RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.61115
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S. Ben Ahmed),
en
(gemachtigde: mr. D.A.H. van den Tillaar).
Procesverloop
Met het bestreden besluit van 13 oktober 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Verweerder heeft de rechtbank van het opleggen van de maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 20 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [persoon A] als tolk en de gemachtigde van verweerder. De tolk is ter zitting beëdigd.
Beoordeling door de rechtbank
Bewaringsgronden
1. In de maatregel van vreemdelingenbewaring staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening en een onderduikrisico bestaat. In de maatregel heeft verweerder, met toepassing van artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Eiser heeft grond d die aan de maatregel ten grondslag ligt betwist. Eiser stelt daarbij dat onterechte wordt gesteld dat hij aliassen heeft gebruikt in verschillende landen.
De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden a, k, p, r en s en de daarop gegeven toelichtingen niet heeft betwist. Hoewel de rechtbank, in het kader van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, vaststelt dat de motivering bij sommige gronden niet op alle onderdelen voor juist kan worden gehouden, is zij van oordeel dat deze gronden voldoende zijn gemotiveerd om de maatregel van bewaring te dragen en dat daaruit een onderduikrisico volgt. Gelet hierop behoeft de betwiste grond d geen inhoudelijke bespreking. De beroepsgrond slaagt niet.
Verbod op refoulement
2. Eiser betoogt dat uit de motivering in het bestreden besluit niet blijkt dat verweerder bij het opleggen van de bewaring heeft beoordeeld of het beginsel van non-refoulement zich verzet tegen eisers overdracht aan Duitsland. Volgens eiser is de maatregel daarom van aanvang af onrechtmatig. Eiser heeft voorafgaand aan de inbewaringstelling verklaard slecht behandeld te zijn in Duitsland en zich daar onveilig te voelen. Verweerder had deze verklaringen moeten beoordelen in de maatregel.
De rechtbank overweegt dat bij de Asiel- en migratiebeheerverordening het interstatelijk vertrouwensbeginsel het uitgangspunt is. Dit houdt in dat verweerder er als uitgangspunt op mag vertrouwen dat andere lidstaten zich houden aan hun verplichtingen uit het Unierecht en mensenrechtenverdragen. Uit het overdrachtsbesluit van 29 juni 2026 blijkt dat verweerder heeft beoordeeld of voor Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan en dat eiser volgens verweerder kan terugkeren naar Duitsland. Op 3 september 2026 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, het beroep van eiser tegen het overdrachtsbesluit ongegrond verklaard. Daarbij is ook het beroep op het verbod op refoulement beoordeeld (ECLI:NL:RBDHA:2026:26234, overwegingen 7.1. en 8.2.). Eiser heeft bij zijn inbewaringstelling geen nieuwe feiten en omstandigheden aangedragen die in het overdrachtsbesluit nog niet zijn beoordeeld. Verweerder heeft in de maatregel de bezwaren van eiser tegen een overdracht in ogenschouw genomen en verwezen naar het overdrachtsbesluit en de uitspraak van de rechtbank daarover. Naar het oordeel van de rechtbank kon verweerder hiermee volstaan. Dat de term non-refoulement niet in de maatregel is genoemd, doet hier niet aan af. Verweerder heeft er op de zitting terecht nog op gewezen dat op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uit kan worden gegaan dat eiser zich bij problemen in Duitsland tot de Duitse autoriteiten kan wenden. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
3. Eiser betoogt dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling. Eiser heeft zich beschikbaar gehouden in het AZC en is niet ‘met onbekende bestemming’ vertrokken.
Gelet op de onder 1. genoemde dragende gronden, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd en terecht op het standpunt heeft gesteld dat er in dit geval geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De enkele stelling van eiser dat hij thans een meewerkende houding heeft omdat hij zich beschikbaar heeft gehouden, doet aan het voorgaande niet af. De rechtbank merkt op dat eiser in het vertrekgesprek van 14 oktober 2026 heeft verklaard niet overgedragen te willen worden aan Duitsland. Verder wist eiser dat hij naar Duitsland moest terugkeren maar heeft geen actie ondernomen om daadwerkelijk te vertrekken. De beroepsgrond slaagt niet.
Belangenafweging
4. Eiser betoogt dat verweerder onvoldoende rekening houdt met zijn psychische gesteldheid. Hiertoe voert hij aan dat hij last heeft van stemmingsstoornissen en Olanzapine gebruikt. Onduidelijk is of door een arts is uitgesloten dat eiser detentieongeschikt is. Er dient gelet op eisers psychische gesteldheid een belangenafweging gemaakt te worden, die in het voordeel van eiser uit moet vallen.
Voor zover eiser stelt dat vreemdelingenbewaring voor hem vanwege zijn psychische gesteldheid onevenredig bezwarend is, volgt de rechtbank hem hierin niet. De rechtbank stelt vast dat de door eiser genoemde medische en psychische problemen voldoende zijn meegewogen in de maatregel. Daarnaast volgt uit de maatregel dat het detentiecentrum in kennis is gesteld van eisers psychische problematiek. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij detentieongeschikt is en heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat de in het detentiecentrum beschikbare begeleiding en psychologische zorg in zijn geval niet toereikend zijn of dat zijn gesteldheid in bewaring door een gebrek aan psychologische zorg zal verslechteren. De medische voorzieningen in het detentiecentrum moeten vergelijkbaar worden geacht met de medische zorg in de vrije maatschappij (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 5 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:16). De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
5. Ook los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was (vgl. de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647).
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Felić, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.