ECLI:NL:RBDHA:2026:31118

ECLI:NL:RBDHA:2026:31118

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 22-10-2026
Datum publicatie 22-10-2026
Zaaknummer AWB26/14027 en NL26.48090
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

HTL + art. 56 Vw. Ongegrond.

Uitspraak

[naam], eiser,

V-nummer: [v-nummer:],

(gemachtigde: mr. R.J. Schenkman),

en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa,

alsmede,

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. I van Es).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank twee beroepen. Het eerste beroep is gericht tegen het besluit van het COa van 23 juli 2026. In dat besluit heeft het COa besloten om eiser per 23 juli 2026 in de HTL in Hoogeveen te plaatsen (het plaatsingsbesluit). Het tweede beroep van eiser richt zich tegen het besluit van de minister van dezelfde datum om hem een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 van de Vw op te leggen (de vrijheidsbeperkende maatregel). De rechtbank merkt het beroep ook aan als een verzoek om schadevergoeding.

Eiser heeft op 4 september 2026 beroepsgronden ingediend, waarop het COa op 6 oktober 2026 een verweerschrift heeft ingediend. De vrijheidsbeperkende maatregel is op 16 september 2026 opgeheven. De gemachtigde van eiser heeft aangegeven de beroepen te willen handhaven.

De rechtbank heeft de beroepen op 13 oktober 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek in beide zaken op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en ook geen vergoeding van zijn proceskosten. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij tot dit oordeel komt.

Het beroep gericht tegen het plaatsingsbesluit

Het incident dat heeft geleid tot het plaatsingsbesluit en de kwalificatie daarvan

3. Uit de verslaglegging van het COa blijkt - kort samengevat - het volgende. Op 16 april 2026 sproeide eiser met een Glassex-spuit in het gezicht van een beveiligingsmedewerker. Daarna zwaaide hij een natte doek met kracht in het gezicht van dezelfde medewerker en gooide hij een handvol zand en stenen in zijn gezicht, waarbij het zand in de ogen van de beveiliger terechtkwam. Ook zei hij in de spreekkamer dat hij alle medewerkers zou verkrachten en maakte hij een snijbeweging langs zijn nek richting een tweede beveiligingsmedewerker.

4. Eiser stelt dat de gronden van zijn beroepschrift van 22 mei 2026 als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd.

De rechtbank stelt voorop dat deze rechtbank en zittingsplaats al eerder een oordeel heeft gegeven over het incident dat ten grondslag is gelegd aan het huidige plaatsingsbesluit en de impact daarvan. De rechtbank heeft in die uitspraak geoordeeld dat het incident terecht is gekwalificeerd als incident met grote impact en het besluit tot plaatsing in de HTL door het COa juist is genomen. De gemachtigde van eiser stelt dat hij hiertegen hoger beroep heeft ingesteld. Dit heeft de rechtbank niet kunnen verifiëren. Als eiser hoger beroep heeft ingesteld, dan dient eiser daar aan te voeren waarom hij het niet eens is met de uitspraak van deze rechtbank van 21 augustus 2026. Voor zover geen hoger beroep is ingesteld, staat de uitspraak in rechte vast. De rechtbank ziet geen aanleiding om nu anders te oordelen, omdat geen gewijzigde feiten en omstandigheden voorafgaand aan de huidige HTL-plaatsing zijn aangevoerd. Eiser heeft namelijk alleen verwezen naar zijn beroepsgronden van 22 mei 2026. De beroepsgrond slaagt niet.

GZA-akkoord

5. Eiser stelt verder dat het GZA eerst negatief heeft geadviseerd. Uit het schrijven van 19 juni 2026 blijkt volgens eiser dat onduidelijk is hoe het advies is gewijzigd en of daaraan een nieuwe psychiatrische beoordeling ten grondslag ligt. Deze informatie was nog niet bekend ten tijde van de uitspraak van deze rechtbank van 21 augustus 2026. Ook geeft eiser aan dat hij het niet eens is met de uitspraak van 21 augustus 2026. De rechtbank heeft miskent dat het GZA-advies kort is en geen onderbouwing bevat. Ook miskent de rechtbank dat het gestelde negatieve effectief op de psychische gesteldheid van eiser door de HTL-plaatsing niet concreet uit de stukken blijkt.

Zoals hiervoor onder punt 4.1. is overwogen is voor de rechtbank niet te verifiëren of er hoger beroep is ingesteld. De gemachtigde van eiser dient daar aan te voeren waarom hij het niet eens is met de uitspraak van 21 augustus 2026. Voor zover geen hoger beroep is ingesteld, staat de uitspraak in rechte vast. De rechtbank ziet geen aanleiding om nu anders te oordelen. Uit de door eiser overgelegde reactie van 19 juni 2026 van de klachtenfunctionaris van het GZA op zijn klachtenbrief van 22 april 2026 blijkt dat bij de totstandkoming van het GZA-akkoord voldoende rekening is gehouden met zijn psychische omstandigheden. Alle bij het GZA bekende medische klachten, meldingen van psychiatrische ontregelingen en medicatie zijn bij de beoordeling betrokken. Ook is overleg gevoerd met zorgverleners en is informatie van de crisisdienst gebruikt. Dat niet geheel duidelijk is waarom eerst een negatief advies is gegeven, doet er niet aan af dat een herbeoordeling heeft plaatsgevonden, waarbij alle hiervoor genoemde omstandigheden zijn meegewogen. Bovendien blijkt ook uit de reactie van het GZA dat eiser op 13 mei 2026 op de HTL-locatie door de crisisdienst is beoordeeld, waarbij geen acuut psychiatrisch toestandsbeeld is vastgesteld. Ook na de plaatsing is dus nog beoordeeld of eiser in de HTL kan verblijven. Het COa mocht dan ook, bij de huidige HTL-plaatsing, uitgaan van het GZA akkoord van 16 april 2026. De beroepsgrond slaagt niet.

Het beroep gericht tegen het plaatsingsbesluit is ongegrond.

Het beroep gericht tegen de vrijheidsbeperkende maatregel

6. Omdat het beroep tegen het plaatsingsbesluit ongegrond is en de vrijheidsbeperkende maatregel volledig steunt op dat besluit, oordeelt de rechtbank dat het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel ook ongegrond moet worden verklaard en wijst het verzoek tot schadevergoeding af.

Conclusie en gevolgen

7. Dat betekent dus dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom ook geen schadevergoeding. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van S. Strating, griffier, op 22 oktober 2026 en gepseudonimiseerd gepubliceerd op rechtspraak.nl.

de griffier is buiten staat te tekenen de rechter

Een afschrift is naar partijen verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking van het proces-verbaal. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. V.A.G. van Dijk

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand