Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/187540-26
Datum uitspraak: 26 oktober 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats],
BRP-adres: [adres].
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 12 oktober 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. C. Vermeulen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. R. Pothast naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 12 oktober 2026 - ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 29 juni 2026 te Roelofarendsveen, gemeente Kaag en Braassem
opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
ongeveer 2964,4 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende 4-chloormethcathinon (4-CMC), zijnde 4-chloormethcathinon (4-CMC) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit.
Vrijspraak
Vast staat dat op 29 juni 2026 een plastic tas, met daarin een sealbag met bijna drie kilo van een materiaal bevattende 4-chloormethcathinon (4-CMC), in de auto van de verdachte is aangetroffen. De tas lag onder de passagiersstoel, aan de achterzijde, op het tapijt.
De verdediging heeft betoogd dat de verdachte niet opzettelijk verdovende middelen in zijn auto aanwezig had. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte consequent heeft verklaard dat hij niet weet van wie de tas is. De verdachte is taxichauffeur en heeft op de dag van de aanhouding diverse klanten vervoerd. Daarbij heeft de verdachte onder meer een rit gemaakt naar Den Haag, waar een locatie van de “[bedrijfsnaam]” is gevestigd. De verdovende middelen werden aangetroffen in een plastic tas van dit bedrijf. Omdat de verdachte niet via een taxicentrale of digitaal ritplatform rijdt, beschikt hij niet over de contactgegevens van eerdere klanten. De verdachte heeft verklaard dat hij pas bekend is geworden met de tas in zijn taxi toen deze door de verbalisant werd opgemerkt. Dit is volgens de verdachte ook niet vreemd, omdat de tas onder de passagiersstoel lag (aan de achterzijde) en daarmee buiten zijn zicht als chauffeur.
Op grond van de stukken uit het dossier en gelet op de verklaring van de verdachte zoals ter terechtzitting gevoerd, kan de rechtbank niet met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid vaststellen dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de verdovende middelen in de auto. Van belang daarbij acht de rechtbank dat de verdovende middelen zijn gevonden op de grond achter de passagiersstoel en de verdachte deze verdovende middelen niet noodzakelijkerwijs moet hebben gezien indien een passagier deze daar zou hebben achtergelaten. Daar komt bij dat niet uit andere bewijsmiddelen, zoals forensisch onderzoek naar dactyloscopische sporen, afgeleid kan worden dat de verdachte de vereiste wetenschap bezat. De verklaring van de verdachte wordt daarnaast niet, dan wel onvoldoende, weerlegd door andere uit het dossier blijkende feiten en omstandigheden.
Daarom is niet bewezen dat de verdachte de verdovende middelen opzettelijk aanwezig heeft gehad, zodat de verdachte van het ten laste gelegde feit zal worden vrijgesproken.
4. Het beslag
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat het op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage A aan dit vonnis is gehecht) onder 1 genoemde voorwerp, te weten een contant geldbedrag van € 560,00, zal worden teruggegeven aan de verdachte.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft om teruggave van het inbeslaggenomen contante geld verzocht.
Het oordeel van de rechtbank
Omdat de verdachte van het ten laste gelegde feit zal worden vrijgesproken en er geen strafvorderlijk belang meer bestaat bij het voortduren van het beslag, zal de rechtbank ten aanzien van het inbeslaggenomen contante geld de teruggave aan de verdachte gelasten. 5. De beslissing
De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;
gelast de teruggave aan de verdachte van het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten: het geldbedrag van € 560,00.
Dit vonnis is gewezen door
mr. W.E. Povel, voorzitter,
mr. K.C.J. Vriend, rechter,
mr. J.E. van Essen, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. A.J.M. Dries, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 oktober 2026.