ECLI:NL:RBDHA:2026:31555

ECLI:NL:RBDHA:2026:31555

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 26-10-2026
Datum publicatie 27-10-2026
Zaaknummer NL26.62718
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

grensdetentie, legitiem doel, screening en grensprocedure, lichter middel

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.62718

(gemachtigde: mr. S. Oukil),

en

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Procesverloop

Bij besluit van 15 oktober 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

Verweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 22 oktober 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding

1. Verweerder kan op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw de vreemdeling die aan de grens te kennen heeft gegeven een asielaanvraag te willen indienen en die niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden, zolang er nog geen definitieve beslissing is genomen, verplichten zich op te houden in een ruimte of plaats die kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek, in het kader van een procedure om een beslissing te nemen over de toegang of in het kader van de toepassing van de screeningsprocedure. Deze maatregel wordt opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang en wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken. Dit volgt uit artikel 5.5, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).

Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel.

Legitiem doel

2. Eiser voert aan dat de vrijheidsontnemende maatregel vanaf aanvang onrechtmatig is. In dit kader doet eiser een beroep op de UNCHR Guidelines, waaruit volgt dat detentie van asielzoekers alleen kan plaatsvinden als er sprake is van een legitiem doel. Dit doel kan zijn om onttrekking te voorkomen, wanneer sprake is van een gevaar voor de openbare orde, wanneer het gaat om kennelijk ongegronde dan wel abusievelijk ingediende asielverzoeken of om de identiteit van de asielzoeker vast te stellen. Eiser betoogt dat geen van deze situaties in zijn geval aan de orde is. Eiser is in het bezit van een geldig reisdocument en heeft na aankomst op Schiphol onverwijld asiel aangevraagd. Deze omstandigheden maken dat niet kan worden gezegd dat de detentiemaatregel is opgelegd met een legitiem doel. Daarbij is er voor een asielzoeker geen andere mogelijkheid om Nederland binnen te komen, dan de manier waarop eiser heeft gereisd. De handelswijze van verweerder betekent dat op grond van deze binnenkomst reeds grensdetentie wordt toegepast, zonder dat dit individueel wordt beoordeeld en gemotiveerd. Eiser doet in dat kader een beroep op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 31 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:21600. Uit deze uitspraak volgt dat het toepassen van grensdetentie uitsluitend vanwege het indienen van een verzoek om internationale bescherming in strijd is met het ultimum remedium karakter van deze maatregel. Naar de mening van eiser komt de handelswijze van verweerder neer op het toepassen van een strafsanctie, wat niet is toegestaan.

Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigt het grensbewakingsbelang naar zijn aard in beginsel dat een vrijheidsontnemende maatregel wordt toegepast. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 2 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5077. Hierin heeft de Afdeling in rechtsoverweging 3.4. overwogen dat verweerder in het grensbewakingsbelang (het bewaken van de buitengrenzen) voldoende noodzaak mag zien om een vrijheidsontnemende maatregel overeenkomstig artikel 10, tweede lid, van de Opvangrichtlijn op te leggen. Niet is in geschil dat eiser bij aankomst op Schiphol niet voldeed aan de toegangsvoorwaarden van artikel 6 van de Schengengrenscode. Eiser was weliswaar in het bezit van een (toeristen)visum, zoals hij ter zitting heeft opgemerkt, maar eisers doel was om (in weerwil van dat visum) in Nederland asiel aan te vragen. Dat de handelswijze van eiser samenhangt met het feit dat hij asielzoeker is en hij op deze manier kon reizen, doet niet af aan het feit dat eiser aldus niet aan de toegangsvoorwaarden voldeed. Verder blijkt uit voornoemde uitspraak dat de werkwijze van verweerder - waarbij asielaanvragen die aan de grens worden ingediend en waarbij de vreemdeling niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden uit de Schengengrenscode in beginsel in de asielgrensprocedure worden behandeld en de grensdetentie wordt opgeheven wanneer de aanvraag niet verder kan worden behandeld in de asielgrensprocedure - in overeenstemming is met de Procedureverordening. Het doel van de grensdetentie is in zoverre niet om asielzoekers die uiteindelijk recht blijken te hebben op een verblijfsvergunning of waarvan uiteindelijk blijkt dat hun aanvraag zich niet leent voor de asielgrensprocedure te detineren. Verweerder dient de gelegenheid te krijgen om onderzoek daarnaar te doen en een redelijke termijn daarvoor te krijgen. Het doel van de grensdetentie is om verzoekers waarvan de aanvraag uiteindelijk wel wordt afgewezen in de asielgrensprocedure te detineren, zodat zij vervolgens op een andere grondslag in grensdetentie kunnen worden geplaatst en kunnen worden uitgezet zonder ooit toegang tot het Schengengebied te verkrijgen. Voor zover eiser betoogt dat zijn asielaanvraag zich niet leent voor behandeling in de asielgrensprocedure overweegt de rechtbank dat verweerder voorafgaand aan het opleggen van de maatregel geen beoordeling hoefde te maken of de asielaanvraag zich leent voor behandeling in de asielgrensprocedure en dat de bewaringsrechter zich in beginsel niet inhoudelijk kan uitlaten over de vraag of een asielverzoek in de asielgrensprocedure kan worden behandeld.

Verder is de rechtbank van oordeel dat de vaststelling dat grensdetentie nodig is om het grensbewakingsbelang daadwerkelijk te dienen, niet betekent dat in ieder individueel geval automatisch een vrijheidsontnemende maatregel wordt opgelegd. Verweerder dient steeds te beoordelen of sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken en daarom maken dat de maatregel in een concreet geval niet moet worden opgelegd. Zoals hierna onder 4.1. zal worden overwogen is niet gebleken dat grensdetentie voor eiser onevenredig bezwarend is.

Screening en asielgrensprocedure

3. Eiser betoogt dat artikel 6, derde lid, van de Vw niet op hetzelfde moment de grondslag kan vormen voor bewaring op grond van de Screeningsverordening als de Opvangrichtlijn. De verplichte screening, waarin ook moet worden beoordeeld of een bewaringsmaatregel evenredig is, moet volgens eiser zijn beëindigd voordat de grensdetentie mag worden opgelegd. In eisers geval is de maatregel op 15 oktober 2026 opgelegd terwijl het screeningsformulier dateert van 17 oktober 2026. De screening is daarmee niet adequaat gedaan, hetgeen de bewaringsmaatregel onrechtmatig maakt. In dit kader verwijst eiser naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 15 september 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:26835.

De rechtbank constateert dat in de vrijheidsontnemende maatregel een kruisje is gezet bij vrijheidsontneming ten aanzien van de screeningsprocedure en bij vrijheidsontneming ten aanzien van de asielgrensprocedure. Deze omstandigheden kunnen echter niet naast elkaar bestaan. Uit artikel 1, aanhef en onder a, van de Screeningsverordening volgt immers dat verzoekers die aan de buitengrens om internationale bescherming verzoeken, worden gescreend voordat zij naar een passende procedure worden doorverwezen. Hierin ziet de rechtbank echter geen reden om de grensdetentie onrechtmatig te achten. In dit kader verwijst de rechtbank naar de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 2 september 2026, r.o. 7 en 7.1. Uit deze uitspraak volgt dat artikel 6, derde lid, van de Vw namelijk zowel in een grondslag voor grensdetentie tijdens de screening als tijdens de asielgrensprocedure voorziet. Bovendien heeft verweerder ter zitting toegelicht dat het kruisje bij vrijheidsontneming ten aanzien van de screeningsprocedure ten onrechte is aangevinkt. Dat verweerder deze kruisjes ten onrechte blijft aanvinken, zoals eiser heeft betoogd, leidt thans niet tot een ander oordeel.

Verweerder heeft voorts toegelicht dat de screening was afgerond alvorens de vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd. Het screeningsformulier is gedateerd op 15 oktober 2026 (gedingstuk 15). De rechtbank merkt op dat het formulier ter voorbereiding van de asielaanvraag (gedingstuk 27), waaraan eiser heeft gerefereerd, niet heeft te gelden als screeningsformulier in de hiervoor bedoelde zin. Voor zover eiser een beroep doet op de wijze waarop de screening is uitgevoerd dient eiser dit aan de orde te stellen in een eventueel beroep tegen de beslissing op zijn asielaanvraag. De beroepsgrond slaagt niet.

Lichter middel

4. Eiser voert aan dat verweerder er ten onrechte vanuit gaat dat het grensbewakingsbelang enkel kan worden gewaarborgd met vrijheidsontneming en dat de toepassing van een lichter middel niet mogelijk is omdat dat leidt tot prijsgeven van dat grensbewakingsbelang. Eiser wijst op de kan-bepaling van artikel 6, derde lid, van de Vw, waaruit volgt dat detentie tijdens de grensprocedure een mogelijkheid is. Verder wijst eiser op het EUAA handboek, de Procedureverordening, de Opvangrichtlijn en de Terugkeergrensprocedureverordening. Ook wijst eiser op de praktijk in Denemarken en Italië, waar volgens hem een lichter middel van vrijheidsontneming in grensprocedures wordt toegepast. Ter zitting heeft eiser er verder nog op gewezen dat hij astma heeft en daarvoor medicatie gebruikt.

De Afdeling heeft in de hiervoor aangehaalde uitspraak van 2 september 2026 geoordeeld dat het Unierecht geen automatische koppeling kent tussen het toepassen van de asielgrensprocedure en grensdetentie, maar het voor lidstaten wel mogelijk maakt om grensdetentie toe te passen als de aanvraag in de asielgrensprocedure wordt behandeld. Verder overweegt de Afdeling dat een meldplicht in de internationale lounge op Schiphol niet kan worden opgelegd wegens een gebrek aan geschikte voorzieningen en een meldplicht in bijvoorbeeld het aanmeldcentrum Ter Apel met zich meebrengt dat eiser feitelijke toegang krijgt tot het Schengengebied. De Afdeling is daarom van oordeel dat, zolang er geen realistische alternatieven voor grensdetentie worden opgeworpen, de beoordeling of verweerder met een lichter middel had moeten volstaan dan grensdetentie, niet verder strekt dan de beoordeling of de grensdetentie onevenredig bezwarend is. In hetgeen eiser naar voren heeft gebracht ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Niet is gebleken dat eiser klachten ervaart die de grensdetentie onevenredig bezwarend maken. Daarbij merkt de rechtbank op dat medische zorg in het detentiecentrum beschikbaar is, die gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij, zoals verweerder ook in de maatregel heeft opgemerkt. Daarbij is gesteld noch gebleken dat eiser detentieongeschikt is. De beroepsgrond slaagt niet.

Slotsom beroepsgronden

5. Uit het voorgaande volgt dat de beroepsgronden van eiser niet leiden tot het oordeel dat de grensdetentie tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.

Ambtshalve toetsing

6. Ook los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de grensdetentie tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was (vgl. de het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858).

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. E.F. Derksen, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.M.J. Adriaansen

Griffier

  • mr. E.F. Derksen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand