RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , eiser/verzoeker,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.52884 (beroep) en NL26.52885 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. R.J. Schenkman),
en
(gemachtigde: mr. A.E. van der Burg).
1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag in stand kan blijven. Verweerder heeft kunnen oordelen dat eiser zelfredzaam is en dus terug kan keren naar Griekenland. Hierbij betrekt de rechtbank ook het arrest D.O. en L.A. van het EHRM. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij als individu een risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 25 juli 2026 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 1 september 2026 deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht tot het treffen van een voorlopige voorziening die ertoe strekt dat hij niet mag worden uitgezet totdat op zijn beroep is beslist.
De rechtbank heeft het beroep en de voorlopige voorziening op 8 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, A. Biada als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij heeft de Jemenitische nationaliteit en is geboren op [datum] 1982. Eiser had in Jemen problemen met de clan [naam] over een stuk grond. De clan wilde dit stuk grond innemen en de ruzie hierover tussen de familie van eiser en de clan is geëscaleerd waarbij wapens zijn getrokken en doden zijn gevallen. Eiser vreest daarom in Jemen voor zijn leven. Eiser vreest ook voor de algemene veiligheidssituatie in Jemen.
Het bestreden besluit
4. Verweerder verklaart de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk op grond van artikel 38, eerste lid, onder c, van de Procedureverordening, omdat eiser internationale bescherming heeft in Griekenland. Op grond van Informatiebericht 2026/31 Beoordeling statushouders Griekenland (IB 2026/31) beoordeelt verweerder of eiser als statushouder in Griekenland terug kan naar Griekenland en daarom zijn asielaanvraag als niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Dit is mogelijk indien eiser als zelfredzaam kan worden beschouwd. Hiervoor is vereist dat eiser beschikt over een geldige Griekse verblijfsvergunning, een volwassen en alleenstaande man is en dat eiser niet kwetsbaar en dus zelfredzaam is. Eiser voldoet aan deze voorwaarden, nu hij sinds 9 april 2026 beschikt over internationale bescherming in Griekenland, hij 44 jaar oud is en alleen naar Europa is gereisd. Eiser is volgens verweerder geen kwetsbaar persoon en kan dus algeheel worden beschouwd als zelfredzaam. Eiser heeft slechts twee maanden in Griekenland verbleven na het verkrijgen van internationale bescherming. Dat het eiser in die tijd niet gelukt is om meer dan drie dagen informeel werk te vinden, is onvoldoende omdat andere statushouders dit wel op (in)formele wijze is gelukt. Daarnaast is het ook niet doorslaggevend dat eisers huisvesting bestond uit een slaapplek op de grond in een kamer van een andere Jemenitische man, omdat eiser onvoldoende heeft geprobeerd een eigen woning te vinden.
Verweerder heeft daarom eiser opgedragen om te vertrekken naar Griekenland op grond van artikel 62a, derde lid, van de Vw.
Heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk kunnen verklaren?
5. Eiser voert aan dat verweerder onjuist heeft beoordeeld dat hij zelfredzaam is en in Griekenland in zijn meest basale behoeftes zou kunnen voorzien. De situatie in Griekenland is zeer slecht. Ter onderbouwing hiervan verwijst naar het rapport van Refugee Support Aegean (RSA) en Stiftung PRO ASYL van 27 april 2026. De toegang van statushouders tot essentiële rechten en hun contacten met overheidsinstanties in Griekenland zijn afhankelijk van het bezit van een aantal documenten, waarbij het probleem is dat het verkrijgen van deze documenten ook weer afhankelijk is van het bezitten van een ander document. Het is hierdoor vrijwel onmogelijk om aan de voorwaarden te voldoen waarmee een statushouder hulp kan krijgen bij het vinden van werk en huisvesting. Zo is een AMKA-nummer vereist voor werk, gezondheidszorg, sociale uitkeringen en transacties met belangrijke overheidsinstanties. In Griekenland had eiser dan ook geen woning, geen werk, geen Grieks belastingnummer, fiscaal-identificatienummer en dus geen AMKA-nummer. Het vinden van huisvesting en werk is een extreme uitdaging, waardoor eiser ook als statushouder dakloosheid en armoede riskeert. In Griekenland had eiser eerder geen toegang tot medische voorzieningen en had hij geen financiële ondersteuning vanuit de overheid. Dit past in het beeld van wat inmiddels al lange tijd bekend is over de situatie in Griekenland. Ter zitting heeft eiser desgevraagd bevestigd dat hij wel over een AMKA-nummer beschikt.
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk kon verklaren. De rechtbank erkent dat de situatie in Griekenland bepaald niet rooskleurig is en dat statushouders moeilijkheden kunnen ondervinden en het zwaar kunnen hebben met het vinden van bijvoorbeeld passende huisvesting. Naar het oordeel van de rechtbank volgt echter uit het arrest D.O. en L.A. tegen Zweden van het Europees Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) van 7 juli 2026 (arrest D.O. en L.A.) dat de tekortkomingen in Griekenland niet dusdanig structureel en ernstig zijn dat sprake is van een systeemfout. Hierbij heeft het EHRM verschillende rapporten, waaronder het rapport van RSA en PRO ASYL waar eiser zich op heeft beroepen, maar ook AIDA-rapporten en communicatie van de Europese Commissie meegenomen. Eiser dient aannemelijk te maken dat hij individueel een risico loopt op een schending van artikel 3 van het EVRM. Hoewel de rechtbank onder ogen ziet dat terugkeer naar Griekenland tot moeilijke leefomstandigheden zou kunnen leiden, is de rechtbank van oordeel dat eiser in onderhavig geval er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat dit voor hem een risico op schending van de hoge drempel van artikel 3 van het EVRM inhoudt. Zo beschikte eiser over huisvesting, werd hij financieel ondersteund door zijn familie, is eiser tijdens zijn verblijf in Griekenland niet naar beschermende autoriteiten in Griekenland gegaan en heeft hij geen hulp gevraagd van de verschillende ngo’s die in Griekenland werkzaam zijn en statushouders ondersteunen.
Daarnaast volgt uit het arrest D.O. en L.A. dat moeilijke leefomstandigheden van statushouders niet automatisch als een schending van artikel 3 van het EVRM geldt. Verweerder heeft IB 2026/31 opgesteld om te beoordelen of een persoon die een verblijfsstatus heeft in Griekenland, terug kan keren naar Griekenland. Uit het IB 2026/31 volgt hoe het zelfredzaamheidscriterium dient te worden geïnterpreteerd en dat de verklaringen van eiser uit het gehoor moeten worden meegewogen in deze beoordeling. Het beleid zoals neergelegd in IB 2026/31 is door eiser niet bestreden. De rechtbank beperkt zich daarom tot een oordeel over de uitkomst van het toetsen aan dit beleid en ziet geen aanleiding om ambtshalve de redelijkheid hiervan te beoordelen. De rechtbank kan verweerder volgen in zijn conclusie dat eiser zelfredzaam is en dat hij daarom terug zou kunnen keren naar Griekenland. De rechtbank volgt eiser wel in zijn standpunt dat verweerder, zoals neergelegd in IB 2026/31, eiser had moeten vragen waarom hij Griekenland heeft verlaten en dat verweerder dit ten onrechte niet heeft gedaan. Nu verweerder door dit na te laten zich niet aan zijn eigen beleid heeft gehouden, stelt de rechtbank een zorgvuldigheidsgebrek vast. Echter, de rechtbank ziet aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat eiser hierdoor niet in zijn belangen is geschaad. Uit de rest van het gehoor blijkt voldoende waarom eiser Griekenland verlaten heeft, te weten de slechte situatie in Griekenland. De uitkomst van het bestreden besluit zou daarom niet zijn veranderd door het expliciet vragen waarom eiser Griekenland heeft verlaten. Bovendien heeft de rechtbank ter zitting deze vraag aan eiser gesteld en heeft hij hier geen ander antwoord op gegeven dan dat dit te maken had met de situatie in Griekenland.
Conclusie en gevolgen
7. Verweerder heeft de aanvraag niet-ontvankelijk kunnen verklaren.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt wel een vergoeding van zijn proceskosten vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
8. Nu op het beroep is beslist, bestaat geen aanleiding om de verzochte voorlopige voorziening toe te wijzen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daartoe daarom af. Verzoeker krijgt wel een vergoeding van zijn proceskosten vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934,- omdat de gemachtigde van verzoeker een verzoekschrift heeft ingediend. verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskoten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Roubos, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.W. Robijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.