ECLI:NL:RBDHA:2026:31191

ECLI:NL:RBDHA:2026:31191

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 23-10-2026
Datum publicatie 23-10-2026
Zaaknummer NL26.22560
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Asiel, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,V-nummer: [nummer], (gemachtigde: mr. R. Roelofsen),

de minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.22560

en

(gemachtigde: mr. D.A.M. Frieser).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag mede aan de hand van deze beroepsgronden.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Syrische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum]. De minister heeft met het bestreden besluit van 17 april 2026 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op de (aanvullende) beroepsgronden gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 26 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser (bijgestaan door een tolk), de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Ook was een voogd van NIDOS aanwezig: M.R.M. Bekhuis.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij is geboren in Hama in Syrië en daar heeft gewoond met zijn ouders. Rond 2020/2021 is hij samen met zijn ouders naar Soedan gegaan om te vluchten voor de oorlog in Syrië en omdat zijn vader wilde werken in Soedan. Na ongeveer drie maanden zijn zij weer teruggekeerd naar Syrië vanwege de oorlog die was uitgebroken in Soedan. De vader van eiser maakte zich in Syrië zorgen om eiser, omdat er iemand was ontvoerd. Vanwege het gebrek aan veiligheid in Syrië is eiser in 2023 naar Libië gegaan om te werken bij een vriend van zijn vader. Na ongeveer één maand heeft eiser Libië verlaten en is naar Nederland doorgereisd.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

De minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Het tweede en derde asielmotief heeft de minister niet beoordeeld op geloofwaardigheid, maar verder getoetst onder de zwaarwegendheid en risico-inschatting. De minister concludeert vervolgens dat alle asielmotieven niet leiden tot een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. Daarbij betrekt de minister dat voor heel Syrië, meer specifiek Hama, sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Eiser heeft aan de hand van zijn individuele omstandigheden niet aannemelijk gemaakt dat juist hij slachtoffer zou worden van willekeurig geweld. Verder vindt de minister dat eiser geen verblijfsvergunning krijgt op grond van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarigen. Eiser heeft volgens de minister adequate opvang in Syrië. Tot slot heeft de minister de belangen van het kind gewogen en geconcludeerd dat terugkeer naar Syrië in eisers belang is.

Beroepsgronden

Zienswijze herhaald en ingelast

5. De rechtbank overweegt dat eisers stelling dat de zienswijze als herhaald en ingelast moet worden beschouwd, onvoldoende is om aan te merken als een beroepsgrond waarop de rechtbank moet ingaan. De minister is in het bestreden besluit gemotiveerd ingegaan op de zienswijze. Het is aan eiser om in beroep concreet aan te geven waarom de reactie van de minister op de zienswijze volgens hem niet juist of niet toereikend is. De rechtbank zal zich dan ook richten op dat wat eiser in beroep heeft aangevoerd.

Terugkeer uit Europa

6. Eiser voert verder aan dat hij als terugkeerder uit Europa ontvoerd kan worden en niet beschermd zal worden. Dit risico is voor eiser groter, omdat hij voor Syrische begrippen een vermogend man is. Gezien zijn leeftijd, verwesterd uiterlijk en gedrag is hij een gemakkelijke prooi.

De rechtbank oordeelt dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer uit Europa. In de eerste plaats heeft eiser zijn stelling dat terugkeerders uit Europa een verhoogd risico lopen op ontvoering niet onderbouwd met objectieve bronnen. Daarbij heeft eiser eveneens niet nader onderbouwd dat specifiek hij een verhoogd risico loopt op ontvoering bij terugkeer. Ook heeft eiser niet nader onderbouwd hoe in Syrië bekend zou worden dat hij een vermogend man is, omdat aan hem dwangsommen zijn uitgekeerd in Nederland. Daarnaast heeft de minister erop mogen wijzen dat eisers vrees algemeen en speculatief van aard is. De beroepsgrond slaagt niet.Algemene veiligheidssituatie en humanitaire omstandigheden

7. Eiser voert aan dat hij het niet eens is met de stelling van de minister dat er sprake is van een redelijke verbetering van de algemene veiligheids- en mensenrechtensituatie en hij wijst op de chaotische en onveilige situatie van het moment, zoals ook beschreven in het laatste ambtsbericht. Eiser is van mening dat hij alleen al door zijn terugkeer risico zal lopen op ernstige schade.

De rechtbank oordeelt dat de minister zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat in Hama geen sprake is van een hogere gradatie van willekeurig geweld dan opgenomen in het beleid. In de eerste plaats heeft de minister gewezen op de brief van 10 juni 2025 aan de Tweede Kamer en de nadere toelichting in de beslisnota en bijlage. Daarnaast is gewezen op informatie uit het algemeen ambtsbericht Syrië van januari 2026, het EUAA Country Guidance Syria rapport van 2 december 2025, berichten van de UNHCR en Syria Weekly, waaruit geen wezenlijk ander beeld naar voren komt dan uit de kamerbrief. Daarbij is door de minister betrokken dat het aantal burgerslachtoffers in Hama sinds de machtsovername laag is gebleven, afgezet tegen het aantal inwoners. Uit het algemeen ambtsbericht van januari 2026 volgt verder dat het aantal geregistreerde geweldsincidenten sinds september 2025 is afgenomen. Ook uit het EUAA-rapport van 2 december 2025 volgt dat het aantal burgerslachtoffers is afgenomen sinds maart 2025. Daarnaast zijn er volgens de gegevens van de UNHCR een groot aantal Syriërs teruggekeerd naar Hama. Hoewel er volgens de informatie van Syria Weekly slachtoffers vallen als gevolg van ontplofbare oorlogsresten, is dit aantal sinds september 2025 afgenomen. De door eiser benoemde brief van VWN leidt niet tot een ander oordeel. Eiser heeft alleen in zijn algemeenheid aangehaald dat uit deze informatie zou volgen dat het in Syrië te onveilig is, er veel ontheemden en doden zijn, oorlogsresten zijn en sprake is van een gewapend conflict. De rechtbank overweegt dat dit onvoldoende is om niet uit te gaan van de door de minister ingebrachte landeninformatie die specifiek ziet op Hama. De beroepsgrond slaagt niet.

Voor zover eiser betoogt dat de humanitaire omstandigheden onvoldoende zijn meegewogen, verwijst de rechtbank naar de uitspraken van deze rechtbank van 9 december 2025 en 19 mei 2026. Hierin heeft de rechtbank overwogen dat humanitaire omstandigheden die in een te ver verwijderd verband staan met het willekeurig geweld of die in hoofdzaak zijn veroorzaakt door een niet-strijdende actor, niet hoeven te worden betrokken bij de globale beoordeling van de gradatie van geweld. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat de slechte humanitaire omstandigheden, zoals beschreven in de ambtsberichten over Syrië en de door eiser genoemde rapporten en artikelen, in overwegende mate het gevolg zijn van handelen van het Assad-regime, geen actor meer is in het huidige gewapende conflict. Weliswaar kan ook het handelen van de nu nog actieve partijen invloed hebben op de humanitaire situatie, maar uit de landeninformatie volgt niet dat de huidige slechte humanitaire omstandigheden in hoofdzaak worden veroorzaakt of in stand worden gehouden door die partijen. Integendeel, uit de informatie blijkt dat de slechte humanitaire situatie in belangrijke mate wordt bepaald door een samenloop van factoren, waaronder langdurige economische ontwrichting, bestuurlijke en institutionele verzwakking, economische sancties, gebrekkige wederopbouw en de algemene staat van de infrastructuur na jaren van conflict. De slechte humanitaire omstandigheden zijn dus niet in overwegende mate te herleiden tot het actuele willekeurige geweld. De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding om af te wijken van de hiervoor genoemde uitspraken van deze rechtbank. De beroepsgrond slaagt niet.

Adequate opvang in Syrië

8. Eiser betoogt - kort samengevat - dat de minister ten onrechte aanneemt dat sprake is van adequate opvang in Syrië. Eiser wijst op het schrijven van NIDOS van 12 maart 2026 over de zorgplicht van ouders en van 17 augustus 2026 over de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 10 augustus 2026. Eiser stelt dat de minister, mede op grond van het arrest TQ, meer onderzoek had moeten doen naar de situatie van adequate opvang van eiser in Syrië. Zo heeft de minister geen contact gezocht met eisers ouders in Syrië. De minister heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar de vraag of de ouders van eiser daadwerkelijk in staat zijn om invulling te geven aan hun zorgplicht. De zorgplicht voor eiser ligt op dit moment bij NIDOS, die het gezag over eiser heeft. De minister dient te onderzoeken of deze zorgplicht aan de ouders kan worden overgedragen. Dit heeft de minister onvoldoende gedaan. Eiser verzoekt de rechtbank daarom primair om het beroep gegrond te verklaren, subsidiair om de beantwoording van de prejudiciële vragen van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, af te wachten.

De rechtbank overweegt dat uit het arrest TQ volgt dat wanneer de minister het voornemen heeft om een terugkeerbesluit voor een niet-begeleide minderjarige vreemdeling te nemen, in alle fasen van de procedure rekening moet worden gehouden met het belang van het kind. Er moet een algemene en grondige beoordeling van de situatie van het kind worden gemaakt. Dit betekent dat rekening wordt gehouden met verschillende aspecten, zoals de leeftijd, het geslacht, de bijzondere kwetsbaarheid, de fysieke en mentale gezondheid, het verblijf in een pleeggezin, het opleidingsniveau en de sociale omgeving van die minderjarige. De minister dient voordat een terugkeerbesluit wordt genomen, concreet te onderzoeken of er voor de niet-begeleide minderjarige adequate opvang beschikbaar is in het land van terugkeer.

Uit paragraaf B8/6.1 van de Vc volgt dat de minister adequate opvang aanneemt als in het betreffende land een familielid tot in de vierde graad aanwezig is. Primair zal getracht worden om de minderjarige met de ouder(s) te herenigen. Opvang bij ouders is in beginsel aan te merken als adequaat. In het Informatiebericht 2025/13 is opgenomen dat voor het aannemen van adequate opvang moet blijken dat de ouder(s) of andere volwassenen die eerder zorg hebben gedragen voor het kind bereid zijn zorg te dragen voor het kind, dan wel op een traceerbaar adres in het land van herkomst of terugkeer aanwezig zijn. Een adres is traceerbaar als een concreet adres wordt genoemd (straatnaam, naam van de wijk, huisnummer, etc.) of als specifieke informatie kan gegeven worden over de locatie in het dorp als de ouders/verzorgers in een dorp verblijven.

De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende kenbaar heeft beoordeeld of sprake is van adequate opvang voor eiser in Syrië. Eisers ouders wonen nog in Hama in Syrië. Hij heeft verklaard elke dag telefonisch contact met zijn ouders te hebben. In het nader gehoor is aan eiser gevraagd of hij het adres heeft waar zijn familie woont. Eiser verklaart vervolgens dat zijn ouders in de wijk Bustaan Al-Saade verblijven en dat hij zijn vader kan vragen om zijn locatie te delen. Gevraagd wordt om met de correcties en aanvullingen het adres door te geven. In de correcties en aanvullingen is vervolgens vermeld dat er geen adres is, maar het in de buurt van het kasteel in Hama is. Eiser stelt in beroep dat zijn ouders vaak verhuizen, maar heeft dit niet concreet gemaakt. Eisers stelling dat hij vergeet waar ze naartoe verhuizen is daartoe onvoldoende. Eiser heeft namelijk dagelijks contact met zijn ouders en hij heeft niet concreet kunnen maken dat zijn ouders daadwerkelijk zijn verhuisd.

Gelet op de concrete verklaringen van eiser in het nader gehoor en bij de correcties en aanvullingen heeft de minister geen aanleiding hoeven zien om aan deze traceerbare informatie te twijfelen. De minister heeft daarom adequate opvang mogen aannemen bij de ouders van eiser in Hama. De enkele stelling dat zijn ouders niet voor hem kunnen zorgen, is onvoldoende om anders te oordelen. Dit is namelijk door eiser niet nader onderbouwd. De minister heeft er daarbij op mogen wijzen dat eiser heeft verklaard dat zijn vader werk heeft, ze in een huurwoning wonen en zijn ouders voor zijn andere broer en zussen zorgen. Dat dit geen vaste betrekking is en eiser mogelijk zelf ook moet gaan werken, is door eiser niet nader onderbouwd. Ditzelfde geldt voor de op zitting ingenomen stelling dat eiser vanwege mijnresten niet naar het adres van zijn ouders in Hama zou kunnen reizen. De beroepsgrond slaagt niet.

Verder oordeelt de rechtbank dat de minister bij de beslissing om een terugkeerbesluit op te leggen voldoende rekening heeft gehouden met verschillende aspecten, zoals leeftijd, geslacht, bijzondere kwetsbaarheid, fysieke en mentale gezondheid, verblijf in pleeggezin, opleidingsniveau en sociale omgeving. De minister heeft dit in de besluitvorming gemotiveerd. De enkele stelling van eiser dat met deze aspecten uit het arrest TQ geen rekening is gehouden, volgt de rechtbank daarom niet. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.

De rechtbank ziet, gelet op het voorgaande, geen aanleiding om de prejudiciële vragen van de rechtbank Roermond af te wachten of om een andere reden de zaak te schorsen.

Conclusie en gevolgen

9. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Buikema, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand