[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. S. Ben Ahmed),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Samenvatting
Met het bestreden besluit van 14 oktober 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van art. 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Verweerder heeft de rechtbank van het opleggen van de maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 20 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
1. Verweerder kan de vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMbV) van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van de AMbV. In de AMbV staat dat de lidstaten wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de lidstaten de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.
Op grond van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) kan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de AMbV indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.
Bewaringsgronden
2. In de maatregel van vreemdelingenbewaring staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de AMbV en een onderduikrisico bestaat. In de maatregel heeft verweerder, met toepassing van artikel 5.6, tweede lid, van het Vb, als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Eiser betwist dat hij onjuiste gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit. Tijdens het gehoor voorafgaand aan de maatregel heeft eiser hier ook al een verklaring over gegeven. Zijn naam betreft een namenreeks en er bestaat vaker verwarring over hoe dat moet worden genoteerd. Om die reden is het fout gegaan en verschilt zijn naam met het genoteerde in Spanje. Verder voert eiser aan dat door verweerder onterecht wordt gesteld dat hij geen actieve houding aanneemt ten aanzien van de overdracht aan Spanje. Daartoe voert eiser aan dat hij meermaals heeft verklaard wel te willen meewerken aan zijn overdracht en bij eerdere vertrekgesprekken is komen opdagen. Dat hij op 15 september 2026 niet is verschenen om opgehaald te worden voor zijn geplande vlucht ter overdracht aan Spanje, kwam volgens eiser kort gezegd doordat de berichtgeving hierover onduidelijk was. Daarbij stelt eiser die dag gewoon aanwezig, en dus traceerbaar, te zijn geweest op het COA. De rechtbank begrijpt dit betoog aldus dat eiser de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden d en k betwist.
Ten aanzien van de grond k, overweegt de rechtbank als volgt. Niet in geschil is dat eiser een besluit van 24 juli 2026 heeft ontvangen waaruit volgt dat hij wordt overgedragen aan Spanje. Eiser is bij de voor hem geplande overdracht op 15 september 2026 niet verschenen, ondanks dat hij hier meerdere keren over is geïnformeerd. Zo is eiser, zoals door de regievoerder met hem was afgesproken, op 8 september 2026 via WhatsApp geïnformeerd over de vluchtgegevens en heeft het COA eiser op 14 september 2026 geïnformeerd over de ophaaltijd op zijn overdrachtsdatum. Het is eisers verantwoordelijkheid om, wanneer die informatie voor hem niet duidelijk is, de juiste hulp te zoeken om te zorgen dat hij de informatie begrijpt. De stelling van eiser dat hij enkel niet is verschenen omdat de berichtgeving rondom zijn overdracht onduidelijk was, baat hem dus niet. Verder heeft eiser na de geplande overdrachtsdatum niets ondernomen om zijn overdracht alsnog mogelijk te maken, ook nadat hem duidelijk zou zijn geworden dat hij op die datum had moeten vertrekken. De rechtbank wijst er in dit verband op dat op eiser de verplichting rust om volledig en actief mee te werken aan zijn overdracht. Aan die verplichting heeft eiser, gelet op het voorgaande, niet voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de grond k dan ook terecht aan de maatregel ten grondslag gelegd.
De rechtbank stelt verder vast dat eiser de gronden a, p, r en s en de daarop gegeven toelichtingen niet heeft betwist. Hoewel de rechtbank, in het kader van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, vaststelt dat de motivering bij sommige gronden niet op alle onderdelen voor juist kan worden gehouden, is zij van oordeel dat deze gronden voldoende zijn gemotiveerd om de maatregel van bewaring te dragen en dat daaruit een onderduikrisico volgt. Wat eiser heeft aangevoerd ten aanzien van de grond d laat de rechtbank derhalve onbesproken.
Lichter middel
3. Eiser is van mening dat verweerder met een lichter middel dan de inbewaringstelling had moeten volstaan, waardoor eiser zijn overdracht in vrijheid zou kunnen afwachten. Daartoe voert eiser aan dat hij meermaals heeft aangegeven dat hij mee wil werken aan zijn overdracht aan Spanje, zoals reeds vermeld onder 2.1, en dat hij begrijpt dat hij geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland.
Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder. Alleen een verwijzing naar de vreemdelingenbewaringsgronden volstaat daarvoor niet.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend hadden kunnen worden toegepast. Zoals in 2.3. is overwogen, volgt uit de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd dat sprake is van een onderduikrisico bij eiser. Verder wijst verweerder er naar het oordeel van de rechtbank terecht op dat eiser - zoals reeds in 2.2. is overwogen - de kans heeft gehad om te vertrekken zonder in bewaring te worden gesteld. Ook zijn er geen omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat de maatregel voor eiser onevenredig bezwarend is. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
4. Ook los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was (vgl. de arresten van het HvJEU van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647).
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. F. van der Zanden, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.