ECLI:NL:RBDHA:2026:31568

ECLI:NL:RBDHA:2026:31568

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 02-10-2026
Datum publicatie 27-10-2026
Zaaknummer C/09/698540 FA RK 26-855
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Kinderalimentatie gewijzigd en verhoogd, als ook vaststelling partneralimentatie. Man heeft inkomsten uit nagelstudio en kapsalon en heeft een woning gekocht. De koopsom van die woning en de hoogte van de hypotheek die aan hem is verstrekt, roepen vragen op omdat de hoogte daarvan niet past bij het inkomen dat hij heeft opgegeven bij de Belastingdienst. Niet aannemelijk geworden dat de man niet in staat is de verzochte bijdragen te betalen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Familierecht

Zaaknummer: C/09/698540 FA RK 26-855

Kinder- en partneralimentatie

Beschikking van 2 oktober 2026

in de zaak van:

[verzoekster],

wonende in [plaats],

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M. Ahmadi.

e n

[verweerder],

wonende in [plaats],

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. Tülay Kahya-Ekinci,

1. De procedure

De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:

het verzoekschrift van de vrouw met bijlagen 1 tot en met 15, ingediend op 26 januari 2026;

het verweerschrift van de man met daarin een aantal zelfstandige verzoeken (tegenverzoeken), met bijlagen 1 tot en met 10;

het verweerschrift van de vrouw op de zelfstandige verzoeken van de man, met bijlagen 16 tot en met 22;

het bericht van de vrouw van 9 september 2026, met opnieuw maar een andere bijlage 22 en bijlagen 23 tot en met 24.

Op 17 september 2026 heeft de griffier aan de advocaten van beide partijen een email gestuurd met het verzoek om nadere toelichting en stukken. De rechtbank heeft nadien ontvangen:

e) het emailbericht van de vrouw van 17 september 2026;

f) het emailbericht van de man van 22 september 2026 (met ook intrekking van zijn zelfstandige verzoek) met bijlage.

Het verzoek en verweer zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling van 22 september 2026. Hiervan zijn aantekeningen gemaakt. Tijdens deze behandeling zijn via videobellen gehoord:

de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, en

de man, bijgestaan door zijn advocaat.

2. Waar gaat het over?

Wat staat vast?

De man en de vrouw zijn met elkaar getrouwd geweest van 22 april 2013 tot 16 april 2021.

Zij zijn de ouders van:

[minderjarige 1], geboren op [datum];

[minderjarige 2], geboren op [datum];

[minderjarige 3], geboren op [datum].

De minderjarigen staan ingeschreven op het adres van de moeder.

Partijen hebben in hun ouderschapsplan, op 5 februari 2021 door beide partijen ondertekend, afgesproken dat de man met ingang van 1 februari 2021 aan de vrouw een kinderbijdrage van € 200 per kind per maand moet betalen. Dit ouderschapsplan is aan de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van 11 maart 2021 gehecht.

Wat ligt voor?

De vrouw heeft, na wijziging, verzocht om bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:

I. de in het ouderschapsplan opgenomen kinderbijdrage met ingang van 7 december 2025 te wijzigen naar € 400 per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, althans een zodanig bedrag met ingang van een zodanige datum als uw rechtbank juist acht;

II. te bepalen dat de man met ingang van datum verzoekschrift (26 januari 2026) zal bijdragen in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw van € 716,07 bruto per maand, bij vooruitbetaling te voldoen aan de vrouw, althans met een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als uw rechtbank juist acht.

Volgens de vrouw zijn de omstandigheden gewijzigd en kan de man deze bijdragen betalen.

De man is het niet eens met het verzoek. Hij wil dat de vrouw niet-ontvankelijk wordt verklaard in het verzoek of dat het verzoek wordt afgewezen. Hij vindt dat er geen sprake is van een wijziging van omstandigheden waardoor hij een hogere kinderbijdrage en daarnaast ook nog een partneralimentatie kan betalen.

3. De beoordeling

Conclusie

De rechtbank zal beslissen dat de man een bedrag van € 400 per kind per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen, vanaf 7 december 2025. Daarnaast zal de rechtbank beslissen dat de man een bedrag van € 716,07 bruto per maand aan partneralimentatie aan de vrouw moet betalen, vanaf 26 januari 2026. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. Daarbij gaat zij in op de standpunten van partijen, voor zover die voor de beoordeling van belang zijn.

Reden voor de wijziging

De rechtbank kan de alimentatie opnieuw berekenen als de omstandigheden zijn gewijzigd. Dat is hier het geval, want de vrouw heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat het inkomen van de man is gestegen.

Ingangsdatum

De wet laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de (gewijzigde) alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn gewijzigd, de datum van het verzoekschrift en de datum waarop de rechter beslist. De rechter kan dus een bijdrage wijzigen over een periode in het verleden, maar moet daar terughoudend mee omgaan omdat dit flinke gevolgen voor partijen kan hebben

Hier hanteert de rechtbank voor de kinderalimentatie de datum 7 december 2025. Dat is de datum die de vrouw heeft verzocht. Dat is de dag waarop de man door de vrouw is aangeschreven en door haar kenbaar is gemaakt dat zij een herberekening wenst omdat het inkomen van de man is gestegen. De man heeft vanaf die datum rekening kunnen houden met een wijziging van de kinderalimentatie en tegen deze datum heeft hij ook geen verweer gevoerd. Voor wat betreft de partneralimentatie sluit de rechtbank eveneens aan bij de ingangsdatum zoals door de vrouw verzocht. Dat is de datum waarop de vrouw haar verzoek bij de rechtbank heeft ingediend. Ook hiervoor geldt dat de man vanaf die datum rekening heeft kunnen houden met een vaststelling van een partneralimentatie en hij heeft ook tegen deze datum geen verweer gevoerd.

Kinder- en partneralimentatie

Het geschil tussen partijen gaat voornamelijk over de draagkracht van de man en de rechtbank ziet daarom aanleiding om die ook als eerste te beoordelen.

De man is al geruime tijd werkzaam in een onderneming (een nagelstudio en kapperszaak), eerst als vennoot en later als zelfstandige. Volgens zijn aangiften en aanslagen inkomstenbelasting heeft de man de afgelopen jaren de volgende winstaandelen genoten: in 2021 € 15.409, in 2022 € 10.527 en in 2023 € 14.979. In 2024 heeft de man volgens zijn aangifte en aanslag inkomstenbelasting een resultaat uit onderneming genoten van € 35.441. Verder staat vast dat de man op

9 september 2024 een woning heeft aangekocht voor een koopsom (inclusief aankoopkosten) van € 574.979 en dat op die woning een hypotheek is gevestigd van € 560.000.

De vrouw voert aan dat de man de enige eigenaar is van de woning en onderbouwt met stukken dat die woning voor € 560.000 is aangekocht en daarop een ingeschreven hypotheek rust van € 840.000. Zij stelt dat daaruit kan worden geconcludeerd dat de man over een aanzienlijk hoger inkomen moet beschikken, anders zou hij deze woning niet hebben kunnen financieren. De vrouw heeft de man herhaaldelijk om een toelichting verzocht maar die niet gekregen, waarna zij een verzoekschrift bij de rechtbank heeft ingediend. In haar verzoekschrift van 26 januari 2026 heeft de vrouw dan ook verzocht de man te bevelen om op alle benodigde gegevens over zijn inkomens- en vermogenspositie in het geding te brengen, waaronder ook zijn inkomensgegevens uit 2025 als ook zijn hypotheekdossier en financieringsstukken betreffende de woning. In zijn verweerschrift van 26 maart 2026 heeft de man verweer gevoerd en stukken overgelegd, maar heeft hij niet tot nauwelijks gegevens over zijn inkomsten- en vermogenspositie overgelegd. Ook heeft hij geen inzage gegeven in zijn hypotheekdossier en onderliggende financieringsstukken. Wel heeft hij aangegeven dat de vrouw ermee bekend is dat betalingen in de onderneming veelal contant plaatsvinden.

Op 17 september 2026 heeft de rechtbank op voorhand en in aanloop naar de mondelinge behandeling bij email (onder andere) aan de man te kennen gegeven dat zij in elk geval behoefte heeft aan: een nadere toelichting op de hoogte van zijn inkomsten en uitgaven, ook gelet op de aankoopsom van zijn woning in 2024 en de aan de man verstrekte financiering (in het licht van de inkomensgegevens over de jaren 2021 tot en met 2024 van de man (die door de vrouw aan de rechtbank zijn verstrekt) en bij het gebrek aan informatie over zijn inkomen en lasten over het jaar 2025 tot aan heden. De man heeft vervolgens vlak voor de mondelinge behandeling een aangifte Inkomstenbelasting 2025 overgelegd. Volgens die aangifte heeft de man in 2025 een winst uit onderneming genoten van € 45.305.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechter de man gevraagd een toelichting te geven op de hoogte van zijn inkomsten en uitgaven, in relatie ook tot de aankoop van de woning. Zijn advocaat heeft verklaard dat partijen hebben samengewerkt in een vof en dat het bekend is dat daar veel cashgeld in omgaat. Partijen geven niet alles bij de Belastingdienst op. Geld wordt uit de kassa gepakt en op een rekening gestort. De hypotheek is geregeld via een tussenpersoon en het papierwerk is buiten de man om is gegaan. Om de woning te financieren heeft de man gebruik moeten maken van een methode die hij liever niet wilde. De man is wel bij de hypotheekverstrekker geweest en heeft een handtekening gezet onder de hypotheekakte bij de bank. De rechtbank heeft hieruit opgemaakt dat de advocaat van de man bedoelt te zeggen dat de tussenpersoon financiële stukken heeft vervalst om een hypotheek voor de aanschaf van de woning te krijgen, maar dit is onduidelijk gebleven.

De rechtbank heeft meermalen uitleg gevraagd hoe de man bij een dergelijke winst uit onderneming een dergelijke woning kan financieren, maar heeft hier geen afdoende verklaring voor gekregen van de man. Uit de aangiften inkomstenbelasting is dat niet op te maken, behalve dat duidelijk is dat de man in de jaren hiervoor geen woning had (en dus geen overwaarde heeft meegenomen) en geen opgave is gedaan van zogenaamd box 3 vermogen terwijl de man voorts verklaard dat er geen sprake is van niet opgegeven inkomsten, vermogen of constructies.

Voor het bepalen van de draagkracht van de man heeft de rechtbank inzage nodig in zijn inkomsten en uitgaven om te kunnen bepalen of de man een hogere bijdrage in de kosten van de kinderen kan betalen en eventueel nog ruimte over heeft voor het betalen van partneralimentatie. Ondanks dat de vrouw en de rechtbank de man hebben gevraagd om een uitleg en onderbouwing van zijn inkomsten en uitgaven, in het licht ook van de gekochte woning heeft de man die niet afdoende gegeven. De man heeft alleen een aangifte inkomstenbelasting 2025 verstrekt. Er is geen actuele informatie overgelegd die ziet op het jaar 2026, noch zijn de gegevens van zijn onderliggende hypotheekaanvraag aan de rechtbank verstrekt. Dat komt voor zijn rekening en risico, zeker nu blijkt dat de man wel een hypotheek van € 560.000 heeft kunnen afsluiten en daarvoor de lasten draagt. Het feit dat de woning naar zeggen van de man inmiddels te koop staat, geeft geen reden om er anders over te oordelen.

Al het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, betekent dat de rechtbank het verzoek van de vrouw voor een wijziging van de bijdrage in de kosten van de kinderen zal toewijzen. Niet is gebleken dat de hoogte van die bijdrage in strijd is met de wettelijke maatstaven van behoefte en draagkracht. Zoals de vrouw terecht heeft gesteld, stijgt ook de behoefte van de kinderen als vast komt te staan dat het inkomen van een ouder het toenmalige netto besteedbaar gezinsinkomen overstijgt. De vrouw heeft het netto besteedbaar gezinsinkomen in 2021 berekend op € 3.305 per maand. De man heeft dat inkomen niet betwist zodat ook de rechtbank daarvan uit zal gaan. De vrouw verzoekt nu een bedrag van € 400 per kind per maand (€ 1.200 totaal). Daarvan uitgaande en gelet op het gegeven dat zij zelf een minimale draagkracht heeft van € 50 per maand, hebben de ouders samen dan € 1.250 per maand beschikbaar voor de kinderen. Bij een dergelijke behoefte hoort volgens het Rapport alimentatienormen een inkomen van ruim € 5.000 netto per maand. Gelet op de koopsom van de woning en de hoogte van de hypotheek die de man heeft verkregen, vindt de rechtbank het voldoende aannemelijk geworden dat het huidige inkomen van de man het netto besteedbaar gezinsinkomen overschrijdt.

Voor zover de man stelt dat hij geen kinderalimentatie verschuldigd is omdat partijen tot in 2024 in gezinsverband met elkaar hebben geleefd, is die stelling door de vrouw betwist en wordt zijn verklaring ook niet ondersteund door de aangiften inkomstenbelasting zoals die zijn overgelegd. De foto’s die de man heeft overgelegd geven geen aanleiding om er anders over te oordelen.

Ten aanzien van de partneralimentatie heeft de man gesteld dat de vrouw heeft samengewoond als ware zij gehuwd en dat zij daarom geen aanspraak meer kan maken op partneralimentatie. De vrouw heeft erkend dat zij in 2023-2004 heeft samengewoond met [ex-partner] en een relatie met hem heeft gehad. Uit artikel 1:160 van het Burgerlijk Wetboek volgt dat een partneralimentatieverplichting van rechtswege eindigt wanneer de onderhoudsgerechtigde gaat samenwonen als ware zij gehuwd. Voor een bevestigende beantwoording van de vraag of sprake is van samenleven met een ander als waren zij gehuwd geldt dat tussen de samenwonende een affectieve relatie van duurzame aard bestaat, die meebrengt dat zij elkaar wederzijds verzorgen, met elkaar samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. De vrouw heeft betwist dat er sprake is geweest van een affectieve relatie van duurzame aard en van het wederzijds verzorgen. Bij die stand van zaken moet de rechtbank concluderen dat niet is gebleken dat de partneralimentatieverplichting van de man richting de vrouw van rechtswege is geëindigd.

De man heeft ook aangevoerd dat de vrouw haar verdiencapaciteit niet volledig benut. De vrouw heeft stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij vanaf februari 2025 ziek is en een ziektewetuitkering ontvangt. De rechtbank ziet geen aanleiding om de vrouw een hogere verdiencapaciteit toe te kennen dan de uitkering die zij op dit moment ontvangt.

De vrouw heeft de huwelijksgerelateerde behoefte berekend op basis van de Hofnorm in 2024 en die behoefte, vermeerderd met de wettelijke indexering, gesteld op € 1.901 netto per maand in 2026. Rekening houdend met haar ziektewetuitkering heeft zij aanvullende behoefte vervolgens berekend op € 716,07 bruto per maand. Nu de man deze aanvullende behoefte niet heeft betwist, zal ook de rechtbank hiervan uitgaan.

Nu gebleken is dat de vrouw nog recht heeft op partneralimentatie en zij een aanvullende behoefte heeft, dient beoordeeld te worden of de man voldoende draagkracht heeft om in deze aanvullende behoefte van de vrouw te kunnen voorzien. De rechtbank verwijst hiervoor naar haar overwegingen hierboven over de draagkracht van de man. Dit betekent dat ook het verzoek tot partneralimentatie zal worden toegewezen.

Voor zover de man op de mondelinge behandeling heeft benoemd dat hij ook onderhoudsplichtig is geworden van een vierde kind, geeft ook dat geen reden om anders te oordelen omdat de rechtbank niet in staat is om de draagkracht van de man te berekenen, terwijl er sterke aanwijzingen zijn dat hij een fors hoger inkomen geniet.

Alimentatie vooruitbetalen

De man moet de alimentatie steeds vóór de eerste dag van de maand vooraf betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt zullen worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in de maand wordt betaald.

Uitvoerbaar bij voorraad

De rechtbank verklaart de beslissing ‘uitvoerbaar bij voorraad’, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de alimentatie betaald moet worden, ook al wordt er hoger beroep ingesteld. Aan de man is ruimschoots gelegenheid geboden om de rechtbank op juiste wijze te informeren over de hoogte van zijn inkomsten en zijn lasten en hij heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. In deze beschikking heeft de rechtbank grofweg berekend dat gelet op de woning die de man heeft aangekocht en de lasten die hij daarvoor is aangegaan, het aannemelijk is dat hij voldoende draagkracht heeft op de bijdragen zoals door de vrouw verzocht te betalen, terwijl die ook in lijn zijn met de behoefte van de kinderen en haarzelf.

Proceskosten

Partijen moeten ieder de eigen proceskosten betalen, omdat zij elkaars ex-partners zijn.

4. De beslissing

De rechtbank:

wijzigt de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie, zoals die was vastgelegd in het ouderschapsplan die is gehecht aan de beschikking van 11 maart 2021 van de rechtbank Den Haag, en bepaalt dat deze kinderalimentatie vanaf 7 december 2025 € 400 per kind per maand bedraagt;

bepaalt dat de man vanaf 26 januari 2026 een bedrag van € 716,07 bruto per maand moet betalen aan de vrouw, als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud;

bepaalt dat de man deze kinder- en partneralimentatie wat de toekomstige termijnen betreft steeds vóór de eerste van de maand vooraf moet betalen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat partijen allebei hun eigen proceskosten moeten betalen;

wijst de verzoeken van partijen voor het overige af.

Dit is de beslissing van rechter mr. M.P. den Hollander, tot stand gekomen in samenwerking met mr. Y. Oosting, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof in Den Haag. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. Y. Oosting

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand