RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser, geboren op [geboortedatum] ,van Ethiopische nationaliteit,V-nummer: [nummer] ,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.54487
(gemachtigde: mr. B.H. Werink),
en
(gemachtigde: mr. M. Weerman).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven, omdat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat voor eiser adequate opvang beschikbaar is in Ethiopië. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 31 oktober 2025 afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 5 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij moest vluchten vanwege de oorlog in Ethiopië. Het Eritrese leger zit nog steeds in zijn geboortestad Zalambessa. Eiser behoort tot de Tigray bevolkingsgroep en volgens hem worden mensen van deze groep door Eritrese militairen gedood. Daarom loopt eiser bij terugkeer naar Ethiopië een reëel risico op ernstige schade.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister het volgende motief: 1. Identiteit, nationaliteit en herkomst.
De minister acht het asielmotief geloofwaardig, maar vindt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Ethiopië een gegronde vrees voor vervolging heeft en een reëel risico loopt op ernstige schade vanwege zijn Tigrese etniciteit. Daarbij is in aanmerking genomen dat de veiligheidssituatie voor Tigreeërs sinds het ondertekenen van de staakt-het-vuren-overeenkomst is verbeterd. Dit wordt ook bevestigd in het meest recente algemeen ambtsbericht. In het huidige landenbeleid worden zij ook niet (meer) als risicogroep aangewezen. Dat eiser uit Ethiopië komt en al eerder zijn herkomstgebied heeft verlaten vanwege oorlog, is volgens de minister op zichzelf niet genoeg om een vluchteling te zijn. Tot slot concludeert de minister dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid voor amv omdat uit rapporten blijkt dat voor eiser adequate opvang aanwezig is in Ethiopië.
Asielmotieven
5. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte slechts één asielmotief heeft opgenomen in het relaas. Volgens eiser is naast zijn identiteit, nationaliteit en herkomst sprake van nog een asielmotief, namelijk de bijzonder gevaarlijke situatie in Tigray, met name in zijn geboortestad Zalambessa.
De beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft toegelicht dat het niet gebruikelijk is om de algemene veiligheidssituatie in een land aan te merken als afzonderlijk asielmotief. Dit wordt altijd meegenomen bij de doortoetsing van het asielmotief identiteit, nationaliteit en meer specifiek de herkomst. Dit is ook in het geval van eiser gebeurd. Naar het oordeel van de rechtbank was het daarom niet nodig de gevaarlijke situatie in Tigray als apart asielmotief op te nemen. Situatie in Tigray
6. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte heeft gesteld dat de situatie in Tigray op dit moment niet meer zo gevaarlijk is. Het klopt dat er op dit moment geen sprake meer is van een openlijke oorlog in Zalambessa en omgeving. Echter is de situatie wel zeer kwetsbaar en kan er op elk moment opnieuw oorlog uitbreken. Ter onderbouwing heeft eiser verschillende artikelen overgelegd. Hieruit blijkt onder andere dat families die terugkeren naar hun herkomstgebied te maken hebben met ernstige veiligheidsrisico’s, zoals onvoldoende onderdak, beperkte toegang tot essentiële diensten en voortdurende onveiligheid. Eiser wijst er verder op dat de Afdeling in een aantal procedures vragen heeft gesteld over de veiligheidssituatie in Tigray. Hieruit blijkt volgens eiser dat in Tigray nog steeds sprake is van een situatie waarin eiser het risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.
De beroepsgrond slaagt niet. De minister wijst er terecht op dat op 2 november 2022 een staakt-het-vuren-overeenkomst is ondertekend tussen de strijdende partijen in de regio Tigray. Sindsdien is de veiligheidssituatie voor Tigreeërs verbeterd. De minister heeft hier terecht bij betrokken dat deze bevolkingsgroep niet meer als risicoprofiel is aangemerkt, omdat de situatie voor hen niet meer dusdanig slecht is dat (veilig) terugkeren naar de woonplaats niet tot de mogelijkheden behoort. In Tigray is geen sprake van een situatie waarin de vreemdeling alleen al door zijn aanwezig daar een reëel risico loopt op ernstige schade. Ook is op dit moment geen sprake van een mate van willekeurig geweld dat individuele omstandigheden ertoe zouden kunnen leiden dat een reëel risico op ernstige schade bestaat in de zin van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. De vragen die de Afdeling had gesteld over de situatie in Tigray zijn inmiddels beantwoord. Daarbij ging het om een plaats in Ethiopië die niet in de buurt ligt van de plaats waar eiser vandaan komt. Dit betekent dat de rechtbank kan uitgaan van het eerder genoemde oordeel dat de situatie voor Tigreeërs verbeterd is en terugkeer weer een mogelijkheid is.Onderzoek naar adequate opvang
7. Daarnaast voert eiser aan dat de minister ten onrechte heeft gesteld dat voor hem adequate opvang beschikbaar is bij de opvanginstelling Bright Star Relief in Ethiopië. Hierbij voert eiser ook aan dat de minister het primaire doel, namelijk terugkeer naar zijn ouders, onvoldoende heeft onderzocht. Dat eiser verklaart geen contact met zijn ouders te hebben, betekent niet dat de minister dit niet verder moest onderzoeken. Er mocht van de minister verwacht worden dat hij zou proberen eisers ouder(s) of andere familieleden op te sporen. Ook Bright Star Relief in Addis Abeba is geen adequate opvang voor eiser. Ter onderbouwing heeft eiser een artikel overgelegd waaruit blijkt dat mensen uit Tigray in Addis Abeba willekeurig worden gearresteerd. Weliswaar zijn er geen indicaties dat deze arrestaties systematisch gebeuren, maar het is wel zodanig zorgelijk dat van mensen uit Tigray niet verwacht kan worden dat zij zich daar vestigen. Ook heeft eiser een document van Nidos overgelegd waarin staat dat de minister onderzoek moet doen naar de individuele omstandigheden van de minderjarige en of de aangewezen opvanglocatie kan voorzien in de behoeften van de minderjarige. Dit blijkt ook uit rechtspraak van de Afdeling. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser verder aangegeven veel vragen te hebben bij het onderzoek van DT&V waarin een externe onafhankelijke onderzoeker zou hebben vastgesteld dat Bright Star Relief voldoet aan de criteria voor adequate opvang. Het onderzoeksresultaat is niet gedeeld en er is nog veel onduidelijkheid. Zo staat in het rapport dat er jaarlijks plek is voor vier of vijf nieuwe kinderen. De gemachtigde heeft dan ook zijn bedenkingen bij de opvangcapaciteit en vraagt zich af het realistisch is dat er een plek voor eiser zal zijn.
De rechtbank overweegt dat uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat de minister concreet moet onderzoeken of er voor een niet-begeleide minderjarige adequate opvang beschikbaar is in het land van herkomst. Uit het beleid van de minister volgt dat bij het zoeken naar een vorm van adequate opvang voor een amv primair moet worden getracht om de minderjarige met zijn ouder(s) te herenigen. Daarna moet worden gekeken naar hereniging bij andere familieleden. Als dit niet mogelijk is wordt naar andere mogelijkheden voor geschikte opvang gezocht, zoals bijvoorbeeld in een opvanghuis. Uit het beleid volgt dat een opvangvoorziening kan worden aangemerkt als adequaat als de opvangvoorziening in ieder geval opvang biedt tot 18 jaar, er voedsel, kleding en hygiëne beschikbaar is, er toegang is tot onderwijsvoorzieningen en er medische verzorging aanwezig is.
De beroepsgrond slaagt. De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat voor eiser in Ethiopië adequate opvang beschikbaar is. In de eerste plaats heeft de minister onvoldoende onderzocht of eiser in Ethiopië door zijn ouders of andere familieleden kan worden opgevangen. In het voornemen van de minister staat dat eiser verklaart zijn ouders sinds zijn vertrek uit Ethiopië niet meer te hebben gesproken en dat hij niet weet waar zij zijn. Op de zitting heeft de minister aangegeven daarom geen aanknopingspunten te hebben om eisers ouders te traceren. Naar het oordeel van de rechtbank had de minister, gelet op het onder 7.1. geschetste beleid, meer onderzoek moeten doen en is het gestelde onvoldoende voor de conclusie dat eiser niet kan worden opgevangen bij zijn familie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister daarnaast onvoldoende onderzocht in hoeverre Bright Star Relief in het individuele geval van eiser adequate opvang aan hem biedt. Onduidelijk blijft wie de externe onafhankelijke onderzoeker van DT&V is die zou hebben vastgesteld dat Bright Star Relief voldoet aan de criteria voor adequate opvang en wat de onderzoeksresultaten precies waren. De minister geeft in het verweerschrift aan dat DT&V met Bright Star Relief heeft afgesproken dat er in principe bereidheid is om amv uit Nederland op te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank is dit onvoldoende om te spreken van het concreet beschikbaar zijn van adequate opvang voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen die vanuit Nederland terugkeren naar Ethiopië. Is eiser ten onrechte niet gehoord?
8. Tot slot voert eiser aan dat uit een uitspraak van de Afdeling volgt dat de minister hem had moeten horen over het voornemen hem naar Bright Star Relief te sturen. Hierbij wijst eiser op de ontwikkelingen in het bestuursrecht om meer werk te maken van het recht dat een kind heeft om zijn standpunten naar voren te brengen. Nu het in deze zaak gaat om de plek waar eiser zou moeten gaan wonen, is dit bij uitstek een onderwerp om met een kind over te praten.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit uitspraken van de Afdeling van 20 augustus 2025 volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat een amv gehoord moet worden over een mogelijke plaatsing in een opvangfaciliteit in het land van herkomst. Ook uit rechtspraak van het Hof volgt niet dat artikel 24 van het Handvest de verplichting oplegt om het kind in alle gevallen te horen. Wel was de minister gehouden om eiser in de gelegenheid te stellen zijn mening te geven. In het nader gehoor heeft de minister eiser vragen gesteld in het kader van adequate opvang in het land van herkomst. In dit gehoor is eiser niet gevraagd naar zijn mening over opvang bij Bright Star Relief. Dat eiser in de beroepsfase uit eigen beweging gronden tegen Bright Star Relief als adequate opvang heeft ingebracht doet hier niet aan af. Het is immers aan de minister om actief maatregelen te nemen om te waarborgen dat het kind voldoende in de gelegenheid wordt gesteld om zijn mening te uiten. De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit ook op dit punt onzorgvuldig tot stand is gekomen en gebrekkig is.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit meerdere gebreken bevat. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Gelet op de aard van de geconstateerde gebreken ziet de rechtbank geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Het is aan de minister om opnieuw af te wegen of opnieuw deugdelijk te onderzoeken en te motiveren of alsnog een verblijfsvergunning moet worden verleend. De minister moet daarom een nieuw besluit nemen waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op binnen zes weken na de bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van mr.M. Veenstra – van der Veen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.