Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer: 09-096130-26
Datum uitspraak: 15 oktober 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaak tegen de verdachte:
[de verdachte] (hierna: de verdachte),
geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzitting van 1 oktober 2026.
De officier van justitie in deze zaak is mr. N. Coenen en de raadsvrouw van de verdachte is mr. W.G. Nieman te Leiden. De verdachte is op de terechtzitting verschenen.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 9 maart 2026 te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg, althans in Nederland, één of meer (onbekend gebleven) perso(o)n(en) met een terroristisch misdrijf en/of enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling, heeft bedreigd, door op de sociale media applicatie “TikTok” een video te plaatsen waarop het volgende is te zien:- een persoon, verdachte, die een vuurwapen tegen zijn hoofd zet;- die persoon, verdachte, draagt een zogenoemd “skull masker” en heeft een helm op zijn hoofd met daarop bevestigd een (go pro) camera, gelijkend op attributen die bekende aanslagplegers hebben gebruikt bij het plegen van een aanslag, en/of op een bericht onder deze video met de tekst/vraag “Can you finally do something” heeft gereageerd met “Soon”, “Just gotta delete all my socials and get my affairs in order”, althans beelden en/of teksten van gelijke dreigende aard en/of strekking, waarmee hij, verdachte een aanslag in Nederland lijkt aan te kondigen.
3. De geldigheid van de dagvaarding
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft nietigheid van de dagvaarding bepleit, omdat de feitelijkheden in de tenlastelegging onvoldoende concreet zijn. Zij heeft daarbij verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 augustus 2025 (ECLI:NL:RBROT:2025:9553), waarin in de tenlastelegging precies stond waarmee werd gedreigd.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer moet worden verworpen, omdat de tenlastelegging voldoende concreet is.
Het oordeel van de rechtbank
Een dagvaarding moet een opgave inhouden van het tenlastegelegde feit en die opgave moet voldoende feitelijk en duidelijk zijn, zodat de verdachte weet wat hem verweten wordt (artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv)). Of daaraan is voldaan, hangt af van de bewoordingen waarin de tenlastelegging is gesteld en het dossier waarop zij is gebaseerd.
De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat de woorden ‘something’ en ‘soon’ in de tenlastelegging onvoldoende concreet zijn, omdat onduidelijk is gebleven wat met ‘something’ wordt bedoeld en wanneer ‘soon’ is. Daarmee wordt evenwel miskend dat deze woorden in de tenlastelegging zijn opgenomen om aan te duiden welke feitelijke uitlatingen de verdachte wordt verweten. De raadsvrouw duidt wat haar visie is op die feitelijkheden, maar dat is nu juist een kwestie van bewijswaardering. Het zegt niets over de vraag of de tenlastelegging voldoende concreet is. De rechtbank is van oordeel dat op grond van de tenlastelegging, tegen de achtergrond van de inhoud van het dossier, voldoende duidelijk is wat de verdachte wordt verweten. De tenlastelegging bevat naast de feitelijk geduide omstandigheden eveneens een tijd en plaats en voldoet daarmee aan de vereisten van artikel 261 Sv. Het verweer wordt daarom verworpen. De dagvaarding is geldig.
4. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak van het ten laste gelegde feit bepleit. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat niet vast is komen te staan dat een terroristisch misdrijf ook daadwerkelijk zou worden uitgevoerd, omdat de verdachte hier in zijn reactie (‘soon’) vaag over blijft. De verdachte heeft nooit iemand kwaad willen doen. De raadsvrouw heeft in haar pleidooi verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 augustus 2025 (ECLI:NL:2025:9553), waarin de verdachte precies had aangegeven waar en wanneer hij een terroristisch misdrijf zou plegen. Op specifieke (bewijs)verweren wordt hierna – voor zover relevant – nader ingegaan.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft in bijlage I de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen.
Juridisch kader
Voor een bewezenverklaring van een bedreiging als bedoeld in artikel 285, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) is allereerst vereist dat wordt gedreigd met een terroristisch misdrijf, genoemd in artikel 83 Sr. De bedreiging moet van dien aard zijn en onder zodanige omstandigheden plaatsvinden dat bij de bedreigde (zijnde degene tegen wie de bedreiging wordt geuit) in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat (a) het misdrijf waarmee gedreigd wordt een terroristisch misdrijf betreft en (b) dat dit misdrijf ook zou worden uitgevoerd. Dit betreft een geobjectiveerde toets. Niet is vereist dat de bedreigde zichzelf bedreigd voelde, of dat de bedreiging gericht was tot de bedreigde. Vastgesteld moet worden dat de gebruikte woorden naar hun aard geschikt zijn en onder dusdanige omstandigheden zijn geuit, dat de hiervoor bedoelde redelijke vrees kon ontstaan bij de bedreigde en dat het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte op het wekken van die vrees was gericht.
Bedreiging met terroristisch misdrijf
De rechtbank stelt op basis van het dossier het volgende vast. De verdachte heeft op 9 maart 2026 een video op TikTok geplaatst, waarop te zien is dat hij een vuurwapen tegen zijn hoofd zet, terwijl hij een skullmasker en helm met daarop een Go Pro-camera draagt. Onder deze video heeft hij twee reacties geplaatst naar aanleiding van de vraag ‘Can you finally do something’, namelijk: ‘Soon’ en ‘Just gotta delete all my socials and get my affairs in order’. Het TikTok Emergency Response Team heeft deze video direct opgepakt als urgente dreiging van een massale schietpartij en heeft dit gemeld bij de Nederlandse autoriteiten. Op basis van het gebruikte IP-adres is de verdachte vervolgens in beeld gekomen. Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij inderdaad degene is die op deze TikTok video te zien is en dat hij degene is die deze antwoorden op de vraag in de comments heeft geplaatst.
De rechtbank is op basis van de inhoud van de bewijsmiddelen van oordeel dat het plaatsen van deze video op TikTok een bedreiging met een terroristisch misdrijf en enig misdrijf tegen het leven gericht oplevert. De verdachte heeft er voor gekozen de video te plaatsen op TikTok, op een openbaar en dus voor iedereen zichtbaar account. De combinatie van het wapen, de helm, de Go Pro-camera en het skull masker, waarvan uit het dossier blijkt dat een dergelijke outfit wordt gebruikt bij massaschiet- en -steekpartijen, en de reacties van de verdachte, gezien in de context dat hij een grote fascinatie had voor massaschiet- en -steekpartijen en daar veel informatie over opzocht, zijn niet anders te verstaan dan als een dreiging met een terroristisch misdrijf en enig misdrijf tegen het leven gericht. Daarbij weegt de rechtbank mee dat het TikTok Emergency Response Team de video ook op die manier heeft opgevat en dit direct heeft opgepakt als een urgente dreiging van een massale schietpartij (mass shooting). Verder is de rechtbank, anders dan de verdediging, van oordeel dat de woorden ‘soon’ en ‘Just gotta delete all my socials and get my affairs in order’ moeten worden gezien in de context van de geplaatste video. Daar komt bij dat de verdachte ook heeft gezocht hoe hij zijn zoekgeschiedenis en zijn digitale voetprint kon verwijderen, waarmee in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat dit misdrijf ook zou worden uitgevoerd.
De rechtbank vindt de verklaring van de verdachte, dat hij hooguit zichzelf iets wilde aandoen en nooit de gedachte had om anderen van het leven te beroven, niet geloofwaardig en overweegt daarover het volgende. De verdachte heeft in de video een Go Pro-camera op zijn helm. Zo’n camera kan alleen de omgeving filmen. Als de verdachte alleen zichzelf van het leven had willen beroven dan had hij dat met een Go Pro-camera nooit kunnen filmen. Daarnaast is bekend dat daders van massaschiet- en -steekpartijen deze Go Pro camera’s juist meenemen om hun daden te filmen. De verdachte heeft ter terechtzitting bevestigd zulke video’s op te hebben gezocht en was zich mede daardoor dus bewust van het feit dat Go Pro-camera’s bij dit soort feiten worden gebruikt, en niet voor het filmen van een suïcide.
Voorwaardelijk opzet
De rechtbank zal vervolgens de vraag moeten beantwoorden of de verdachte de bedoeling heeft gehad om een redelijke vrees voor een terroristisch misdrijf te laten ontstaan. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van voorwaardelijk opzet en overweegt daartoe als volgt.
Door het plaatsen van de video met de hierboven besproken inhoud op een openbaar account van TikTok heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat een redelijke vrees zou ontstaan dat werd gedreigd met een terroristisch misdrijf en dat dit ook zou worden uitgevoerd. Gelet op de gebruikte attributen, het gedrag van de verdachte op het internet voorafgaand, tijdens en na afloop van de geplaatste video en zijn fascinatie voor massaschiet- en -steekpartijen was de verdachte zich zeer wel bewust van het feit dat het plaatsen van zo’n video veel indruk zou maken en angst zou veroorzaken. De verdachte heeft in dit verband ter zitting verklaard dat als hij zelf naar video’s van massaschietpartijen keek, daarvan geschrokken was en zich afvroeg hoe daders dit hun medemensen aan konden doen. De verklaring van de verdachte dat hij niemand bang wilde maken en dit alleen deed om erbij te horen (stoerdoenerij), doet niet af aan de omstandigheid dat hij dit risico wel degelijk heeft aanvaard.
Conclusie
De rechtbank is van oordeel dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend is bewezen.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 9 maart 2026 te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg, één of meer (onbekend gebleven) perso(o)n(en) met een terroristisch misdrijf en enig misdrijf tegen het leven gericht, heeft bedreigd, door op de sociale media applicatie “TikTok” een video te plaatsen waarop het volgende is te zien:- een persoon, verdachte, die een vuurwapen tegen zijn hoofd zet;- die persoon, verdachte, draagt een zogenoemd “skull masker” en heeft een helm op zijn hoofd met daarop bevestigd een (go pro) camera, gelijkend op attributen die bekende aanslagplegers hebben gebruikt bij het plegen van een aanslag, en op een bericht onder deze video met de tekst/vraag “Can you finally do something” heeft gereageerd met “Soon”, “Just gotta delete all my socials and get my affairs in order”, waarmee hij, verdachte een aanslag in Nederland lijkt aan te kondigen.
5. 5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
6. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
7. De op te leggen straf
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 90 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. De officier van justitie heeft gevorderd een gedeelte van 73 dagen voorwaardelijk op te leggen met een proeftijd van twee jaren en daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) geadviseerd en ter zitting verder aangevuld. De officier van justitie heeft daarbij de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden gevorderd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat, indien de rechtbank tot een veroordeling komt, bij de strafbepaling rekening gehouden dient te worden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder het feit dat het nu veel beter met de verdachte gaat en hij een first offender is. De raadsvrouw heeft verzocht een voorwaardelijke werkstraf met de geadviseerde bijzondere voorwaarden op te leggen. Ten aanzien van de bijzondere voorwaarden heeft zij naar voren gebracht dat er geen noodzaak bestaat voor een FORSA-traject (onderdeel voorwaarde 2) en dat het zich onthouden van het bezoeken van een digitale omgeving waarin over extremistische ideologie wordt gecommuniceerd moet worden geschrapt, omdat dit te weinig concreet is en de verdachte voor school dingen moet kunnen opzoeken (onderdeel voorwaarde 8).
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit het rapport en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich op 16-jarige leeftijd schuldig gemaakt aan bedreiging met een terroristisch misdrijf. De verdachte had een grote fascinatie voor massaschiet- en -steekpartijen en zocht daar veel informatie over op. Hij heeft vervolgens een video, waarin te zien is dat hij een helm met een Go Pro-camera en een skull masker draagt en een pistool tegen zijn hoofd zet, gedeeld op een openbaar account van TikTok. Verschillende aanslagplegers hebben deze attributen in het verleden gebruikt bij het plegen van massaschiet- en -steekpartijen. Vervolgens heeft de verdachte op een reactie onder zijn video gereageerd met de opmerking dat hij snel iets zou gaan ondernemen en dat hij alleen zijn accounts nog moest verwijderen en zijn spullen in orde moest maken. Op basis van al deze gegevens, in hun onderlinge samenhang bezien, kon daardoor de vrees ontstaan dat de verdachte een terroristisch misdrijf zou uitvoeren.
Het door de verdachte gepleegde misdrijf is zeer ernstig. Terreurdaden zoals aanslagen op openbare plekken bedreigen de (inter)nationale gemeenschap en roepen veel angst op. Dit volgt ook uit het feit dat de verdachte, nadat de verdenking bekend werd, lange tijd niet welkom was op zijn school. Het door de verdachte plaatsen van een video op TikTok waarin wordt gedreigd met een terroristisch misdrijf, past verder naadloos in het door de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) geschetste nieuwe dreigingsbeeld, te weten jongeren die online radicaliseren.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 10 september 2026. Daaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Dit heeft verder geen invloed op de strafoplegging, omdat een blanco strafblad het uitgangspunt is.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van de Raad van 25 september 2026 en de mondelinge toelichting die daarop door de deskundige ter zitting is gegeven. Daaruit volgt – kort samengevat – dat de Raad adviseert om de verdachte een (deels) voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met daaraan verbonden de algemene voorwaarden en daarnaast een achttal bijzondere voorwaarden. De voorwaarden zien, kort gezegd, op een meldplicht, een verplichting om te luisteren naar de jeugdreclassering, het volgen van onderwijs, het meewerken aan een coach van Westcoaching, het meewerken aan het verkrijgen en behouden van een positieve vrijetijdsbesteding, het meewerken aan behandeling bij GGZ Rivierduinen, het verplicht meewerken aan een plan rondom het gebruik van internet en sociale media en een verplichting om zich te onthouden van communiceren met extremistische personen of groepen. Ook adviseert de Raad om een onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen gelijk aan het voorarrest van de verdachte.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het Deeladvies TER van Reclassering Nederland van 26 augustus 2026. Daaruit volgt dat er een discrepantie bestaat tussen het online en offline gedrag van de verdachte. In het online gedrag van de verdachte is sprake geweest van extremistische uitlatingen. In gesprek heeft de verdachte aangegeven dat hij dit deed om indruk te willen maken en omdat hij in die periode niet goed in zijn vel zat. Hij heeft dan ook spijt van zijn online uitlatingen en benadrukt tegen geweld te zijn. Het team TER concludeert dat er geen ideologie aan zijn uitlatingen ten grondslag ligt.
Strafmodaliteit en strafmaat De rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd.
Gelet op de aard en de ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie van enige duur. De weging van de hiervoor besproken omstandigheden leidt er toe dat de rechtbank aan de verdachte een jeugddetentie zal opleggen voor de duur van 90 dagen, met aftrek van de voorlopige hechtenis -door de rechtbank berekend op 17 dagen- waarvan 73 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden, die ter zitting verder zijn besproken, aangepast en aangevuld, en het toezicht door de jeugdreclassering zijn daarbij passend en geboden. De voorwaardelijke straf dient als waarschuwing voor de verdachte en op deze manier kan de verdachte profiteren van toezicht, begeleiding en behandeling om verder tot ontwikkeling te komen.
De rechtbank ziet net als de raadsvrouw, de officier van justitie en de deskundigen geen noodzaak voor het FORSA-traject zoals opgenomen onder de geadviseerde voorwaarde 2 en zal dit niet opleggen. De rechtbank vult voorwaarde 8 aan met het hieronder vetgedrukte, waardoor deze komt te luiden:zich onthoudt van het communiceren met personen of groepen die in verband zijn te brengen met extremisme. Hij onthoudt zich op welke wijze dan ook van:
het bezoeken van een digitale omgeving waarin materiaal met extremistische inhoud kan worden verkregen;
het bezoeken van een digitale omgeving waarin over extremistische ideologie wordt gecommuniceerd, alles in overleg met de jeugdreclassering .
De rechtbank begrijpt dat de verdachte voor opdrachten op school mogelijk informatie moet opzoeken op sites, zoals NOS.nl, waar over extremistische ideologie wordt gecommuniceerd. De rechtbank vindt het belangrijk dat de verdachte zijn schoolopdrachten kan maken en wil voorkomen dat hij daardoor zijn voorwaarden overtreedt. Met deze aanvulling kan de verdachte, indien hij zo’n site dient te bezoeken voor schoolopdrachten, met de jeugdreclassering overleggen of hij deze site mag bezoeken. Het is dan aan de jeugdreclassering om dat wel of niet goed te keuren.
Dadelijke uitvoerbaarheid De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten bedreiging met een terroristisch misdrijf en een misdrijf dat tegen het leven is gericht. Gelet op de ernst van het feit, het rapport van de Raad en de toelichting van de deskundigen ter zitting is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. De Raad heeft zeer veel zorgen over het online (delict)gedrag van de verdachte. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting blijkt dat de verdachte gedurende een langere periode grote hoeveelheden digitale bestanden heeft verzameld zonder dat zijn omgeving daarvan wist. De rechtbank vindt het daarom van groot belang dat zowel het online als offline gedrag van de verdachte wordt gemonitord en hij direct de juiste behandeling en begeleiding krijgt die hij nodig heeft. Dit maakt dat de rechtbank zal bevelen dat de hierna op grond van artikel 77z van het Wetboek van Strafrecht te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 77aa van dit wetboek uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
8. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa en 285 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
9. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 4.4. bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:
bedreiging met een terroristisch misdrijf en enig misdrijf tegen het leven gericht;
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
straf
veroordeelt de verdachte tot:
een jeugddetentie voor de duur van 90 (NEGENTIG) DAGEN;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (17 dagen), bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van deze jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van deze jeugddetentie, groot 73 (DRIEËNZEVENTIG) DAGEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd als de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
1. zich gedurende een door de gecertificeerde instelling (Stichting Jeugdbescherming West) te bepalen periode en op door de gecertificeerde instelling te bepalen tijdstippen meldt, zo frequent en zo lang die instelling dat gedurende de proeftijd noodzakelijk acht en zijn medewerking verleent aan de daaruit voortvloeiende afspraken;
2. luistert en zich voegt naar de aanwijzingen van de jeugdreclassering;
3. onderwijs zal volgen volgens het lesrooster;
4. zal meewerken met de coach van Westcoaching of een soortgelijke instelling;
5. zal meewerken aan het verkrijgen en behouden van een positieve vrijetijdsbesteding;
6. zal meewerken aan behandeling bij GGZ Rivierduinen of een soortgelijke instelling;
7. zal meewerken aan een door de jeugdreclassering bepaald plan van aanpak om zijn gebruik van internet/sociale media en dergelijke weer op te bouwen, waaronder dat hij moet meewerken aan de controle van al zijn gegevensdragers tijdens een huisbezoek. Hij verschaft toegang tot alle aanwezige computers, smartphones en andere digitale gegevensdragers waarop gegevens kunnen worden opgeslagen of waarmee het internet kan worden benaderd. Hij verstrekt de gebruikersnamen en wachtwoorden die nodig zijn voor deze controle. De controle is slechts gericht op de vraag of de veroordeelde zich houdt aan voorwaarden. De controle strekt er niet toe een beeld te krijgen van het persoonlijk leven van de veroordeelde. De controle vindt plaats zo frequent als door de jeugdreclassering nodig wordt geacht. De jeugdreclassering mag daarbij de CTER-afdeling van de politie inzetten. De politie ziet mede toe op handhaving van de verboden;
8. zich onthoudt van het communiceren met personen of groepen die in verband zijn te brengen met extremisme. Hij onthoudt zich op welke wijze dan ook van:
- het bezoeken van een digitale omgeving waarin materiaal met extremistische inhoud kan worden verkregen;
- het bezoeken van een digitale omgeving waarin over extremistische ideologie wordt gecommuniceerd, alles in overleg met de jeugdreclassering;
geeft opdracht aan Stichting Jeugdbescherming west, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert om toezicht te houden op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen
aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld
in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden
toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek
van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de
jeugdreclassering, zo vaak en zo lang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht,
daaronder begrepen.
beveelt dat de bovengenoemde voorwaarden en het – op grond van artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht – uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
het bevel tot voorlopige hechtenis
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.H. Rochat, kinderrechter, voorzitter,
mr. N.B. Haverhoek, kinderrechter,
en mr. R.J. Wortelboer, kinderrechter,
in tegenwoordigheid van mr. E.M.C. Mulders, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 oktober 2026.