RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres],
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.60300
V-nummer: [V-nummer], eiseres,
(gemachtigde: mr. M.M.G. Crompvoets),
en
(gemachtigde: mr. W. Vrooman).
Procesverloop
Bij besluit van 8 oktober 2026 (het bestreden besluit) is aan eiseres met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vw een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Verweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiseres ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De partijen hebben ingestemd met schriftelijke afdoening van het beroep. Op 13 oktober 2026 heeft de gemachtigde van eiser gronden van beroep ingediend. Op 15 oktober 2026 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Het onderzoek is vervolgens gesloten op 22 oktober 2026.
Overwegingen
1. Eiseres is geboren op [datum] 1992 en heeft de Pakistaanse nationaliteit.
2. Eiseres is op 7 oktober 2026 aangekomen op Schiphol, waar zij kenbaar heeft gemaakt een asielaanvraag in te dienen. Vanwege de drukte op de luchthaven is aan eiseres een zogeheten “loungemaatregel”, opgelegd voor de nacht van 7 oktober 2026. De loungemaatregel is een vrijheidsbeperkende maatregel, opgelegd op grond van artikel 4.6 van het Vb.
3. Op 8 oktober 2026 om 11.30 uur is de toegangsweigering uitgesteld en de vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Het beroep ziet uitsluitend op de vrijheidsontnemende maatregel, aangezien er geen beroep open staat tegen het uitstellen van de toegangsweigering.
4. Uit de maatregel blijkt dat deze is opgelegd op basis van twee grondslagen. Ten eerste is de vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid van de Vw, in het kader van de bewaking van de buitengrens van het Schengengebied. Deze grondslag voor vrijheidsontneming eist dat een vreemdeling een verzoek heeft gedaan tot internationale bescherming, terwijl de vreemdeling niet voldoet aan de vereisten van de Schengengrenscode om het grondgebied te betreden. Ten tweede is de vrijheidsontnemende maatregel opgelegd in het kader van de artikel 5 van de screeningsverordening. Deze grondslag eist dat een vreemdeling uit een derde land gescreend wordt, nadat hij zich heeft gemeld aan een buitengrensdoorlaatpost en een verzoek om internationale bescherming heeft gedaan, zonder te voldoen aan de in artikel 6 van de Schengengrenscode gestelde eisen om de grens te overschrijden.
5. Eiseres merkt op dat in het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel zowel artikel 6, derde lid van de Vw, als de bewaring in het kader van de Screeningsverordening zijn aangemerkt als grondslagen voor de vreemdelingenbewaring.
Voor zover eiseres daarmee stelt dat de vrijheidsontneming onrechtmatig is, is de rechtbank van oordeel dat het gelijktijdig aankruisen van beide grondslagen niet leidt tot de onrechtmatigheid van de maatregel. De rechtbank stelt vast dat eiseres aan de grens een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend en zij niet aan de toegangsvoorwaarden voldeed. Hiermee voldoet eiseres aan de voorwaarden voor toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw. Dat is aangekruist dat sprake is van vrijheidsontneming in verband met de screeningsprocedure, alsmede dat aanleiding bestaat om de maatregel als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Vw op te leggen, maakt dat niet anders. Zoals verweerder in het verweerschrift heeft toegelicht, is de screeningsprocedure ten onrechte aangekruist en is de maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw.
6. Eiseres stelt zicht daarnaast op het standpunt dat voor zover de maatregel steunt op de screening zoals bedoeld in artikel 5 en 8 van de Screeningsverordening, daarvoor geen deugdelijke grondslag bestaat, wegens het ontbreken van de voorlopige medische controle. Ook is niet duidelijk wanneer de screeningsprocedure is beëindigd. In dit kader verwijst eiseres naar twee uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond.
7. De rechtbank stelt vast dat de uitvoering van de Screeningsverordening niet voorligt ter beoordeling in deze procedure. Daarnaast volgt de rechtbank het beroep van eiseres op de uitspraken van zittingsplaats Roermond niet. De rechtbank is namelijk van oordeel dat, ingevolge artikel 18, vijfde lid, van de Screeningsverordening het volledig afronden van de screeningsprocedure geen vereiste is om de asielgrensprocedure te starten. Verder is in het geval van eiseres de asielgrensprocedure gestart op 8 oktober 2026, daarmee is de screeningsprocedure afgesloten in minder dan zeven dagen. Daarom slaagt deze beroepsgrond niet. De juistheid van de voorlopige conclusie dat eiseres geen bijzondere behoeften heeft en de zorgvuldigheid van het screeningsonderzoek kan worden betwist in de asielprocedure en kan niet worden beoordeeld in dit beroep over de vrijheidsontnemende maatregel van grensdetentie. Van belang is wel dat de verweerder voorafgaand aan het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel beoordeelt en voldoende motiveert of eiseres in grensdetentie kan worden gesteld (gelet op haar persoonlijke omstandigheden). De beroepsgrond slaagt niet.
8. Vervolgens voert eiseres aan dat de kwetsbaarheidsbeoordeling niet deugdelijk is uitgevoerd en er onvoldoende rekening is gehouden met haar persoonlijke omstandigheden. Er is weliswaar rekening gehouden met enkele medische omstandigheden, maar niet met het gestelde verleden van eiseres als slachtoffer van mishandeling en mensenhandel.
9. In het kader van de kwetsbaarheidsbeoordeling is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende onderzoek heeft verricht naar eventuele kwetsbaarheden van eiseres, welke zouden kunnen leiden tot een onevenredige bezwaardheid. Eiseres heeft voldoende mogelijkheden gehad om de grensbewakingsambtenaren op de hoogte te stellen van bijzondere omstandigheden. Daarbij heeft eiseres niet gesteld dat wat zij heeft meegemaakt in Suriname maakt dat de grensdetentie onevenredig bezwarend voor haar zou zijn. Ook is eiseres gewezen op het feit dat er medische zorg aanwezig in het detentiecentrum, die gelijkwaardig is aan de zorg in de Nederlandse maatschappij. Daarnaast zijn de ambtenaren van de Koninklijk Marechaussee opgeleid om kwetsbare personen te onderkennen en hoe daarmee om te gaan. Hetgeen eiseres aanvoert over de kwetsbaarheidsbeoordeling slaagt daarom niet. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de maatregel, onder verwijzing naar het grensbewakingsbelang, voldoende heeft gemotiveerd dat er geen aanleiding is om een lichter middel toe te passen.
10. Eiseres wijst erop dat er een niet-beëdigde tolk is gebruikt in de taal Hindi om mondeling toelichting te geven over de vrijheidsontnemende maatregel, terwijl de informatiefolder is uitgereikt in de taal Urdu. Deze tegenstrijdigheid wijst op de vraag of eiseres zich voldoende duidelijk heeft kunnen maken.
11. De rechtbank volgt dit niet, omdat uit de overgelegde stukken blijkt dat eiseres zelf aangegeven heeft Hindi te willen spreken en Urdu te kunnen lezen. Daarnaast blijkt uit het proces-verbaal dat er gebruik is gemaakt van een niet-beëdigde tolk, omdat er op dat moment geen beëdigde tolk beschikbaar was. Wel zijn de identiteitsgegevens van de gebruikte tolk vermeld. Dit schaadt eiseres niet in haar belangen. Uit de verklaringen van eiseres blijkt ook niet dat eiseres de tolk niet goed heeft begrepen. Daarom slaagt deze beroepsgrond niet.
12. Eiseres stelt zich op het standpunt dat onvoldoende gemotiveerd is dat zij niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden. In de maatregel is aangekruist dat eiseres niet in het bezit zou zijn van een geldig document voor grensoverschrijding en/of in het bezit van een document voor grensoverschrijding waarin het benodigde visum ontbreekt. In het proces-verbaal van het gehoor is echter te lezen dat zij beschikt over een geldig reisdocument, voorzien van een geldig visum.
13. De rechtbank is van oordeel dat uit de overgelegde stukken voldoende is gebleken dat eiseres niet de juiste reisdocumenten had om Nederland in te reizen, zoals bedoeld in artikel 6 van de Schengengrenscode. Hoewel eiseres in het bezit was een reisdocument, was zij niet in het bezit van een machtiging tot voorlopig verblijf. Daarom slaag deze beroepsgrond niet.
14. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is.
15. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 23 oktober 2026 door mr. M.J. Paffen, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Strik, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.