ziet op het terugkeerbesluit (beroep met zaaknummer: NL26.61998).
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking voor zover dit ziet op de maatregel van bewaring (beroep met zaaknummer NL26.61740).