RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.60766
V-nummer: [v-nummer]
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
(gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg),
en
(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 10 oktober 2026 heeft de minister aan eiser een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiseres ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 20 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, F. Kanaan als tolk en de gemachtigde van minister.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan en daarbij meegedeeld binnen welke termijn en bij wie hoger beroep kan worden ingesteld.
Beoordeling door de rechtbank
3. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
4. Eiser voert aan dat hij last heeft van psychische problemen. Hij heeft herbelevingen en nachtmerries en kan daardoor niet slapen. Ook voert eiser aan dat er een lichter middel opgelegd had kunnen worden. Eiser had geld bij zich en wordt financieel ondersteund door zijn familie in België. Hij kon hiermee in de transitiezone een hotel bekostigen. Op die manier zou het grensbewakingsbelang niet hoeven worden prijsgegeven. Ambtshalve heeft de rechtbank partijen gevraagd om te reageren op de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 13 oktober 2026.
De rechtbank is van oordeel dat er zorgvuldig moet worden gekeken of de detentie noodzakelijk is, waarbij de vraag zich aandient of een lichter middel opgelegd kan worden. Detentie is immers het laatste redmiddel. In het proces-verbaal van het gehoor staat dat aan eiser op 10 oktober 2026 om 08:20 uur is medegedeeld dat zijn asielaanvraag wordt behandeld in de asielgrensprocedure, dat aan hem een vrijheidsontnemende maatregel wordt opgelegd en dat hij gedurende de behandeling van zijn aanvraag wordt ingesloten in een vreemdelingendetentiecentrum. Niet is gebleken dat eiser voorafgaand aan die mededeling al is gehoord over zijn persoonlijke omstandigheden die van belang kunnen zijn voor de beoordeling of de grensdetentie voor hem onevenredig bezwarend is. Het besluit is daarom onzorgvuldig tot stand gekomen.
5. Omdat deze ambtshalve grond slaagt, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van de andere beroepsgronden.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is gegrond en de maatregel is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel met ingang van heden.
7. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 11 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) bewaring van 11 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.320,-.
8. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel van bewaring met ingang van 20 oktober 2026;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.320,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van
M.A. van Garder, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.