RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.62973
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. S.A.M. Fikken),
en
(gemachtigde: [gemachtigde]),
Procesverloop
Op 8 oktober 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en e, van de Vw opgelegd. Met het bestreden besluit van 16 oktober 2026 heeft verweerder de grondslag gewijzigd naar artikel 59, eerste lid, onder a, van de Vw en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De mondelinge behandeling van het beroep was gepland op 22 oktober 2026. Eiser heeft op 21 oktober 2026 toestemming gegeven om het beroep schriftelijk af te doen. Hierna heeft verweerder ook ingestemd met schriftelijke behandeling en een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek op 22 oktober 2026 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Grondslag
1. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
Maatregel van bewaring
2. In de maatregel van vreemdelingenbewaring staat dat de maatregel wordt gevorderd door het belang van nationale veiligheid en het belang van de openbare orde, omdat het risico bestaat dat eiser zal onderduiken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
3. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Verweerder heeft meegedeeld dat de maatregel niet wordt gevorderd door de nationale veiligheid; dit is per abuis aangekruist. Verder laat verweerder de gronden d en j vallen. De overige gronden worden gehandhaafd door verweerder.
5. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die ten grondslag liggen aan de maatregel niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat de gronden a, b, c, r en s feitelijk juist zijn en ook afdoende zijn gemotiveerd in de maatregel. Deze gronden zijn voldoende om een onderduikrisico aan te nemen en om de maatregel van vreemdelingenbewaring te kunnen dragen.
Geen beroepsgronden
6. Eiser heeft verder geen beroepsgronden aangevoerd en zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
7. De rechtbank ziet ambtshalve geen grond voor het oordeel dat de maatregel van vreemdelingenbewaring in de te beoordelen periode op enig moment onrechtmatig is geweest.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 22 oktober 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Strik, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.