RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.61353
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A.K.E. van den Heuvel)
en
(gemachtigde: [gemachtigde].
Procesverloop
Met het bestreden besluit van 13 oktober 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en e, van de Vw opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 21 oktober 2026 op zitting in Breda behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. S.A.M. Fikken als waarnemer van de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
Toetsingskader
1. Verweerder kan in vreemdelingenbewaring stellen de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2° of onder h, subonderdeel 2° van de Vw voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast.
2. Vreemdelingenbewaring bij rechtmatig verblijf is mogelijk op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw als vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op het vaststellen van de gegevens die ten grondslag liggen aan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw en die niet zouden kunnen worden verkregen indien de aanvrager niet in vreemdelingenbewaring zou worden gehouden, met name wanneer sprake is van een onderduikrisico. Deze grond voor vreemdelingenbewaring is aanwezig, als door middel van vreemdelingenbewaring de gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een aanvraag tot het verkrijgen van een verblijfsvergunning kunnen worden verkregen en zich ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
Voortraject
3. Eiser voert aan dat sprake is van een gebrek in het voortraject, omdat hij op een onjuiste grondslag is opgehouden. Eiser is opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw (identiteit kon onmiddellijk worden vastgesteld en gebleken dat de betrokkene geen rechtmatig verblijf had). Volgens eiser kon zijn identiteit niet onmiddellijk worden vastgesteld, nu hem ook wordt tegengeworpen dat hij niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit.
4. Bij ophouding op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw is het niet vereist dat de identiteitsgegevens vaststaan door middel van echt bevonden identiteitsdocumenten. Eiser is door de Belgische autoriteiten overgedragen aan Nederland. Hierbij is door de Belgische autoriteiten een document overgelegd met betrekking tot de identiteit van eiser. Bij aanvang van de ophouding was het dan ook voor verweerder voldoende duidelijk wie eiser is en dat hij bij binnenkomst in Nederland geen rechtmatig verblijf had. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder er in dit geval voor mocht kiezen om eiser op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw op te houden en dat geen sprake is van een gebrek in het voortraject.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
5. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op het vaststellen van de gegevens die ten grondslag liggen aan een asielaanvraag, met name wanneer sprake is van een onderduikrisico (b-grondslag) en met het oog op handhaving van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel in het geval de vreemdeling die maatregel niet naleeft en het onderduikrisico blijft bestaan (e-grondslag).
6. In de maatregel heeft verweerder als gronden voor de vreemdelingenbewaring vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
7. Eiser betwist de gronden j en q. Volgens eiser is sprake geweest van één asielaanvraag en deze is buiten behandeling gesteld. Daarmee kan niet worden gesproken van een asielaanvraag die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond of van meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning.
8. Verweerder heeft de gronden j en q ter zitting laten vallen, zodat deze niet langer aan de maatregel ten grondslag liggen.
9. De rechtbank stelt vast dat de gronden a, b, c, r en s en de motiveringen daarbij niet zijn betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden terecht zijn tegengeworpen en, voor zover nodig, voldoende zijn toegelicht in de maatregel. De gronden zijn voldoende om de maatregel te dragen. Daarom kan worden aangenomen dat een risico op onderduiken bestaat en vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op het vaststellen van de gegevens die ten grondslag liggen aan een asielaanvraag.
10. Eiser heeft voorts ter zitting aangegeven dat hij tijdens het nader gehoor op 19 oktober 2026 duidelijk heeft gemaakt dat hij zijn asielaanvraag niet wil voortzetten. De rechtbank stelt vast dat uit het verslag van dit gehoor blijkt van deze wens van eiser nu hij dit onomwonden meerdere keren heeft verklaard. Conform vaste jurisprudentie van de Afdeling kan een uitdrukkelijke intrekking van een asielaanvraag zowel mondeling als schriftelijk plaatsvinden. Op 19 oktober 2026 ving dan ook de termijn van twee dagen aan waarbinnen verweerder de grondslag van de vreemdelingenbewaring moet omzetten. Bij sluiting van het onderzoek ter zitting was deze termijn nog niet verstreken. Dit betekent dat eiser in de te beoordelen periode op de juiste grondslag in vreemdelingbewaring heeft verbleven.
11. Ook de ambtshalve toetsing leidt niet tot het oordeel dat de maatregel van vreemdelingenbewaring op enig moment in de te beoordelen periode onrechtmatig was.
Conclusie
12. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 23 oktober 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. B. Biyikli, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.