Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09-206772-25
Datum uitspraak: 26 oktober 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1972 te [geboorteplaats], [geboorteland],
BRP-adres: [adres].
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 12 oktober 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. C. Vermeulen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. J. de Vries naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 13 juni 2024 te Noordwijkopzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1.641,7 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of ongeveer 110,2 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde amfetamine en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
3. De bewijsbeslissing
Opgave van bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor het feit volstaan met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De verdachte heeft dit feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit en heeft de officier van justitie met betrekking tot dit feit gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2024383944, van de politie eenheid Den Haag, district Leiden – Bollenstreek (doorgenummerd pagina 1 t/m 147).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 12 oktober 2026;
2. Het proces-verbaal van bevindingen doorzoeking loods, opgemaakt op 14 juni 2026 (p. 50-51);
3. Het proces-verbaal van bevindingen Rapporten NFI onderzoek verdovende middelen, opgemaakt op 9 augustus 2024 (p. 102-113).
Bewijsoverwegingen
In het NFI rapport op dossierpagina 104 is geconcludeerd dat 100,2 gram in de loods aangetroffen wit, brokvormig materiaal cocaïne bevatte. De rechtbank zal (in plaats van het op de tenlastelegging opgenomen gewicht van 110,2 gram) het aanwezig hebben van dit gewicht aan cocaïne bewezen verklaren.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij omstreeks 13 juni 2024 te Noordwijk opzettelijk aanwezig heeft gehad 1.641,7 gram amfetamine en 100,2 gram cocaïne, zijnde telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeventien maanden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte verzocht aan hem geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en te volstaan met een werkstraf al dan niet gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf. De verdediging heeft namens de verdachte ook verzocht er bij de strafoplegging rekening mee te houden dat de onder de verdachte aangetroffen verdovende middelen voor eigen gebruik bestemd waren.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft 1.641,7 gram amfetamine en 100,2 gram cocaïne aanwezig gehad.
Amfetamine en cocaïne zijn zeer schadelijk voor de volksgezondheid en vormen een bedreiging voor de samenleving vanwege de criminaliteit en de overlast waarmee de handel in en het gebruik van deze middelen gepaard gaan.
Omdat naast deze grote hoeveelheid verdovende middelen ook versnijdingsmiddelen, lepeltjes en weegschalen met wit poeder erop zijn aangetroffen, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat de verdovende middelen (volledig) voor eigen gebruik van de verdachte bestemd waren.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 9 september 2026. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat hij op 21 mei 2021 eerder is veroordeeld voor Opiumwetfeiten.
Persoon van de verdachte
De verdachte heeft ter zitting verklaard dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou zorgen voor het verlies van zijn huurwoning, en voor problemen bij de betaling van zijn alimentatie en het aflossen van zijn schulden.
De straf
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is als uitgangspunt voor het aanwezig hebben van 1500-2000 gram harddrugs een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeven maanden vermeld. In dit geval acht de rechtbank, zoals hierboven vermeld, strafverhogend dat de verdachte eerder is veroordeeld voor Opiumwetfeiten.
Hoewel het in deze zaak gaat om een feit uit 2024 concludeert de rechtbank - anders dan de officier van justitie - dat de redelijke termijn niet is overschreden. De rechtbank zal het tijdsverloop dan ook niet in strafverminderende zin meenemen bij de strafoplegging.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf. De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van acht maanden passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
7. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 2 en 10 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
8. De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.3 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 8 (ACHT) MAANDEN.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.E. van Essen, voorzitter,
mr. K.C.J. Vriend, rechter,
mr. W.E. Povel, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. A.J.M. Dries, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 oktober 2026.