RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.9379
(gemachtigde: mr. W.A. Berghuis),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 17 augustus 2023 heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd, ingaande op 5 september 2023.
Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld (NL23.25778) en om een voorlopige voorziening verzocht (NL23.25779).
Bij uitspraak van 1 september 2023 is het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen.
Bij besluit van 1 februari 2024 heeft verweerder het terugkeerbesluit van 17 augustus 2023 ingetrokken waarna eiser ook het beroep tegen dit terugkeerbesluit heeft ingetrokken.
Bij besluit van 7 februari 2024 heeft verweerder aan eiser een nieuw terugkeerbesluit opgelegd.
Eiser heeft op 5 maart 2024 tegen dit besluit beroep ingesteld (onderhavig beroep: NL24:9379) en tevens een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend (NL24.9389).
Eiser heeft op 8 maart 2024 beroepsgronden ingediend.
Bij uitspraak van 27 maart 2024 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
Eiser heeft daarna een nieuw verzoek om een voorlopige voorziening ingediend (NL24.14511).
Bij uitspraak van 5 april 2024 heeft de voorzieningenrechter dit verzoek toegewezen en bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat eiser niet wordt uitgezet en dat hij wordt behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming bedoeld in de Richtlijn Tijdelijke Bescherming op hem van toepassing is, totdat op het door hem ingestelde beroep is beslist.
Bij besluit van 7 augustus 2025 heeft verweerder het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 ingetrokken en dit besluit onder verwijzing naar artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vervangen door een nieuw terugkeerbesluit. In dit besluit heeft verweerder bepaald dat eiser moet terugkeren naar Marokko, dat hij Nederland, het grondgebied van de EU, EER en Zwitserland binnen vier weken moet verlaten, dat hij daarna kan worden verwijderd en dat hij vanwege het terugkeerbesluit in het Schengen Informatie Systeem (SIS) gesignaleerd. Tevens heeft verweerder in dit besluit bepaald dat eiser mag blijven werken en gebruik maken van gemeentelijke opvang en voorzieningen
totdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het onderhavige beroep.
Eiser heeft op 28 augustus 2025 beroepsgronden ingediend.
Met toestemming van partijen doet de rechtbank op grond van artikel 8:57 van de Awb uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
Inleiding
1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en bezit de Marokkaanse nationaliteit. Hij had in Oekraïne een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met een grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier facultatieve tijdelijke bescherming verkregen op grond van de Richtlijn 2001/55/EG en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/3822 van 4 maart 2022 (Richtlijn Tijdelijke Bescherming; RTB). Ook heeft hij, om deze tijdelijke bescherming te kunnen krijgen, een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 31 mei 2023 buiten behandeling gesteld. Hiertegen is geen rechtsmiddel aangewend, zodat dit besluit in rechte vaststaat.
2. Verweerder heeft aanvankelijk bij besluit van 17 augustus 2023 bepaald dat de facultatieve tijdelijke bescherming met ingang van 4 september 2023 eindigt. Bij brief van 7 september 2023 heeft verweerder eiser geïnformeerd dat de gevolgen van beëindiging van de tijdelijke bescherming zijn bevroren. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft bij uitspraak van 17 januari 2024 geoordeeld dat verweerder de facultatieve bescherming niet per 4 september 2023 heeft kunnen beëindigen, en heeft bepaald dat het recht op tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning van rechtswege eindigt op 4 maart 2024. Verweerder heeft daarna het terugkeerbesluit van 17 augustus 2023 ingetrokken,
3. Bij brief van 24 januari 2024 heeft verweerder vervolgens eiser gewezen op de beëindiging van rechtswege op 4 maart 2024 en op 7 februari 2024 tegen eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Eiser heeft tegen het besluit van 7 februari 2024 beroep ingesteld.
4. Deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, en de Afdeling hebben op 29 maart 2024 en op 25 april 2024 prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) over de beëindiging van deze tijdelijke bescherming. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder een bevriezingsmaatregel genomen, inhoudende dat personen van wie de tijdelijke bescherming was beëindigd langer gebruik mochten maken van de rechten die zij onder de RTB hadden.
5. Het Hof heeft bij arrest van 19 december 2024 de door de Afdeling en zittingsplaats Amsterdam gestelde vragen beantwoord. Het Hof heeft geoordeeld dat het Unierecht een lidstaat toestaat om de door hem verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip in te trekken dan dat waarop de verplichte tijdelijke bescherming geen rechtsgevolgen meer heeft. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 uitgelegd hoe het arrest van het Hof dient te worden toegepast en heeft bevestigd dat de tijdelijke bescherming voor derdelanders op 4 maart 2024 is geëindigd. Bij brief van 3 juni 2025 aan de Tweede Kamer heeft verweerder meegedeeld dat hij besloten heeft om naar aanleiding van deze Afdelingsuitspraken de bevriezingsmaatregel per 4 september 2025 te beëindigen. Op 10 juli 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, naar aanleiding van het arrest van 19 december 2024 einduitspraak gedaan.
Het terugkeerbesluit van 7 februari 2024
6. Nu verweerder het besluit van 7 februari 2024 heeft ingetrokken, heeft eiser geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van dit besluit. De rechtbank zal het beroep voor zover gericht tegen dit besluit daarom niet-ontvankelijk verklaren. Eiser heeft wel recht op een vergoeding van zijn proceskosten.
Het terugkeerbesluit van 7 augustus 2025
7. Verweerder heeft op 7 augustus 2025 het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 ingetrokken en een vervangend terugkeerbesluit genomen. Het beroep heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege ook betrekking op dit vervangende besluit.
Verweerder heeft aan het (vervangende) terugkeerbesluit ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf meer heeft in Nederland aangezien zijn recht op tijdelijke bescherming onder de RTB is op 4 maart 2024 geëindigd. Eiser heeft geen openstaande vreemdelingrechtelijke procedures die leiden tot rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en is evenmin in het bezit van een verblijfsvergunning. Volgens verweerder staan de artikelen 3 en 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) niet in de weg aan het uitvaardigen van een terugkeerbesluit. Ten slotte heeft verweerder geconcludeerd dat geen sprake is geweest van schending van de hoorplicht, nu eiser schriftelijk in de gelegenheid is gesteld om zijn standpunten naar voren te brengen.
Schending van de hoorplicht?
Eiser betoogt dat verweerder hem eerst had moeten horen alvorens het terugkeerbesluit te nemen.
Volgens vaste rechtspraak van het Hof heeft de regel dat aan de adressant van een bezwarend besluit de gelegenheid moet worden gegeven om zijn opmerkingen kenbaar te maken voordat dit besluit wordt genomen, tot doel de bevoegde autoriteit in staat te stellen naar behoren rekening te houden met alle relevante elementen. Die regel beoogt met name, ter verzekering van de effectieve bescherming van de betrokken persoon, deze laatste in staat te stellen om een vergissing te corrigeren of persoonlijke omstandigheden aan te voeren die ervoor pleiten dat het besluit wordt genomen, niet wordt genomen of dat in een bepaalde zin wordt besloten. In deze zaak is eiser in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze te geven op het voornemen van verweerder om een nieuw terugkeerbesluit aan eiser op te leggen en in dat kader alle relevante elementen naar voren te brengen. Eiser heeft niet gesteld in welke belangen hij is geschaad door hem niet (ook) in persoon te horen. De beroepsgrond slaagt niet.
Legaal verblijf ten tijde van het nemen van het terugkeerbesluit?
9. Eiser betoogt dat aan hem geen terugkeerbesluit kon worden opgelegd, omdat de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats heeft geoordeeld dat hij moet worden behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming op hem van toepassing is totdat op het beroep is beslist.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Bij uitspraak van 5 april 2024 heeft de voorzieningenrechter bepaald dat eiser niet wordt uitgezet en dat hij wordt behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming bedoeld in de Richtlijn Tijdelijke Bescherming op hem van toepassing is, totdat op het door hem ingestelde beroep is beslist. Dit betekent echter niet dat de Terugkeerrichtlijn niet van toepassing is op eiser. Volgens het Hof zou anders pas na de beslissing op het rechtsmiddel een terugkeerbesluit kunnen worden genomen, waardoor de inleiding van de terugkeerprocedure aanzienlijke vertraging zou kunnen oplopen en deze procedure complexer zou kunnen worden. Ook de omstandigheid dat op het moment van het nemen van het terugkeerbesluit de bevriezingsmaatregel nog niet was geëindigd, betekent niet dat verweerder niet bevoegd was een terugkeerbesluit te nemen. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 31 oktober 2025 waarin is geoordeeld dat een derdelander door de bevriezingsmaatregel niet beschikt over een ‘verblijfsvergunning of andere vorm van toestemming tot verblijf’, als vermeld in artikel 6, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn. Dat verweerder in het terugkeerbesluit de bevriezingsmaatregel voor eiser heeft verlengd totdat op het onderhavige beroep is beslist maakt dat niet anders.
Vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel geschonden?
10. Eiser voert aan dat hij erop mocht vertrouwen dat hij net als de Oekraïense vreemdelingen zou worden behandeld. Door het beleid te wijzigen is het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel geschonden.
In de hiervoor aangehaalde uitspraken van 17 januari 2024 heeft de Afdeling geoordeeld dat verweerder geen toezeggingen heeft gedaan waaruit derdelanders mochten afleiden dat hun tijdelijke bescherming pas zou eindigen als de maximale duur daarvan was bereikt. Daarnaast heeft de Afdeling in deze uitspraak geoordeeld dat verweerder geen gegronde verwachtingen heeft gewekt dat derdelanders altijd hetzelfde zouden worden behandeld als andere ontheemden uit Oekraïne die tijdelijke bescherming hebben gekregen. De Afdeling heeft dit bevestigd in haar uitspraken van 23 april 2025. De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om anders te oordelen dan de Afdeling in deze uitspraken heeft gedaan.
Strijd met artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn of het evenredigheidsbeginsel?
11. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder had moeten afzien van het opleggen van een terugkeerbesluit, omdat hij werk heeft in Nederland en hier een kennissenkring heeft opgebouwd.
Op grond van artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn houden de lidstaten bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn rekening met:a) het belang van het kind;b) het familie- en gezinsleven;c) de gezondheidstoestand van de betrokken onderdaan van een derde land, en eerbiedigen zij het beginsel van non-refoulement.
Op grond van vaste rechtspraak van het Hof strekt de uit artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn voortvloeiende verplichting zich ook uit tot het recht op eerbieding van het privéleven. Verweerder heeft zich echter niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat aan het algemeen belang meer gewicht toekomt dan aan de belangen van eiser.
SIS-signalering in strijd met het evenredigheidsbeginsel?
12. Eiser voert aan dat de signalering in het SIS in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.
De rechtbank komt niet toe aan beoordeling van deze beroepsgrond, nu voor een individuele evenredigheidsbeoordeling op nationaal niveau geen ruimte bestaat.
Strijd met het refoulement-verbod?
13. De stelling van eiser dat verweerder niet heeft getoetst aan het verbod van refoulement klopt niet. In het bestreden besluit heeft verweerder namelijk overwogen dat eiser niet heeft betwist dat er geen aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat eiser bij terugkeer naar Marokko een reëel risico loopt te worden onderworpen aan de doodstraf, folteringen of vernederende behandelingen. In beroep heeft eiser ook niet gesteld en is de rechtbank ook niet gebleken dat dit risico nu wel bestaat.
Conclusie
14. Het beroep tegen het terugkeerbesluit van 7 augustus 2025 is ongegrond.
Proceskosten
15. Nu het vervangend besluit van 7 augustus 2025 is genomen nadat beroep was ingesteld tegen het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 en niet in geschil is dat dit eerste terugkeerbesluit prematuur was genomen, namelijk op een moment dat eiser (achteraf bezien) nog rechtmatig verblijf had op grond van de RTB, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiser in verband met zijn beroep tegen dat besluit heeft gemaakt. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gericht tegen het op 7 februari 2024 vastgestelde terugkeerbesluit niet-ontvankelijk;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiser in verband met zijn beroep tegen het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 heeft gemaakt tot een bedrag van € 934,-.
- verklaart het beroep gericht tegen het op 28 augustus 2025 vastgestelde terugkeerbesluit ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. de Gans, rechter, in aanwezigheid van
mr. J. Dommerholt, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.