RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.61110
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. H.W. Omvlee),
en
(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).
Procesverloop
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het besluit van verlenging van de aan eiser opgelegde maatregel van bewaring.
Deze maatregel is opgelegd op 5 oktober 2026. Bij besluit van 13 oktober 2026 (het verlengingsbesluit) heeft de minister de maatregel van bewaring met ten hoogste twaalf maanden verlengd.
De minister heeft de rechtbank in kennis gesteld van het verlengingsbesluit door middel van een kennisgeving. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 20 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Ben Ali als tolk en de gemachtigde van de minister.
Overwegingen
Toetsingskader
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. Gelet op artikel 94, zevende lid, eerste volzin, van de Vw geldt hetzelfde voor het verlengingsbesluit.
De minister moet in het verlengingsbesluit nagaan of is voldaan aan de voorwaarden voor verlenging, of er nog voldoende gronden voor de bewaring zijn, of de bewaring voor de vreemdeling onevenredig bezwarend is en of er zicht op uitzetting bestaat. Als dit voldoende gemotiveerd is, wordt voldaan aan alle uit de Terugkeerrichtlijn en het arrest Mahdi voortvloeiende vereisten voor het nemen van een verlengingsbesluit.
Op grond van artikel 59, zesde lid, van de Vw geldt dat de maatregel van bewaring na afloop van zes maanden met maximaal nog eens twaalf maanden kan worden verlengd, indien de uitzetting, alle redelijke inspanningen ten spijt, wellicht meer tijd zal vergen, omdat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn uitzetting of de daarvoor benodigde documentatie uit derde landen ontbreekt.
Heeft de minister het verlengingsbesluit voldoende zorgvuldig voorbereid?
3. Eiser voert aan dat hij voldoende in de gelegenheid moet worden gesteld om een zienswijze bekend te maken. Eiser is voorafgaand aan het opleggen van het verlengingsbesluit één dag in de gelegenheid gesteld om op het voornemen te reageren. Volgens eiser is dit onvoldoende.
Eiser heeft één dag de tijd gehad om een zienswijze in te dienen en heeft dit ook gedaan. In het beroep tegen de maatregel van 5 oktober 2026 is aangevoerd dat er ten onrechte geen verlengingsbesluit is genomen. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft geoordeeld dat er op dat moment nog geen verlengingsbesluit opgelegd had hoeven worden. Eiser was er dus mee bekend dat het verlengingsbesluit opgelegd zou worden. Mocht eiser desondanks wel meer tijd nodig hebben gehad, kon hij dit ook voorleggen aan minister. Eiser heeft dit niet gedaan en er is niet gebleken dat eiser meer tijd nodig had dan één dag. Van onzorgvuldigheid op dit punt is dan ook niet gebleken. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Kunnen de gronden het besluit tot verlenging van de bewaringstermijn dragen?
4. In het verlengingsbesluit staat dat eiser op 5 oktober 2026 in bewaring is gesteld omdat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en/of omdat eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Vervolgens staat in het verlengingsbesluit dat de volgende gronden voor bewaring uit artikel 56, lid 2 van het Vreemdelingenbesluit ten grondslag liggen aan het besluit tot verlenging van de bewaringstermijn:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen of een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Volgens eiser is ten onrechte nagelaten om opnieuw te beoordelen of de gronden voor de bewaring nog steeds actueel en dragend zijn. Volgens hem is de motivering letterlijk overgenomen uit de maatregel van 5 oktober 2026, zonder dat is ingegaan op eventuele gewijzigde omstandigheden. Eiser verwijst hierbij naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht en een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De rechtbank stelt vast dat in de uitspraak van 15 oktober 2026 is geoordeeld dat de gronden aan de maatregel ten grondslag konden worden gelegd. De gronden zijn feitelijk juist. Eiser heeft geen omstandigheden aangevoerd die maken dat de gronden niet meer van toepassing zijn. Deze beroepsgrond slaagt reeds daarom niet.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
5. Eiser voert aan dat onvoldoende is gemotiveerd waarom er niet kan worden volstaan met een lichter middel. De enkele verwijzing naar de gronden is volgens eiser niet voldoende. Eiser heeft verklaard zelfstandig te willen terugkeren en de minister heeft dit ten onrechte niet meegenomen.
In de uitspraak van 15 oktober 2026 is overwogen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Eiser is meerdere keren met onbekende bestemming vertrokken en hij is bekend onder meerdere aliassen. Ter zitting heeft eiser desgevraagd aangegeven dat hij eenmalig contact heeft gevraagd met de Dienst Terugkeer en Vertrek. Op 7 oktober 2026 had hij een afspraak, die niet door is gegaan. Eiser heeft aangegeven verder geen stappen te hebben ondernomen die zien op zijn terugkeer, ook niet toen eiser in vrijheid was. De minister heeft dus naar het oordeel van de rechtbank terecht geen lichter middel opgelegd en dit ook voldoende gemotiveerd.
Heeft de minister alle belangen voldoende afgewogen?
6. Eiser voert verder aan dat de minister een verzwaarde belangenafweging moet verrichten en dat onvoldoende blijkt van een individuele belangenafweging. Volgens eiser is zijn medische situatie onvoldoende kenbaar betrokken en is de enkele verwijzing naar de medische dienst onvoldoende.
Eiser heeft aangegeven dat hij een zwelling heeft in zijn keel, waardoor hij niet kan eten en drinken. Eiser heeft ook aangegeven dat hij wil dat zijn gezondheid op orde is, voordat hij terugkeert. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de medische omstandigheden kenbaar bij de belangenafweging in de maatregel betrokken. Verder heeft de minister terecht opgemerkt dat eiser zich zo nodig kan wenden tot de medische dienst en heeft hij kunnen volstaan met deze verwijzing naar de medische voorzieningen. Er is niet gebleken dat die tot nu toe ontoereikend zijn geweest. Verder heeft de minister alle relevante feiten en omstandigheden kenbaar in de belangenafweging betrokken. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
Is er een redelijk vooruitzicht op verwijdering?
7. Ten slotte voert eiser aan dat er geen zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn. Zij aanvraag om een laissez-passer is op 22 december 2025 aan de Algerijnse autoriteiten verzonden en er is nog geen reactie ontvangen.
Naar het oordeel van de rechtbank is het zicht op uitzetting naar Algerije in zijn algemeenheid en ook specifiek in het geval van eiser aanwezig. Eiser heeft geen (reis)documenten en is daardoor afhankelijk van een laissez-passer. Er is niet gebleken dat eiser zelf stappen heeft gezet om dit proces te bespoedigen. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
8. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van
M.A. van Garder, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.