ECLI:NL:RBDHA:2026:31249

ECLI:NL:RBDHA:2026:31249

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 23-10-2026
Datum publicatie 23-10-2026
Zaaknummer NL26.30836
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

beroep, asiel, Syrië, aanbod onderzoek paspoort, 15c, gegrond rechtsgevolgen blijven in stand

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] ,

alias [alias 1] ,

alias [alias 2] , eiser

de minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.30836

geboren op [datum 1] ,

geboren op [datum 2] ,

geboren op [datum 1] ,

van Syrische nationaliteit,

V-nummer: [nummer] ,

(gemachtigde: mr. M.S. Dunant Maurits),

en

(gemachtigde: mr. M.A. Lippinkhof).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw en het opleggen van een inreisverbod voor de duur van twee jaar. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag, mede gelet op de aanvullende motivering op de zitting en die in het verweerschrift, in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 2 juni 2026 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond en aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft daarop gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 30 september 2026, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Twee besluiten op dezelfde aanvraag

3. De rechtbank heeft op zitting aan partijen voorgelegd dat het dossier twee besluiten bevat op dezelfde aanvraag. Namelijk een besluit van 7 april 2026 en één van 2 juni 2026. Partijen zijn het erover eens dat het besluit van 2 juni 2026 moet worden gezien als het bestreden besluit, omdat in het besluit van 7 april 2026 geen rekening is gehouden met de zienswijze. De gemachtigde van de minister heeft op de zitting het besluit van 7 april 2026 ingetrokken. Dit betekent dat daar waar in deze uitspraak wordt gesproken over het bestreden besluit, bedoeld wordt het besluit van 2 juni 2026.

Het asielrelaas

4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft de Syrische nationaliteit en behoort tot de Arabische bevolkingsgroep. Eiser is in 2016 uit Syrië gevlucht vanwege de oorlog en hij heeft daarna, op een korte periode in 2019 na, in Turkije gewoond. Eiser vreest bij terugkeer naar Syrië vanwege de onveilige situatie en de leefomstandigheden. Ook stelt eiser te vrezen voor de familieleden van een Syrisch meisje waarmee hij in Turkije een relatie heeft gehad.

Het bestreden besluit

5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

1. eisers identiteit, nationaliteit en herkomst;

2. de problemen vanwege eisers relatie met een meisje;

3. het vervullen van de militaire dienstplicht;

4. de algehele situatie in Syrië.

De minister gelooft dat eiser de Syrische nationaliteit bezit en dat hij afkomstig is uit de provincie Deir Ez-Zor, de minister gelooft niet de door eiser gestelde identiteit. Ook gelooft de minister niet de problemen van eiser vanwege een relatie die hij had met een meisje. Het derde en het vierde asielmotief worden door de minister niet op geloofwaardigheid getoetst.

Het feit dat eiser de Syrische nationaliteit heeft en afkomstig is uit de provincie Deir Ez-Zor is volgens de minister niet voldoende om als vluchteling te worden aangemerkt of om aan te nemen dat eiser bij terugkeer een reëel risico loopt ernstige schade. De minister stelt dat de aanvraag van eiser terecht als kennelijk ongegrond is afgewezen en dat daarom ook terecht een inreisverbod is opgelegd voor de duur van twee jaar.

Identiteit van eiser

6. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte eisers identiteit niet gelooft. Ter onderbouwing van zijn identiteit en nationaliteit heeft eiser op zitting een origineel Syrisch paspoort getoond. Van dit paspoort heeft eiser op 22 september 2026 een foto in het digitale dossier geüpload. Eiser heeft op de zitting het aanbod gedaan om de minister de echtheid van het document te laten onderzoeken door Bureau Documenten.

De gemachtigde van de minister heeft op de zitting in de eerste plaats gesteld dat eiser eerder alleen en kopie van een paspoort heeft overgelegd en dat een kopie niet op echtheid kan worden onderzocht. Volgens de minister had eiser het originele paspoort eerder voor onderzoek kunnen aanbieden. De minister ziet geen aanleiding om het paspoort van eiser alsnog op echtheid te onderzoeken, omdat de uitkomst daarvan de conclusie ten aanzien van de vrees bij terugkeer naar Syrië niet verandert.

Omdat de minister ervoor heeft gekozen om niet in te gaan op het aanbod van eiser om het door hem op de zitting getoonde originele paspoort op echtheid te laten onderzoeken door Bureau Documenten, laat de minister een kans onbenut om zekerheid te krijgen over de juiste identiteit van eiser. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat het standpunt van de minister in het bestreden dat de identiteit van eiser ongeloofwaardig is, niet langer zonder meer houdbaar is. Het besluit komt om die reden voor vernietiging in aanmerking. Het beroep is alleen hierom al gegrond.

In stand laten rechtsgevolgen?

7. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. De minister heeft namelijk op de zitting het standpunt ingenomen dat, zelfs als wordt uitgegaan van eisers gestelde identiteit, dit de conclusie ten aanzien van de vrees bij terugkeer naar Syrië niet anders maakt. De rechtbank zal dit subsidiaire standpunt van de minister hieronder verder beoordelen.

De rechtbank stelt in dit verband vast dat eiser geen gronden heeft gericht tegen het oordeel van de minister ten aanzien van het tweede en derde asielmotief. De beroepsgronden richten zich op het oordeel van de minister ten aanzien van het algemene (veiligheids-) situatie in Syrië en het ontbreken van een afzonderlijke 3 EVRM-toets bij het terugkeerbesluit.

De algehele veiligheidssituatie in Syrië en de humanitaire omstandigheden

8. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in Syrië, en in Deir Ez-Zor in het bijzonder, sprake is van de laagste gradatie van willekeurig geweld. Ook weegt de minister de humanitaire omstandigheden ten onrechte niet mee. Eiser wijst in dit verband onder meer naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag van 23 februari 2026 en die van deze rechtsbank, zittingsplaats Rotterdam van 23 maart 2026. Ook heeft eiser gewezen op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 8 april 2026. Eiser stelt dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is, omdat de humanitaire omstandigheden niet zijn meegewogen.

De rechtbank overweegt dat de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats al heeft overwogen geen aanleiding te zien voor het oordeel dat de minister de situatie in Syrië ten onrechte kwalificeert als een 15c-situatie in de laagste gradatie. Uit het ambtsbericht van januari 2026 volgt niet dat de algemene veiligheidssituatie wezenlijk is verslechterd. Met wat eiser heeft aangevoerd, is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat de minister niet uit mag gaan van de laagste gradatie van willekeurig geweld.

Ten aanzien van het meewegen van humanitaire omstandigheden verwijst de rechtbank naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 19 mei 2026. Hierin heeft de rechtbank overwogen dat humanitaire omstandigheden die in een te ver verwijderd verband staan met het willekeurig geweld of die in hoofdzaak zijn veroorzaakt door een niet-strijdende actor, niet behoeven te worden betrokken bij de globale beoordeling van de gradatie van geweld. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat de slechte humanitaire omstandigheden, zoals beschreven in de ambtsberichten over Syrië en in het door eiser genoemde EUAA-rapport, in overwegende mate het gevolg zijn van handelen van het Assad-regime, dat geen actor meer is in het huidige gewapende conflict. Weliswaar kan ook het handelen van de nu nog actieve partijen invloed hebben op de humanitaire situatie, maar uit de landeninformatie volgt niet dat de huidige slechte humanitaire omstandigheden in hoofdzaak worden veroorzaakt of in stand gehouden door die partijen. Integendeel, uit de informatie blijkt dat de slechte humanitaire situatie in belangrijke mate wordt bepaald door een samenloop van factoren, waaronder langdurige economische ontwrichting, bestuurlijke en institutionele verzwakking, economische sancties, gebrekkige wederopbouw en de algemene staat van de infrastructuur na jaren van conflict. De slechte humanitaire omstandigheden zijn dus niet in overwegende mate te herleiden tot het actuele willekeurige geweld.

De humanitaire situatie en artikel 3 van het EVRM

9. Eiser betoogt verder dat terugkeer in strijd is met artikel 3 van het EVRM, omdat hij in Syrië terecht zal komen in erbarmelijke humanitaire omstandigheden. Volgens eiser bevat het bestreden besluit ten onrechte geen afzonderlijke 3 EVRM-toets. In dit verband heeft eiser onder meer gewezen op het arrest Sufi en Elmi. Pas in het verweerschrift ingaan op het arrest Sufi en Elmi, is volgens eiser te laat.

Uit het arrest Sufi en Elmi volgt dat als een slechte humanitaire situatie zich niet afspeelt in de context van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict, artikel 3 van het EVRM slechts wordt geschonden in ‘very exceptional cases where the humanitarian grounds against removal are compelling’.

De beroepsgrond slaagt. De rechtbank is met eiser van oordeel dat de minister pas in het verweerschrift uitgebreid motiveert de slechte humanitaire omstandigheden in Syrië niet zodanig zijn dat eiser bij terugkeer naar Syrië in een situatie terecht zal komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Dit betekent dat het bestreden besluit ook op dit punt een gebrek bevat en moet worden vernietigd in verband met een motiveringsgebrek.

De rechtbank is echter van oordeel dat de minister het geconstateerde gebrek heeft hersteld met de verwijzing naar de motivering in het verweerschrift en de toelichting op de zitting. De rechtbank zal om die reden de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand laten. De minister stelt terecht dat eiser in de gronden van beroep geen onderbouwing heeft gegeven van deze zeer uitzonderlijke humanitaire omstandigheden, en dat ook niet heeft toegespitst op de situatie in Deir Ez-Zor. Hoewel sprake is van een zeer slechte en complexe humanitaire situatie, is de rechtbank op basis van de nu in het dossier aanwezige stukken, niet gebleken dat in Syrië, en Deir Ez-Zor in het bijzonder, zeer uitzonderlijke omstandigheden, als bedoeld onder rechtsoverweging 9.1., bestaan. Uit het ambtsbericht van januari 2026 blijkt dat volgens UN OCHA naar schatting 16,5 miljoen Syriërs, onder wie 7,2 miljoen binnenlands ontheemden en bijna 2 miljoen teruggekeerde binnenlands ontheemden, behoefte hadden aan humanitaire hulp. Naar schatting 90% van de bevolking leefde onder de armoedegrens. Meer dan de helft van de bevolking had te kampen met voedselonzekerheid en bijna drie miljoen mensen had te maken met ernstige voedselonzekerheid. Tegelijk blijkt uit het ambtsbericht van mei 2025 dat verschillen bestonden tussen stedelijke en rurale gebieden; diensten waren over het algemeen in grotere steden geconcentreerd. Bovendien zijn internationale hulporganisaties actief in Syrië en is niet gebleken dat deze organisaties, anders dan aan de orde was in de zaak Sufi en Elmi, geen toegang hebben tot de getroffen gebieden. De humanitaire situatie in Deir Ez-Zor is op zichzelf dan ook onvoldoende om een schending van artikel 3 van het EVRM aan te nemen.

Kennelijk ongegrond

10. Eiser stelt dat de minister zijn aanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond heeft afgewezen en dat de gevolgen van het afwijzen van de asielaanvraag als ‘kennelijk ongegrond’ disproportioneel zijn. Volgens eiser heeft de minister niet gemotiveerd waarom sprake zou zijn van opzet, terwijl dit naar zijn mening wel nodig is als hem wordt verweten dat hij de minister zou hebben misleid omtrent zijn identiteit. Ook werpt de minister eiser ten onrechte tegen dat hij niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Met de minister is de rechtbank van oordeel dat het feit dat eiser zich in Nederland heeft bediend van een alias voldoende is om misleiding aan te nemen. Dat het hier zou gaan een minimaal verschil in namen, doet hier niet aan af. Dat die verschillen het gevolg zou zijn van vertaalfout is, is niet nader onderbouwd. Ook heeft de minister aan eiser kunnen tegenwerpen dat eiser zich niet onmiddellijk heeft gemeld voor het indienen van een asielaanvraag toen dat voor hem mogelijk was. Dat eiser zich niet eerder kon melden omdat hij ziek zou zijn geweest, heeft eiser -ondanks een verzoek daartoe van de minister- niet met medische stukken onderbouwd. Dat de ‘kennelijke afdoening’ van eisers asielaanvraag tot gevolg heeft dat hij geen vertrektermijn heeft gekregen en aan hem een inreisverbod is opgelegd, is een bewuste keuze van de wetgever geweest en leidt niet zondermeer tot de conclusie dat sprake is van disproportionele gevolgen. De door eiser naar voren gebrachte omstandigheden leiden de rechtbank niet tot een ander oordeel.

Het inreisverbod

11. Eiser voert tot slot aan dat het opleggen van een inreisverbod hem belemmert om het door artikel 8 van het EVRM beschermde gezinsleven uit te oefenen met zijn in Nederland verblijvende broer en dat van hem en zijn ouders en broertjes en zusjes die op basis van een mvv naar Nederland mogen komen.

In het bestreden besluit heeft de minister op dit punt overwogen dat eiser heeft nagelaten te onderbouwen wat zijn huidige band met zijn broer is en op welke wijze het inreisverbod de band met zijn broer zou belemmeren. Volgens de minister valt daardoor niet in te zien dat het opleggen van het inreisverbod in eisers situatie onredelijk is.

Verder heeft de minister is het bestreden besluit overwogen dat op de aanvraag van de gezinshereniging van eisers familie in Syrië nog geen besluit is genomen en dat het bezwaar van eiser tegen het opleggen van een inreisverbod vanwege zijn gehele familie in Nederland, daardoor op een toekomstige mogelijkheid berust. Dit is onvoldoende om eiser niet een inreisverbod op te leggen. Tot slot heeft de minister overwogen dat eiser heeft nagelaten te motiveren waardoor eiser zijn familie niet meer zou kunnen zien als eiser een inreisverbod opgelegd wordt.

In het verweerschrift heeft de minister aangegeven dat oplegging van het inreisverbod rechtens juist is en dat hij eiser niet volgt in zijn stelling dat het inreisverbod hem zou belemmeren om zijn familie te zien, omdat eisers familie hem in Syrië kan komen opzoeken. Verder is de minister van mening dat het belang van de minderjarige kinderen binnen het gezin van eiser geen factor is dat hij dient te betrekken bij de oplegging van een inreisverbod. Dit ligt ter toetsing in de nareisprocedure.

De minister wenst als laatste te benadrukken dat hij door middel van het verlenen van een mvv aan de overige gezinsleden van eiser geenszins heeft vastgesteld dat het gezinsleven met eiser in Nederland dient plaats te vinden. De mvv-aanvraag van eiser is immers afgewezen.

De rechtbank is van oordeel dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat het opleggen van een inreisverbod geen strijd oplevert met het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op gezinsleven tussen eiser en het gezin van eiser. Omdat de leden van het gezin van eiser naar Nederland mogen komen op basis van een mvv in het kader van nareis, en zij dus geen asielvergunning hebben, stelt de minister terecht dat zij eiser ook in Syrië zouden kunnen bezoeken. Ten aanzien van het beroep van eiser op artikel 8 van het EVRM in verband met gesteld familie- gezinsleven tussen eiser en zijn broertje in Nederland, heeft de minister zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt gesteld dat eiser heeft nagelaten te onderbouwen wat zijn huidige band met zijn broer is en op welke wijze het inreisverbod de band met zijn broer zou belemmeren. Ook in beroep heeft eiser deze nadere onderbouwing niet gegeven. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich dan ook op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet valt in te zien dat het opleggen van het inreisverbod in eisers situatie onredelijk is. De beroepsgrond faalt.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:46 van de Awb, gelet op wat is overwogen onder 6.2. en 9.2. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen op grond van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand te laten, gelet op wat is overwogen onder 9.3 en verder. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag van eiser in stand blijft.

13. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1 en 1 punt voor het verschijnen op de zitting).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van

A.P. Kuiters, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand