[naam], eiser,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek)
en
de minister van Asiel en Migratie.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek om veroordeling van de minister in de proceskosten. Verzoeker heeft dit verzoek gedaan op 21 augustus 2026 bij de intrekking van zijn beroep tegen niet tijdig nemen van een besluit door de minister.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
2. De minister heeft de rechtbank met de brief van 4 september 2026 geïnformeerd
dat verzoeker vertrokken is naar zijn land van herkomst, Syrië, en dat hij de lopende procedures heeft ingetrokken. De minister stelt zich op het standpunt dat er gelet op het vrijwillige vertrek van verzoeker naar zijn land van herkomst en het intrekken van de lopende verblijfsrechtelijke procedures, geen sprake is van geheel of gedeeltelijk tegemoetkomen. De minister ziet daarom geen aanleiding tot vergoeding van de proceskosten. De rechtbank volgt dit standpunt.
Conclusie en gevolgen
3. Het verzoek om de minister te veroordelen in de proceskosten wordt afgewezen.
Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van A.W. Landman, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.